Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5125

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
ROT 10/750163-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek Doussie. Als douaneambtenaar in de Rotterdamse haven zich laten omkopen waardoor grote hoeveelheden cocaïne zijn ingevoerd, alsmede het witwassen van het daarmee verdiende geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-1722
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750163-14

Datum uitspraak: 4 juli 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en geboortedatum],

ingeschreven in de basisregistratie personen op een bij justitie bekend adres,

doch thans gedetineerd,

raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuipers, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 14 januari 2016, 7, 10, 11, 14, 17, 18, 21, 22, 24 en 29 november 2016, 2, 5, 14 en 20 december 2016, 9 januari 2017, 14 en 20 februari 2017, 18 april 2017, 22 mei 2017 en 20 juni 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 18 november 2016 laatstelijk overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. M. van Solingen en E. Ahbata, hierna te noemen de officier van justitie, hebben gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 7 en 8 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 9, 10 en 11 ten laste gelegde;

  • -

    ontslag van alle rechtsvervolging voor feit 11 voor zover het ziet op het zaakdossier aantreffen contant geld;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

Aangevoerd is dat het openbaar ministerie haar recht heeft verspeeld om de verdachte te mogen vervolgen en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De verdediging heeft daarbij een aantal gronden aangevoerd die betrekking hebben op de volgende onderwerpen.

a. Het kunstmatig opknippen van de moordonderzoeken en drugsonderzoeken;

b. [Medeverdachte 3] criminele burgerinformant/infiltrant;

c. De start van het onderzoek en dossier Touw;

d. De rol van het openbaar ministerie bij ‘afpersing’ door ‘Paul’.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

sub a. Het kunstmatig opknippen van de moordonderzoeken en drugsonderzoeken.

De verdediging heeft aangevoerd dat door het kunstmatig opknippen van de moordonderzoeken en de drugsonderzoeken de transparantie ontbreekt. In werkelijkheid is sprake van één groot onderzoek. De verdediging meent dat de voornaamste reden voor het knippen in de dossiers is gelegen in het creëren van de mogelijkheid om de (mede)verdachten, waaronder [medeverdachte 3], te kunnen inzetten als informant.

Beoordeling

De verdediging heeft dit verweer tijdens het proces op meerdere momenten gevoerd ter onderbouwing van het verzoek alle dossiers (onder meer Focus, Fichte, Diepvries, Dokkum en Stekelbaars) aan de verdediging en de rechtbank te doen verstrekken.

De rechtbank heeft hierop telkens beslist en de verzoeken afgewezen. De rechtbank ziet ook thans geen aanleiding daar anders over te denken of consequenties aan te verbinden.

Uitgangspunt is en blijft dat het openbaar ministerie verantwoordelijk is voor de samenstelling van het dossier. Als er raakvlakken zijn in verschillende lopende onderzoeken betekent dit niet dat al die zaken bij elkaar gevoegd zouden moeten worden.

In onderzoek Doussie is gebleken dat daar waar de onderzoeken elkaar raakten, stukken uit de andere onderzoeken zijn gevoegd en ter beschikking van de rechtbank en de verdediging zijn gesteld. Dat dit soms een herbeoordeling van de officier van justitie vergde, dan wel

- bijvoorbeeld op grond van voortschrijdend inzicht - stukken op een later moment alsnog werden toegevoegd, mag worden beschouwd als inherent aan dit proces. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat enige vertraging bij het overleggen van processen-verbaal (bijvoorbeeld betreffende de getuige [naam getuige]) een bewuste keuze was van het openbaar ministerie om de verdediging op achterstand te zetten. Niet is gebleken dat de verdachte door deze gang van zaken in zijn verdediging is geschaad.

Sub b. [Medeverdachte 3] criminele burgerinformant/infiltrant.

De verdediging is van oordeel dat de medeverdachte [medeverdachte 3] als criminele burgerinfiltrant is ingezet zonder dat het openbaar ministerie daartoe gerechtigd was en zonder dat dit in het dossier is verantwoord.

Voor de inzet van [medeverdachte 3] als criminele infiltrant zijn volgens de verdediging aanwijzingen. Tegen [medeverdachte 3] zijn, anders dan na de poging liquidatie op [medeverdachte 2], na zijn aanhouding geen BOB middelen ingezet, vermoedelijk in verband met zijn rol als burgerinfiltrant. Hij heeft aldus een voorkeursbehandeling gekregen. [Medeverdachte 3] heeft verklaard dat het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) hem uiteindelijk heeft gevraagd om in Libanon informatie over [medeverdachte 4] in te gaan winnen. [Medeverdachte 3] heeft dit verzoek ingewilligd en heeft informatie over transporten van [medeverdachte 4] verstrekt aan TCI. Naar het oordeel van de verdediging blijkt uit deze omstandigheden dat [medeverdachte 3] voldoet aan alle criteria die worden gesteld om van een criminele burgerinfiltrant te kunnen spreken.

Het openbaar ministerie was evenwel niet gerechtigd tot de inzet van [medeverdachte 3] als informant/infiltrant in de zaak Hulst (300 kilo) nu hij ook verdachte in die zaak was (is). In september 2013 was [medeverdachte 3] aangehouden voor witwassen. Op dat moment was al TCI-informatie aanwezig waaruit bleek dat hij in de drugs zou zitten. [Medeverdachte 3] is op 31 maart 2015 neergeschoten en is vervolgens aangehouden en in verzekering gesteld op grond van overtreding van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 1 december 2013 tot het moment van inverzekeringstelling. Ook uit de verhoren van [medeverdachte 3] eind maart 2015 en begin april 2015 en het bevel inverzekeringstelling blijkt dat er op dat moment al een verdenking was naar [medeverdachte 3] in de 300 kilo zaak.

Het openbaar ministerie weigert voorts gegevens te verstrekken en verslagen van de contacten die er geweest zijn door TCI met [medeverdachte 3]. Het openbaar ministerie is kennelijk onwillig om openheid van zaken te geven. De verdediging meent dat de houding van het openbaar ministerie in de situatie rondom [medeverdachte 3] consequenties dient te hebben voor de ontvankelijkheid en verwijst naar een recente uitspraak van het Gerechtshof

‘s-Hertogenbosch van 29 januari 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:242), welke zaak grote gelijkenis vertoont met de onderhavige zaak.

Dit alles leidt bij de verdediging tot de conclusie dat sprake is van ernstig vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, dat onherstelbaar is. Het geschonden belang betreft het recht op een eerlijk proces dat ook de verdachte toekomt. De rechtmatigheid, betrouwbaarheid en integriteit van het onderzoek is geweld aangedaan. Dientengevolge is de verdediging ruimschoots tekort gedaan in de mogelijkheid de bewijsgaring te controleren. Door de gang van zaken is het wettelijk systeem in de kern geraakt.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat er contacten zijn geweest tussen TCI en [medeverdachte 3]. Gelet op de toelichting van de TCI-officier van justitie bij proces-verbaal van 10 november 2016, en diens verklaring als getuige ter terechtzitting op 14 november 2016, alsmede de verklaringen van de TCI-chef [naam] bij de rechter-commissaris op 25 augustus 2016 en de verklaring van de operationeel expert bij TCI ter terechtzitting op 14 november 2016, was het benaderen van [medeverdachte 3] gericht op het achterhalen van de achtergronden van een poging liquidatie op 30 maart 2015 waarvan [medeverdachte 3] slachtoffer was. Doel van zulke oriënterende gesprekken is om te achterhalen welke informatie iemand heeft, waarna gekeken kan worden of deze persoon geschikt zou zijn voor enig traject. Benadrukt is dat TCI dergelijke oriënterende gesprekken niet alleen voert met het oog op een mogelijk informanten traject. TCI benadert ook personen die mogelijk als bijzondere getuige zouden kunnen gaan fungeren.

[Medeverdachte 3] is op eigen initiatief naar Libanon gegaan, er is in die periode meermalen contact met hem geweest, maar hij heeft geen opdracht gekregen om informatie in te winnen. De door [medeverdachte 3] uit eigen beweging verstrekte informatie is met niemand anders gedeeld dan met TCI-medewerkers. Nu de gesprekken oriënterend waren en niet met medewerkers buiten de TCI zijn gedeeld, is de vraag naar de status van [medeverdachte 3] niet van belang. Temeer niet nu hij benaderd werd met het doel informatie te verkrijgen over de achtergronden van de poging liquidatie op hemzelf.

Ten overvloede heeft de officier van justitie uiteengezet dat [medeverdachte 3] pas door belastende verklaringen van de medeverdachte [naam verdachte] op 19 en 23 april 2015 duidelijk als verdachte naar voren kwam. Na een reeks aanhoudingen in juni 2015, is na de zomer van 2015 de balans opgemaakt en is besloten dat er voldoende was om [medeverdachte 3] aan te houden. Van een verdenking tegen [medeverdachte 3] in een van de zaken waarin hij als verdachte is aangemerkt (300 kilo, 3000 kilo, corruptie) was ten tijde van de benadering van [medeverdachte 3] door de TCI begin april 2015 nog geen sprake. TCI heeft dan ook gehandeld binnen de gestelde kaders.

Ten aanzien van [medeverdachte 2] en [verdachte] geldt eveneens dat er redenen waren om hen te benaderen en te bezien of bij deze personen informatie zou kunnen worden ingewonnen over de moord op [naam slachtoffer] of bijvoorbeeld eventuele andere corrupte douaniers, zonder dat het hun eigen verdenkingen zou raken.

Beoordeling

De rechtbank begrijpt het standpunt van de verdediging aldus, dat [medeverdachte 3] niet is aangemerkt als (criminele) informant dan wel infiltrant maar feitelijk wel als zodanig heeft gefungeerd zonder dat het openbaar ministerie (TCI) daarover rekenschap heeft afgelegd.

De rechtbank stelt voorop dat het informatie inwinnen door medewerkers van politie/justitie in het algemeen geacht kan worden te behoren tot hun taak in het kader van de opsporing op grond van artikel 3 Politiewet. Het zoeken en onderhouden van contact met personen (burgers) die inlichtingen zouden kunnen verschaffen kan, evenals het onderzoeken over welke informatie een persoon kan beschikken dan wel voor welk soort informatie traject deze in aanmerking zou kunnen komen, zoals door TCI gebeurt, worden beschouwd als onderdeel van een verkennende (voor)fase in het strafrechtelijk (opsporings)onderzoek. Deze ‘vrije’ verkenning vindt een grens in de uitdrukkelijk geregelde bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie door een (burger) persoon die geen opsporingsambtenaar is als bedoeld in artikel 126v Sv, dan wel het infiltreren door een burger in een crimineel samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 126w Sv. Het stelselmatig informatie inwinnen is aan de orde als het vooraf de bedoeling is een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven te krijgen. Het optreden als infiltrant wordt omschreven als het deelnemen aan of medewerking verlenen aan een groep van personen waarbinnen - naar redelijkerwijs kan worden vermoed - misdrijven worden beraamd of gepleegd. Voor beide bevoegdheden is een bevel van de officier van justitie vereist. Voorts is het niet toegestaan om een verdachte van een strafbaar feit, in een hem betreffende onderzoek als informant in te zetten.

De officier van justitie laat zich in beginsel nimmer uit over iemands informantenstatus. Wat daarvan in dit geval zij, de rechtbank stelt vast dat van een opdracht door politie en/of justitie waarbij door [medeverdachte 3] stelselmatig informatie is ingewonnen over de verdachte niet is gebleken. Dit is ook niet door de verdediging gesteld. Van een ongeoorloofde inbreuk op verdachtes privéleven door het handelen van [medeverdachte 3] is al helemaal geen sprake geweest.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat, beoordeeld vanuit het belang dan wel het recht van de verdachte op bescherming van zijn privésfeer, geen sprake is geweest van ongeoorloofde (met het beschreven wettelijk stelsel strijdige) informatievergaring door justitiemedewerkers in het geval van [medeverdachte 3].

Bovendien is niet aannemelijk geworden dat het handelen van [medeverdachte 3] op enige wijze de bewijsgaring ten opzichte van de verdachte of de medeverdachten heeft gediend. Waar de verdediging heeft gewezen op informatie ten aanzien van de [medeverdachten 4 en 5] die [medeverdachte 3] zou hebben verstrekt in het kader van de verdenking van de invoer van 400 kilo cocaïne vanuit Brazilië met de Marfret Marajo, is dat door de officier van justitie gemotiveerd tegengesproken met verwijzing naar eerdere contacten met en informatie van de Braziliaanse autoriteiten over dat transport. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen en de rechtbank acht het standpunt van de officier van justitie niet weerlegd dat informatie van [medeverdachte 3] niet is gedeeld buiten TCI.

Los van het voorgaande heeft de rechtbank nog het volgende bezien. Hebben justitiemedewerkers (TCI) mogelijk de integriteit van het strafproces geweld aangedaan door – in strijd met het daartoe geldende verbod - met [medeverdachte 3] contact te zoeken, terwijl (ondanks dat) deze als verdachte moest worden aangemerkt?

De rechtbank overweegt dat het openbaar ministerie onder overlegging van een tijdlijn, onderbouwd heeft betoogd dat in ieder geval tot aan de belastende verklaringen van [verdachte] op 19 en 23 april 2015 geen sprake was van een specifieke verdenking ten aanzien van de later tenlastegelegde feiten betreffende de 300 kilo (Hulst) en de 3000 kilo (Auckland). Ten tijde van de inverzekeringstelling van [medeverdachte 3] op 31 maart 2015 was eerst nog sprake van een algemene verdenking met betrekking tot de handel in en het bezit van harddrugs en softdrugs. Eerst na de zomer van 2015 is [medeverdachte 3], na het opmaken van de balans in een aantal zaken, als verdachte in de zaak Hulst aangemerkt.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de weergave door de officier van justitie van de ontwikkeling in de verdenking van [medeverdachte 3] ter zake van Hulst niet als adequaat of niet als volledig te beschouwen. De stelling van de verdediging dat [medeverdachte 3] al op een veel eerder moment met de 300 kilo in verband is, dan wel had kunnen worden gebracht, is onvoldoende onderbouwd met de verwijzing naar TCI informatie over betrokkenheid van [medeverdachte 3] bij drugs in het algemeen vanuit of via de Rotterdamse haven in 2013 en evenmin met het eenvoudigweg poneren dat [medeverdachte 3] in dat jaar bij het openbaar ministerie ‘op de radar was’.

In het verhoor van [medeverdachte 3] op 2 april 2015 naar aanleiding van de schietpartij op de Stompaardsedijk (onderzoek Stompaard) is de ontdekking van de 300 kilo besproken. De uitleg van de officier van justitie dat dit verhoor gericht was op het oplossen van de poging liquidatie op [medeverdachte 3] zelf, mede tegen de achtergrond van de liquidatie van [naam slachtoffer] en de geruchten over een verband met de zaak Hulst en het bestaan van een dodenlijst, acht de rechtbank – dat verhoor lezende – te volgen.

[Medeverdachte 3] was formeel nog geen verdachte in de zaak Hulst toen hij werd benaderd begin april 2015. Uit de stukken en verklaringen van de gehoorde getuigen (TCI en tactisch) rijst een beeld op waarin justitie op zijn best vermoedens had, maar geen exact beeld over zijn betrokkenheid bij dat transport. Nog daargelaten dat dit exacte beeld er op grond van het voorliggende dossier ook thans niet is ([medeverdachte 3] is bij uitspraak van heden vrijgesproken van deelname aan de organisatie van genoemd transport), is het tegen de achtergrond van de genoemde liquidatie en daarmee gemoeide opsporingsbelangen begrijpelijk dat justitie op zoek ging naar informatie en daarbij [medeverdachte 3] als kersvers slachtoffer van een schietincident benaderde. De medewerkers van TCI hebben in hun verklaringen voldoende inzicht geboden in de daarbij verrichte belangenafweging en de zorgvuldigheid waarmee is nagedacht over het benaderen van [medeverdachte 3]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zij met het benaderen van, en langere tijd (ook in Libanon) contact houden met [medeverdachte 3] een uiterste inspanning binnen de grenzen van hun bevoegdheid in de genoemde verkennende fase hebben geleverd, maar – gezien de beschreven belangen – deze niet hebben overschreden.

Dit brengt mee dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor de conclusie dat [medeverdachte 3] zonder dat daarvoor een bevel was gegeven feitelijk als informant is ingezet in een zaak waarin hijzelf verdachte is/was. Dit betekent tevens dat de stelling dat justitie hierover geen verantwoording heeft afgelegd, niet kan slagen.

Voor het benaderen van de verdachte zelf, zonder dat het zijn eigen verdenkingen zou raken, heeft de officier van justitie met verwijzing naar de mogelijkheid om informatie over de moord op [naam slachtoffer] of bijvoorbeeld eventuele andere corrupte douaniers in te winnen, een genoegzame reden aangegeven.

Conclusie benaderen [medeverdachte 3]

Op grond van het vorenstaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat sprake is geweest van schending van verdedigingsrechten of de privésfeer van de verdachte, dan wel van de integriteit van het onderzoek. Voor niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie op deze grond is dan ook geen aanleiding.

Sub c. Start van het onderzoek en dossier Touw.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie doelbewust het Belgische onderzoek Touw heeft achtergehouden om te verhullen dat de start van onderzoek Hulst niet, zoals geverbaliseerd, een toevallige vondst betrof maar een gerichte controle op basis van vooraf verkregen informatie. Door het achterhouden van de stukken en het tijdsverloop is het voor de verdediging in de onderhavige zaak nagenoeg onmogelijk geworden de gang van zaken omtrent het aantreffen van de 300 kg cocaïne (Hulst) op te helderen, terwijl er sterke aanwijzingen zijn dat er sprake was van een weggetipte partij. De verdediging wijst in dit verband onder meer op de contacten tussen de Nederlandse en de Belgische autoriteiten inzake onderzoek Touw en het Spaanstalige stuk van 21 november 2013 alsmede de omstandigheid dat de ontvanger van de betrokken container, het bedrijf [naam bedrijf 1] via [naam 1] al in 2013 bij de politie had moeten opvallen.

Beoordeling

Dit standpunt is eerder door de verdediging naar voren gebracht en zij heeft daaraan onderzoekswensen gekoppeld. Een deel daarvan is door de rechtbank bij beslissing van

20 december 2016 toegewezen en dit heeft er toe geleid dat nader onderzoek is gedaan naar de omstandigheden rond de controle en het aantreffen in een container van 300 kg cocaïne op 9 december 2013. Dit onderzoek is gedaan in het Belgische dossier Touw, bij de Nederlandse douane en het HARC-team.

Bevindingen Belgisch dossier Touw.

Ter zitting van 14 december 2016 heeft de officier van justitie een email overgelegd van de Belgische federaal magistraat mr. Cappelle, betrokken bij onderzoek Touw. Hierin stelt zij dat de inbeslagname van de 300 kg op 9 december 2013 niet is gebeurd op basis van Belgische informatie of Belgische onderzoeksmaatregelen.

Voorts heeft de rechtbank een proces-verbaal van bevindingen ontvangen van de Rotterdamse recherche met daarbij het gedeelte van het dossier Touw dat mogelijk betrekking heeft op de onderzoeken Doussie/Hulst. Uit dit proces-verbaal volgt dat het onderzoek Touw zag op meerdere cocaïnetransporten in de periode 1 maart 2012 tot en met 13 december 2013. Een groot deel van het onderzoek zag op een transport van 110 kg op de Bahia Laura, welk schip op 6 november 2013 de haven van Rotterdam binnen kwam. Vanaf oktober 2013 kwam het bedrijf [naam bedrijf 2] naar voren.

Er is middels een rechtshulpverzoek verzocht om IP-taps op emailadressen van [naam bedrijf 2], deze hebben geen resultaat opgeleverd. In het dossier Touw is geen informatie aangetroffen die betrekking heeft op de verdachten in het onderzoek Doussie. Er zijn ook geen gesprekken, berichten of bevindingen aangetroffen in relatie tot de onderzoeken Doussie of Hulst. Contacten tussen de Nederlandse verdachten in deze onderzoeken en de Belgische verdachten in onderzoek Touw zijn niet vastgesteld, de namen van de Nederlandse verdachten komen er niet in voor.

Voorts kan op basis van dit dossier worden vastgesteld dat het de Nederlandse autoriteiten zijn geweest, die de Belgische autoriteiten op de hoogte hebben gesteld van de vondst van 300 kg cocaïne op de MSC Geneva op 9 december 2013. In een rechtshulpverzoek van de Belgische autoriteiten van 9 december 2013 wordt vervolgens om aanvullende informatie gevraagd naar aanleiding van deze vondst. Tot slot blijkt dat diverse door de Belgische autoriteiten gedane rechtshulpverzoeken niet zijn uitgevoerd, zoals het verzoek van

10 december 2013 een doorzoeking te verrichten bij [naam bedrijf 2].

Bevindingen Nederlands controletraject.

In dossier Hulst is gerelateerd over de vondst op 9 december 2013 van 300 kg cocaïne tussen een partij ananassen in container TRLU-183823-2 op het schip MSC Geneva afkomstig uit Costa Rica.

De partij is gevonden nadat bij de scan een onregelmatigheid is geconstateerd. De container is daarna geopend en uitgepakt. Vervolgens is besloten dat het een zogenaamde ‘veegactie’ wordt, inhoudende dat de cocaïne wordt vernietigd en er verder geen nader onderzoek plaatsvindt. Van deze vondst is aanvankelijk een dossier opgemaakt onder de zaaksnaam ‘Fokkemaat’.

Naar aanleiding van de vragen van de verdediging is nader onderzoek gedaan naar de vraag op grond waarvan is besloten tot het scannen van deze container. Er is onderzoek gedaan in de douanesystemen, de betrokken douaneambtenaren zijn gehoord en er is een aanvullend proces-verbaal opgemaakt door het HARC-team.

Uit het onderzoek in het douanesysteem Prisma is gebleken dat de container op

23 november 2013 door de geautomatiseerde risicoanalyse op ‘oranje’ is gezet (op grond van het land van herkomst). Vervolgens is de container op 30 november 2013 door selecteur [naam 2] ‘rood’ afgehandeld. Hij heeft de container geselecteerd voor een scancontrole, welke op 9 december 2013 heeft plaatsgevonden. Daarover als getuige gehoord, heeft selecteur [naam 2] (op 31 januari 2017) verklaard dat hij zich deze specifieke container niet meer kan herinneren en ook niet of hij voor deze container specifieke informatie heeft ontvangen, maar dat dat hem onwaarschijnlijk lijkt. Als dat namelijk het geval was geweest had hij de container niet voor de scan geselecteerd, maar zou hij een zwaarder controlemiddel hebben ingezet.

Tot slot is in het proces-verbaal dat op 28 december 2016 door het zogeheten HARC-team is opgemaakt, gerelateerd dat de container niet door medewerkers van het HARC-team voor controle is geselecteerd, maar op basis van risicoprofilering door de afdeling pre-arrival van de douane en dat er geen tip of andere vorm van externe informatie is geweest die heeft geleid tot de controle van de container.

Conclusie startinformatie.

Uit de hiervoor weergegeven nadere onderzoeken in het Belgische dossier en het Nederlandse controletraject is naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele manier naar voren gekomen dat de Nederlandse autoriteiten voorafgaand aan de vondst van de 300 kg cocaïne op 9 december 2013 voorinformatie hadden over deze partij. De stelling van de verdediging - wat daar verder van zij - dat het ontvangend bedrijf [naam bedrijf 1] de politie al eerder had moeten opvallen maakt dit niet anders.

Ten aanzien van het Belgische onderzoek Touw is er geen enkel stuk waaruit kan worden afgeleid dat de Nederlandse opsporingsdiensten van de Belgische autoriteiten informatie hebben ontvangen voorafgaand aan de vondst van de 300 kg cocaïne over specifiek deze container, noch dat zij naar aanleiding van dit onderzoek zelf voorinformatie hebben verkregen over deze container. Zulks zou naar voren moeten zijn gekomen bij het aanvullend onderzoek dat is verricht zowel aan Belgische zijde als aan Nederlandse zijde, hetgeen niet het geval is. Het feit dat besloten is de vondst te melden aan de Belgische autoriteiten, duidt hier evenmin op. Integendeel, als voorinformatie was gegeven, was dit in deze vorm niet nodig geweest.

Ook uit het overgelegde Spaanstalige stuk van 21 november 2013 en de nadien daarvan ontvangen vertalingen, kan niet worden afgeleid dat de Nederlandse opsporingsdiensten vooraf informatie hebben ontvangen over deze container met 300 kg cocaïne. De omstandigheid dat in dat stuk namen worden genoemd van verdachten die door de Belgische rechter onherroepelijk zijn veroordeeld voor invoer van cocaïne in de Rotterdamse haven, maakt dit niet anders. Zoals de rechtbank eerder bij beslissingen van

11 mei en 20 juni 2017 heeft overwogen, blijkt uit bovengenoemd stuk dat informatie wordt gegeven over transporten van voor 21 november 2013. Los daarvan staat in dit stuk geen concrete informatie over deze specifieke container en kan uit dit stuk op geen enkele wijze worden afgeleid dat enige informatie met de Nederlandse autoriteiten is gedeeld.

De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor de stelling dat het aantreffen van de 300 kg cocaïne in container TRLU-183823-2 op het schip MSC Geneva op 9 december 2013 ten onrechte is geverbaliseerd als een min of meer toevallige vondst, terwijl in werkelijkheid sprake was van voorinformatie.

Achterhouden dossier Touw.

De verdediging heeft voorts betoogd dat de officier van justitie ten onrechte het Belgische dossier Touw niet uit eigen beweging aan het dossier heeft toegevoegd.

De officier van justitie heeft ter zitting van 14 december 2016 aangegeven dat in contact tussen de Belgische en Nederlandse politie voor het eerst op 1 augustus 2015 inzage is geweest in het onderzoek Touw. Na de inzage is zowel door de Nederlandse als door de Belgische politie de conclusie getrokken dat, anders dan dat het crimineel samenwerkingsverband in het onderzoek Touw ook gebruik maakte van het bedrijf [naam bedrijf 2], verder geen relevante informatie aanwezig was in dit onderzoek voor onderzoek Hulst en/of Doussie.

Gezien de resultaten van het nadien uitgevoerde nadere onderzoek in het dossier Touw zoals hiervoor beschreven, acht de rechtbank deze conclusie niet onbegrijpelijk. Voor de stelling dat het onthouden van het dossier werd ingegeven door de wens zaken te verhullen, wordt, mede gelet op hetgeen hierover is overwogen, geen enkel aanknopingspunt gezien.

S ub d. De rol van het openbaar ministerie bij ‘afpersing’ door ‘Paul’.

De verdediging heeft voorts betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat TCI een handlanger van een Zuid-Amerikaans drugskartel heeft gefaciliteerd in een poging de verdachte informatie af te persen. Daarbij heeft deze persoon, genaamd ‘Paul’, de verdachte geïntimideerd en erop aangedrongen dat hij ‘Paul’ informatie zou verschaffen die ertoe zou leiden dat ‘Paul’ zijn geld zou krijgen. De verdachte heeft daarop informatie gegeven die hij uit eigen beweging nooit zou vertellen. TCI moet zich hiervan bewust zijn geweest. Hiermee is de zaak vergelijkbaar met de situatie in de zaak M.M. vs Netherlands (EHRM 8 april 2003 no 39339/98), waarin een schending van artikel 8 EVRM werd aangenomen in een geval dat een burger opname apparatuur meekreeg van de politie. In dit geval is die schending van dusdanige aard dat, in combinatie met het feit dat werd deelgenomen aan het plegen verschillende strafbare feiten door medewerkers van het openbaar ministerie, een schending van artikel 6 EVRM aan de orde is.

Om deze reden dient dit op zichzelf en in samenhang met voornoemde schendingen van artikel 6 EVRM te leiden tot de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Standpunt officier van justitie

Het openbaar ministerie heeft dit verweer met kracht bestreden. In het dossier en de brief van de TCI-officier van justitie én het proces-verbaal van 23 januari 2017 van de rechter-commissaris aangaande contacten TCI-‘Paul’ is er niets dat de stelling van de verdediging bevestigt. Het arrest waarnaar de verdediging heeft verwezen is niet van toepassing. De rol van het politieteam in die zaak betrof het strafrechtelijk onderzoek in het kader van bewijsvergaring. De contacten van TCI met ‘Paul’ waren daar niet op gericht en vonden niet plaats in het onderzoek Doussie. Van een schending van artikel 8 EVRM is dan ook geen sprake.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat in december 2016 opnames zijn opgedoken van gesprekken die de verdachte heeft gevoerd met een persoon onder de naam ‘Paul’. Van de zijde van het openbaar ministerie is, onder overlegging van een daarop betrekking hebbende brief van de TCI-officier van justitie van 13 december 2016, ter zitting van 14 december 2016 erkend dat er sprake was van contacten tussen TCI en een persoon die in dit proces met de naam ‘Paul’ is aangeduid.

In opdracht van de rechtbank heeft de rechter-commissaris een onderzoek ingesteld naar de contacten tussen TCI en ‘Paul’ en heeft daartoe de interne verslaglegging van TCI onderzocht. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden tegen de achtergrond van stellingen van de verdediging van de verdachte respectievelijk medeverdachte(n), met betrekking tot drugstransporten dan wel drugslijnen vanuit Zuid-Amerika naar de Rotterdamse haven en hetgeen ‘Paul’ daarover zou hebben verklaard dan wel zou kunnen verklaren.

In het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 23 januari 2017 is op grond van kennisneming van de interne verslaglegging van TCI beschreven dat ‘Paul’ begin augustus 2016 aan TCI meldde dat een zekere [naam verdachte] contact met hem had gezocht en dat ‘Paul’ wilde proberen ‘informatie uit hem te halen’. TCI heeft vervolgens de komst naar Nederland van ‘Paul’ gefaciliteerd: de landelijke signalering van ‘Paul’ is opgeschort om de reis mogelijk te maken, TCI heeft de kosten van het nieuwe paspoort aan ‘Paul’ vergoed (omdat hij dat zelf niet kon bekostigen) en ‘Paul’ is door TCI gedurende zijn verblijf in Rotterdam ondergebracht in een appartement. Ook heeft TCI aan ‘Paul’ op diens verzoek een opnameapparaat ter beschikking gesteld. Uit het verslag kan verder worden opgemaakt dat ‘Paul’ ergens in augustus 2016 in Nederland is geweest, een aantal gesprekken heeft gevoerd met de verdachte, en op 3 september 2016 uit Nederland is vertrokken.

De informatiewinning door TCI en de personen die daarbij worden benaderd onttrekt zich doorgaans aan de openbaarheid, om voor de hand liggende redenen. Het is ook – zoals zowel de verdediging als de officier van justitie hebben geuit – ongebruikelijk dat over de omgang met een (mogelijke) informant informatie wordt verstrekt. Het is niet ongebruikelijk of ongeoorloofd dat het inwinnen van informatie doorgaat tijdens een lopende strafzaak. Hoe verstandig het in dit geval was om mee te werken aan het door een persoon als ‘Paul’, met wiens betrouwbaarheid als informant TCI kennelijk al eerder geen goede ervaringen had, laten benaderen van de verdachte tijdens een tegen hem lopende strafzaak, is niet aan de rechtbank ter beoordeling. Wel heeft dit - naar is gebleken - risico’s opgeleverd voor de voortgang van het proces en heeft dit ook de officieren van justitie in deze zaak, zoals door hen is uitgedrukt, onaangenaam verrast.

Raakt dit optreden van TCI nu de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de voorliggende strafzaak?

De rechtbank concludeert op grond van het verslag van de rechter-commissaris dat de contacten en gevoerde gesprekken tussen TCI en ‘Paul’ in Colombia en Nederland kennelijk hebben plaatsgevonden binnen het kader van informatie inwinning door TCI over drugstransporten. Volgens genoemd proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris, blijkt uit de verslagen van TCI dat het initiatief tot deze reis van ‘Paul’ zelf

(al dan niet op verzoek van [verdachte]) afkomstig was. ‘Paul’ zou zowel met betrekking tot toekomstige als met betrekking tot transporten uit het verleden containernummers verstrekken, maar heeft dit kennelijk niet waargemaakt. Uit genoemde brief van de TCI-officier van justitie die, volgens het onderzoek van de rechter-commissaris zoals neergelegd in diens proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2017, wordt bevestigd door de interne verslaglegging van TCI, kan worden geconcludeerd dat TCI begin december 2016 heeft besloten om niet verder met ‘Paul’ als informant in zee te gaan, hem als onbetrouwbaar te kwalificeren en op een zwarte lijst te plaatsen.

Die gesprekken, alsmede de beschreven contacten tussen TCI en ‘Paul’ die kennelijk zijn hervat in juli 2016, zijn feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden na afloop van de tenlastegelegde periode. Het openbaar ministerie heeft daarop ten tijde van het onderhavige opsporingsonderzoek geen invloed gehad.

De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat er geen aanwijzingen voor zijn, dat TCI opnames van de gesprekken tussen ‘Paul’ en de verdachte naar buiten heeft gebracht. Gelet op de werkwijze en het belang van TCI bij het afschermen van zijn werkwijze, alsmede van de identiteit van (potentiële, bestaande of gewezen) informanten moet het ook onaannemelijk worden geacht dat TCI opzettelijk deze informatie zou hebben ‘gelekt’ om daarmee het proces te beïnvloeden.

Dit alles brengt mee dat de rechtbank het opduiken van opnames van gesprekken tussen de verdachte en ‘Paul’, waarvan de transcripties aan het dossier zijn toegevoegd, als een gegeven beschouwt waarvan de wijze van totstandkoming, afgezien van de daarin opgenomen informatie ten aanzien van de tenlastegelegde feiten, de opsporing en vervolging in Doussie niet raakt. Wat er verder zij van de intenties van ‘Paul’ dan wel de verdachte met die gesprekken, de vraag naar de eerbiediging van het privéleven van de verdachte (als bedoeld in art 8 EVRM) dan wel de daarbij volgens de verdediging door ‘Paul’ gepleegde intimidatie, dit alles heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het onderzoek in de voorliggende zaken. Van een schending van artikel 6 EVRM (fair trial) is geen sprake. Voor niet-ontvankelijk verklaring is dan ook geen grond.

Algehele conclusie sub a. t/m sub d.

De officier van justitie is gelet op het voorgaande, ook in samenhang bezien, ontvankelijk in de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Medeplegen zaken Marfret Marajo, Auckland en Hammonia

De raadsman heeft betoogd dat er geen sprake is van medeplegen en dat de handelingen van de verdachte hooguit kunnen worden gekwalificeerd als medeplichtigheid. Het initiatief tot invoer van de cocaïne ging niet van hem uit, hij wist niet om hoeveel het ging, nam aan geen enkele beraadslaging deel en zijn bemoeienis was beperkt en bestond enkel en alleen uit het op wit zetten van de container. De raadsman bepleit om die reden vrijspraak ten aanzien van zowel de ten laste gelegde invoer als de daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen.

Beoordeling

De verdachte heeft verklaard dat hij ergens in mei 2013 door [voornaam medeverdachte 3] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3]) werd benaderd, die wilde zaken met hem doen en wilde dat hij voor hem ging werken. Het begon met [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [naam 3], [medeverdachte 1] kwam later en daarna die ouwe. [Medeverdachte 3] heeft die ouwe bij hem geïntroduceerd en hij moest ook dingen voor hém uitzetten. Zij wilden lijntjes opzetten en hij moest voor hen dan bedrijven checken. Hij verklaart over de vijftien (PGP)telefoons die bij hem in beslag zijn genomen dat die bestemd waren om af te spreken en informatie uit te wisselen.

Observaties bevestigen dat er regelmatig ontmoetingen zijn geweest met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] (die ouwe), uit de in de auto opgenomen gesprekken blijkt van ontmoetingen met [medeverdachte 1] en [getuige 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] regelmatig naar de winkel kwam om de verdachte te spreken. Ook is tijdens de observaties gezien dat de verdachte een telefoon overhandigt aan [medeverdachte 2] en een andere keer dat [medeverdachte 2] de verdachte een papier overhandigt.

Verder blijkt zowel uit de in de woning van [medeverdachte 2] opgenomen gesprekken, als de verslagen van de politieel informanten, dat verdachte hem informeert over de situatie bij de douane of op het haventerrein en dat hij hem adviseerde over het sturen van een dummy en de bedrijven die hij al dan niet kon gebruiken. Aan [medeverdachte 4] geeft hij tips over welke deklading hij het beste kan gebruiken en over een expediteur in Barneveld die 800.000 containers per jaar binnenhaalt. De verdachte schuift bij [medeverdachte 4] ook nog zijn schoonzoon [getuige 1] als zijn plaatsvervanger naar voren. Als een container wordt onderschept, zegt hij ‘we’ zijn hem kwijt en iets rond ‘ons’ valt op. Tegen [medeverdachte 1] zegt de verdachte dat hij [naam bedrijf 3] (fonetisch) even nakijkt en dat hij 100% controle heeft over alle zendingen, tenzij de FIOD er op zit.

Uit het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte deel uitmaakte van een groep personen die zich bezig hield met de invoer van cocaïne, die in containers per schip de haven van Rotterdam binnenkwam. In die groep had iedereen zijn eigen rol. Verdachtes rol daarin was, zowel in de voorbereiding als in de uitvoering, van essentieel belang en na zijn aanhouding zegt een van de medeverdachten ook dat hij “nu even niks meer kan”. De verdachte onderhield veelvuldig contact met de medeverdachten, kreeg van hen steeds wisselende zogenaamde PGP-telefoons voor vertrouwelijke communicatie, had ontmoetingen met hen, kreeg daarbij informatie over de containers waar de drugs in zaten, gaf adviezen, checkte bedrijven, keek vervolgens in het systeem na wanneer de container arriveerde en zette hem tenslotte zo nodig op wit om eventuele controles te omzeilen. De omstandigheid dat de samenwerking in wisselende samenstellingen kennelijk soms chaotisch of zelfs onaangenaam verliep en het de verdachte ergerde hoe hij van verschillende zijden werd benaderd, benadrukt nog eens de opzet op die (nauwe en bewuste) samenwerking en de rol van de verdachte daarin.

Anders dan de raadsman suggereert, ging de betrokkenheid van de verdachte veel verder dan het met één simpele klik op de computer, op wit zetten van een container.

Dat zijn bijdrage in het geheel voor de medeverdachten van essentieel belang was, blijkt ook nog eens uit de omstandigheid dat zij allemaal over de douaneman wilden beschikken en bereid waren hem fors te betalen voor zijn werkzaamheden.

Uit het vorenstaande volgt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten bij zowel de invoer van grote hoeveelheden cocaïne, als bij het voorbereiden daarvan. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat “slechts” sprake zou zijn geweest van medeplichtigheid en acht het onderdeel medeplegen bij de hiervoor genoemde feiten wettig en overtuigend bewezen.

5.2.

Bewezenverklaring feiten 1 en 2, zaak Marfret Marajo

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

feit 1.

hij op 17 april 2015 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) ongeveer 399,05 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

feit 2.

hij in de periode 12 maart 2015 tot en met 17 april 2015 te Rotterdam en/of ‘s Gravenzande

tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 399,05 kilogram cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en

- een voorwerp voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat het bestemd was tot het plegen van het hierboven bedoelde feit;

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk (telkens)

- pingberichten verstuurd en ontvangen met betrekking tot het importeren en/of het vervoeren van een hoeveelheid cocaïne of de vracht waarin die cocaïne was verborgen en/of

- ontmoetingen gehad met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen van die cocaïne met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) en/of

- een of meer (met het beveiligingsprogramma PGP beveiligde) telefoons voorhanden gehad en/of communicatie gevoerd middels die PGP telefoons met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) met betrekking tot invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen van die cocaïne.

5.3.

Bewijswaardering feiten 3 en 4, zaak Auckland

De verdachte bekent dat hij betrokken is geweest bij de container waarin 3000 kilo cocaïne is aangetroffen. Hij heeft de betreffende container in de systemen van de Douane gevolgd en door de code ‘oranje’ te veranderen in ‘wit’ er voor gezorgd dat deze container zonder verdere controle zou worden vrijgegeven.

Echter de ontmoetingen en gesprekken van de verdachte met [medeverdachte 1] kunnen niet gerelateerd worden aan deze container. Daar waar in het gesprek van 2 september 2014 wordt gezegd dat hij er bij verdachte wat “in zou gooien van [naam bedrijf 3]” hetgeen bijvoorbeeld kan worden ingelezen als een containernummer of een bill of lading, lijkt dit geen betrekking te hebben op deze partij. De partij kwam immers pas eind november 2014 aan en het is niet waarschijnlijk dat men bijna drie maanden daarvoor al de beschikking had over de betreffende bill of lading of het containernummer. Ook de vijfhonderdjes kunnen geen betaling zijn voor deze partij cocaïne, nu verdachte heeft verklaard dat hij altijd achteraf betaald krijgt. Ook de inhoud van het gesprek van 22 oktober 2014 tussen de verdachte en [medeverdachte 1] kan niet specifiek gerelateerd worden aan deze container.

Uit de bekennende verklaring van de verdachte vloeit weliswaar voort dat hij ook betrokken is geweest bij de voorbereiding van de invoer van deze container met cocaïne, maar het onderliggende bewijs voor de daarop ziende uitvoeringshandelingen, zoals die voor deze container zijn ten laste gelegd, is niet terug te vinden in het dossier.

Nu er geen wettig bewijs is van de uitvoeringshandelingen (feit 4), zoals die in de tenlastelegging zijn verwoord, dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring feit 3

Op grond van de bewijsmiddelen, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij omstreeks 28 november 2014 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) ongeveer 3007 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

5.4.

Bewijswaardering feiten 5 en 6, zaak Hammonia

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte beide feiten heeft begaan. De verdachte heeft meerdere ontmoetingen gehad met [medeverdachte 4], adviezen gegeven, bedrijven gecontroleerd, de systemen geraadpleegd en zendingen geselecteerd (waaronder die betreffende de Hammonia). Uiteindelijk heeft hij een riante beloning gekregen. Daarmee heeft de verdachte zich niet alleen schuldig gemaakt aan het medeplegen van de voorbereiding van de invoer van de betreffende container maar ook aan het medeplegen van de invoer zelf. Het enkele feit dat het uiteindelijk niet de verdachte zelf is geweest die de container op wit heeft gezet, doet daaraan niet af, nu dit slechts een klein aandeel in het geheel aan handelingen van verdachte betreft.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat noch het medeplegen van de tenlastegelegde invoer noch het medeplegen van de voorbereidingshandelingen wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht.

Beoordeling

De verdachte heeft bekend dat hij betrokken was bij een container met daarin een hoeveelheid cocaïne die op het schip Hammonia Antofagasta rond 20 februari 2015 binnen kwam in de Rotterdamse haven.

Uit opgenomen vertrouwelijke communicatie blijkt dat de verdachte rond dit transport meerdere ontmoetingen heeft gehad met [medeverdachte 4], van wie hij na afloop van het transport ook een flinke som geld heeft gehad. De verdachte heeft een containernummer gekregen, hij heeft vervolgens de container op meerdere dagen, ook op dagen dat hij vrij was, in de douane systemen gevolgd en hij heeft de container in zijn eigen werkvoorraad gezet. Op enig moment bleek dat een collega van de verdachte de container, zonder dit aan hem mede te delen, uit de werkvoorraad van de verdachte heeft gehaald en zelf heeft afgehandeld.

De vraag is wat voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde de consequentie is van het feit dat de verdachte de container niet zelf op ‘wit’ heeft gezet en dus niet de laatste handeling heeft verricht, waarmee de ongehinderde invoer van deze container feitelijk werd voltooid.

Gelet op hetgeen hiervoor onder het kopje “medeplegen” is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat juist deze handeling een essentiële bijdrage is om de cocaïne onopgemerkt binnen het grondgebied van Nederland te krijgen. En het is deze essentiële bijdrage die (naast de overige door de verdachte te plegen handelingen) de verdachte tot medepleger van de invoer bestempelt. Nu de verdachte met betrekking tot de onderhavige container dat essentiële onderdeel niet zelf heeft gedaan, en hij ook anderszins geen enkele invloed heeft gehad op het afhandelen van de container door zijn collega, dient hij te worden vrijgesproken van de onder 5 ten laste gelegde medeplegen van invoer.

Bewezenverklaring feit 6

De onder 6 ten laste gelegde voorbereidingshandelingen kunnen op grond van wettige bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen worden, op die wijze dat:

hij in de periode 01 januari 2015 tot en met 22 februari 2015 te Rotterdam en/of ’s-Gravenhage,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een handelshoeveelheid cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s)

- ontmoetingen en/of besprekingen gehad met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen van die cocaïne met zijn mededader(s).

5.5.

Vrijspraak feiten 7 en 8, zaak Munkebo

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 7 en 8 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan, zonder nadere motivering, zal worden vrijgesproken.

5.6.

Bewijswaardering feit 9, zaak Corruptie

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hierbij is aanvullend aangevoerd dat zulks enkel te gelden heeft voor de transporten waaraan de verdachte direct gekoppeld kan worden en dat de ten laste gelegde periode dient te worden beperkt en pas aanving in mei 2013.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 9 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op tijdstippen in de periode van 01 mei 2013 tot en met 31 december 2014 in Nederland, als ambtenaar te weten in de functie van selecteur op de afdeling CCC-PA (pre-arrival) van de Douane Rotterdam,

giften en beloften, te weten (de belofte van) betaling(en) van (een) (gro(o)t)) geldbedrag(en), aangeboden en/of gedaan door [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] heeft aangenomen terwijl hij, verdachte,

wist dat deze beloften hem werden gedaan teneinde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten en

wist dat deze giften hem werden gedaan ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem al dan niet in strijd met zijn plicht in zijn bediening is gedaan of nagelaten te weten het voor/aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3]

- inloggen in de douanesystemen Prisma en/of Douanemanifest om te bekijken wanneer de selectieopdracht voor containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen, waaronder in ieder geval de container met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, zichtbaar werd en als selecteur in behandeling nemen van deze selectieopdracht en/of

- doorgeven of containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen, al dan niet gecontroleerd zouden gaan worden en/of

- zodanig markeren van containers met daarin cocaïne waaronder in ieder geval de container met het nummer CPSU5171570, dat deze containers, zonder controle doorgezet zouden worden en/of

- de systemen van de Douane Rotterdam raadplegen met een ander doel dan waarvoor deze bestemd zijn en (vervolgens) aan (een) derde(n) informatie verstrekken over de werkwijze van de Douane Rotterdam met betrekking tot de controle van (een) container(s) terwijl die informatie daarvoor niet is bedoeld;

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 17 april 2015 in Nederland, als ambtenaar te weten in de functie van selecteur op de afdeling CCC-PA (pre-arrival) van de Douane Rotterdam, giften en beloften, te weten

(de belofte van) betaling(en) van (een) (gro(o)t(e)) geldbedrag(en),

aangeboden en/of gedaan door [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] heeft aangenomen terwijl hij, verdachte,

wist dat deze beloften hem werden gedaan teneinde hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten en

wist dat deze giften hem werden gedaan tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn bediening is gedaan of nagelaten

te weten het voor/aan die [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2]

- inloggen in de douanesystemen Prisma en/of Douanemanifest om te bekijken wanneer de selectieopdracht voor containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen, waaronder in ieder geval de container met het nummer ECMU9219717 en de container op het risicoschip Hammonia Antofagasta, zichtbaar werden en als selecteur in behandeling nemen van deze selectieopdracht en/of

- doorgeven of containers al dan niet gecontroleerd zouden gaan worden en/of

- zodanig markeren van containers, waaronder in ieder geval de container met het nummer ECMU9219717, dat deze containers, zonder controle doorgezet zouden worden en/of

- buiten de controle houden van (een) binnenkomende container met het nummer ECMU9219717 en/of- de systemen van de Douane Rotterdam raadplegen met een ander doel dan waarvoor deze bestemd zijn en (vervolgens) aan (een) derde(n) informatie verstrekken over de werkwijze van de Douane Rotterdam met betrekking tot de controle van (een) container(s) terwijl die informatie daarvoor niet is bedoeld.

5.7.

Bewezenverklaring feit 10, zaak Beretta

Dit feit is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 10 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 17 april 2015 te ’s-Gravenzande, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder b en Bijlage I van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een met merk, model en soort aangeduid voorwerp als op lijst a van bijlage I van de Regeling wapens en munitie, namelijk een gasdrukpistool, 4.5 mm, merk Pietro Beretta, model 92FS, voorhanden heeft gehad.

5.8.

Bewijswaardering feit 11, zaak Witwassen

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte ten aanzien van het aangetroffen geld in de woning en de auto van de verdachte, dient te worden vrijgesproken omdat hij geen gedragingen heeft verricht die kennelijk gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan.

Ten aanzien van de Boston Whaler, een boot, is onvoldoende komen vast te staan dat deze is gefinancierd door uit misdrijf afkomstige gelden en uit de verklaringen blijkt dat de verdachte deze boot voor iemand anders heeft gekocht. Voldoende aannemelijk is dat de verdachte niet de eigenaar van deze boot is geweest. Nu de verdachte er niet op is bevraagd en het openbaar ministerie hiernaar geen nader onderzoek heeft gedaan dient de verdachte van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de overige zaakdossiers is aangevoerd dat de op de rekeningen van familieleden gestorte geldbedragen afkomstig zijn uit de opbrengst van de kringloopwinkel.

Beoordeling

Onder feit 11 zijn meerdere zaaksdossiers ten laste gelegd die zien op het witwassen van geldbedragen en een motorboot. De rechtbank zal hierna, na enige algemene overwegingen, de zaaksdossiers afzonderlijk bespreken.

Criminele herkomst

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van witwassen opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

De verdachte heeft bij de politie erkend dat hij grote contante geldbedragen heeft ontvangen voor zijn corruptieve handelingen. In de woning van de verdachte is een contant geldbedrag van meer dan 1,1 miljoen euro aangetroffen en in zijn auto een bedrag van 20.000 euro. Vastgesteld kan voorts worden dat de verdachte een zeer riant uitgavenpatroon had gedurende een aantal jaar. Dat blijkt niet alleen uit onderzoek door de politie, maar ook uit wat zijn familieleden hierover hebben verklaard. Het betreft in ieder geval regelmatige dure reizen naar Curaçao met het gezin, waarbij business class werd gevlogen, investeringen ten behoeve van een nieuwe woning en de aanschaf van een motorboot. Een uitgavenpatroon dat niet kan worden verklaard vanuit verdachtes legale inkomsten als douaneambtenaar, ook niet wanneer nog rekening zou worden gehouden met de neveninkomsten die hij mogelijk heeft gehad uit zijn kringloopwinkel [naam bedrijf 4] of uit zijn handel in stripboeken.

Voor wat betreft deze laatste twee gestelde bronnen van inkomsten merkt dat de rechtbank op dat de verdachte slechts heeft gesteld dat hij daar flinke (zwarte) inkomsten uit haalde. Dit terwijl er sterke aanwijzingen zijn dat de rekening van [naam bedrijf 4] werd gevuld door aanzienlijke stortingen uit dubieuze bronnen (zoals buitenlandse rekeningen zonder dat daar een reële tegenprestatie tegenover stond) en dat de rekening van [naam bedrijf 4] werd gebruikt voor privé betalingen (zoals die voor de Boston Whaler). Uiteraard is niet uit te sluiten dat het [naam bedrijf 4] een bedrag aan (niet opgegeven) inkomsten genereerde. Dat niet met enige mate van zekerheid is vast te stellen welk deel van de inkomsten van [naam bedrijf 4] op legale wijze is verkregen komt evenwel voor rekening van de verdachte. Gelet op de omvang van de (kennelijk contante) bedragen die bij de familie werden uitgegeven en omgezet, lag een nadere onderbouwing in de rede. Om eventuele inkomsten uit [naam bedrijf 4] te beschouwen als dé legale bron van verdachtes inkomsten die deze omvangrijke contante bedragen zou kunnen verklaren, zoals door de verdediging bepleit, is dit alles onvoldoende.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank ten aanzien van de grote uitgaven van en de aanzienlijke contante stortingen door de verdachte, als enige aanvaardbare verklaring ziet dat deze gelden afkomstig zijn uit verdachtes criminele handelen.

De rechtbank zal hierna per zaaksdossier de tenlastelegging bespreken.

Zaaksdossier witwassen RAW, de motorboot.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de motorboot op naam van de verdachte staat en met ingang van 24 juli 2014 zijn eigendom is. De verdachte heeft de motorboot aangekocht, zo blijkt uit de bewijsmiddelen. Uit niets blijkt dat hij deze boot voor iemand anders heeft gekocht dan wel dat hij deze samen met een ander heeft gekocht. Dat hij voor het gebruik en beheer van de boot in Curaçao afspraken heeft gemaakt met een ander, maakt dit niet anders. De gelden benodigd voor de aankoop van de boot zijn via bedrijven in Dubai op de rekening van [naam bedrijf 4] BV gestort, waarna vanaf die rekening de motorboot is betaald. De verdachte heeft middels deze constructie criminele gelden omgezet in de bewuste boot en heeft daarmee tevens de criminele herkomst van de gelden verhuld.

Dit onderdeel is wettig en overtuigend bewezen.

Zaaksdossier witwassen Hoflaan.

In verband met het niet doorgaan van de koop van een woning aan de Hoflaan in

’s-Gravenzande diende door de verdachte een boete te worden betaald van 87.500 euro.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [naam notaris] dit bedrag op 10 februari 2014 heeft ontvangen via een Liechtensteinse bankrekening ten name van [naam bedrijf 5].

Op de bankrekening van de verdachte zijn geen betalingen verricht aan deze Liechtensteinse bankrekening. In de e-mailbox van de boekhouder [medeverdachte 6] werd een e-mail gevonden gericht aan [naam] en gedateerd 6 februari 2014 met het verzoek om een bedrag van 87.500 euro over te maken aan [naam notaris].

De verdediging heeft aangevoerd dat dit bedrag mogelijk zou zijn betaald uit de inkomsten van [naam bedrijf 4] of de stripboekenhandel. De rechtbank verwijst dienaangaande naar hetgeen zij hiervoor over de criminele herkomst van verdachtes gelden heeft overwogen. Bovendien geeft dit geen aannemelijke verklaring voor de bijzondere betalingsconstructie die is gehanteerd.

Wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte met deze constructie met medewerking van anderen de criminele herkomst van zijn gelden heeft verhuld.

Zaaksdossier witwassen [getuige 2], [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 4].

Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte contante stortingen deed op de bankrekeningen van familieleden. Dit betrof:

- op de rekening van [getuige 2] in de periode van 4 januari 2010 tot en met 25 augustus 2014 een bedrag van 36.200 euro en in de periode van 26 november 2014 tot en met 2 maart 2015 een bedrag van 20.900 euro;

- op de rekening van [getuige 1] in de periode van 18 februari 2015 tot en met 16 maart 2015 een bedrag van 33.950 euro;

- op de rekening van [getuige 3] in de periode van 2012 tot en met 2014 een bedrag van 11.600 euro;

- op de rekening van [getuige 4] een bedrag van ruim 105.000 euro in de periode van 31 december 2009 tot en met 17 maart 2015.

De verdediging heeft hieromtrent naar voren gebracht dat de verdachte in totaal een bedrag van 207.900 euro op rekening van familieleden heeft gestort, hetgeen, bezien over de periode van de vijf jaar waarin dit is gebeurd, een bedrag betreft dat ook zeer wel uit de verdiensten van [naam bedrijf 4] of de handel in stripboeken kan zijn gekomen.

De rechtbank verwijst dienaangaande naar hetgeen zij hiervoor over de criminele herkomst van verdachtes gelden heeft overwogen en verwerpt het verweer.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door de contante stortingen op bankrekeningen van familieleden tezamen met deze familieleden handelingen heeft verricht die er op gericht waren de criminele herkomst van het geld te verbergen of te verhullen.

Ten aanzien van de bewezenverklaring geldt nog een aantal bijzonderheden zoals hieronder uiteengezet:

[Getuige 2]:

De rechtbank constateert dat ten laste is gelegd de periode 1 januari 2013 tot en met 1 maart 2015 met in totaal een bedrag van 57.140 euro, terwijl uit het dossier blijkt dat dit bedrag is gestort over de periode 4 januari 2010 tot en met 2 maart 2015.

Nu uit het dossier niet blijkt of en zo ja, welk bedrag in de periode van 4 januari 2010 tot en met 2 maart 2015 contant op de rekening van [getuige 2] is gestort zal de rechtbank “enige geldbedragen” wettig en overtuigen bewezen verklaren.

[Getuige 3]:

Omdat de tenlastelegging ziet op de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 1 maart 2015, valt het bedrag dat is gestort in 2012 weg en zal de rechtbank een bedrag van 10.600 euro wettig en overtuigen bewezen verklaren.

[Getuige 4]:

De tenlastelegging ziet op de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 maart 2015. Een deel van de contante stortingen valt buiten deze periode. De rechtbank zal derhalve “enige geldbedragen” wettig en overtuigend bewezen verklaren.

Aantreffen contant geld.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op de dag van zijn aanhouding een geldbedrag van 1.171.395 euro in zijn woning en auto voorhanden had.

De verdachte heeft gesteld dat hij dit geld in zijn auto had gevonden en weer terug moest leggen in zijn auto, waaruit het dan weer zou worden weggehaald. De rechtbank acht dit onaannemelijk. Deze bewering is niet gemotiveerd of onderbouwd. Verdachte heeft niet gesteld van en voor wie dat geld dan was, noch waarom dat geld in zijn auto is gelegd. Uit het dossier kan voorts worden afgeleid dat de verdachte vaker grote geldbedragen contant in huis had.

De raadsman heeft voorts bepleit dat de verdachte van dit onderdeel dient te worden vrijgesproken omdat de verdachte geen gedragingen heeft verricht die kennelijk gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst ervan.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat het aangetroffen geld van misdrijf afkomstig was. Nu de rechtbank echter niet heeft kunnen vaststellen dat de verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld, kan dit onderdeel van het onder feit 11 bewezenverklaarde niet worden gekwalificeerd en levert daarom geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Bewezenverklaring feit 11

Wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 11 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op diverse tijdstippen in de periode van 01 januari 2013 tot en met 09 juni 2015 in Nederland en/of Curaçao,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), een goed, te weten meerdere grote geldbedragen en een motorboot verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, en/of de herkomst verhuld, te weten:

  • -

    in de periode van 01 mei 2014 tot en met 9 juni 2015 een motorboot (type Boston Whaler voorzien van de naam RAW) en

  • -

    in de periode van 01 januari 2014 tot en met 17 april 2015, een geldbedrag van EUR 87.500 en

  • -

    in de periode van 01 januari 2013 tot en met 01 maart 2015, enige geldbedragen en/of in de periode van 18 februari 2015 tot en met 18 maart 2015, een geldbedrag van EUR 33.950,- en

  • -

    in de periode van 01 januari 2013 tot en met 01 maart 2015, een geldbedrag van EUR 10.600,- en

  • -

    in de periode van 01 januari 2013 tot en met 01 maart 2015, enige geldbedragen en

  • -

    op 17 april 2015 een geldbedrag van EUR 1.171.395,-

terwijl hij, verdachte, wist, dat voornoemde geldbedragen, en voornoemde motorboot, - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

5.9.

Bewijsmiddelen

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen voor de feiten 1, 2, 3, 6, 9, 10 en 11, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, waarop wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte deze feiten heeft begaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5.10.

Conclusie

Bewezen zijn de onder 1, 2, 3, 6, 9, 10 en 11 ten laste gelegde feiten.

Dit betekent dat niet bewezen zijn de onder 4, 5, 7 en 8 ten laste gelegde feiten.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

2.

Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en een voorwerp voor handen hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

3.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

6.

Medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door een gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen waarvan hij weet of ernstig reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

9.

als ambtenaar een belofte aannemen, wetende dat deze hem gedaan of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, en

als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd

en

als ambtenaar een belofte aannemen, wetende dat deze hem gedaan of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten, en

als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn bediening is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd

10.

Handelen in strijd met artikel 13 eerste lid van de Wet wapens en munitie.

11.

Medeplegen van een gewoonte maken van witwassen, meermalen gepleegd.

Feit 11, Partieel ontslag van alle rechtsvervolging.

Ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 11 onder het laatste aandachtstreepje, het op 17 april 2015 voorhanden hebben van een geldbedrag van € 1.171.395,-.

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft als ambtenaar zich laten omkopen. Hij was werkzaam bij de douane op de afdeling pre-arrival en kon in zijn functie als selecteur zelfstandig beslissen welke container wel en welke niet zou worden gecontroleerd op de aanwezigheid van onder meer verdovende middelen. Zodoende was hij in staat om containers waarvan hij wist dat daar verdovende middelen in zaten, zonder douanecontrole door te laten en konden zijn medeverdachten een betreffende container ongehinderd oppikken en naar een plaats vervoeren waar de drugs werden uitgeladen. De verdachte heeft dit gedurende een lange periode veelvuldig gedaan en werd daar zeer fors voor betaald. De uiteindelijk onderschepte containers lijken, getuige het vele geld waarover de verdachte kon beschikken, slechts het topje van de ijsberg te zijn geweest.

Dit zijn zeer ernstige feiten.

Door zo te handelen heeft de verdachte niet alleen gehandeld in strijd met de bij zijn aanstelling als ambtenaar afgelegde belofte, maar ook het door zijn werkgever en zijn collega’s in hem gestelde vertrouwen beschaamd en zijn positie misbruikt.

De verdachte heeft zich bij zijn handelen enkel laten leiden door “het grote geld” en getuige zijn eigen uitlating maakte het hem daarbij niet uit of ze “René of Piet stuurden”, als er maar betaald werd wilde hij met iedereen wel zaken doen.

Het aannemen van giften door een ambtenaar schaadt het algemeen vertrouwen dat de burger in het overheidsapparaat moet kunnen stellen en de waardigheid van de overheid.

De overheid moet kunnen vertrouwen op de loyaliteit, betrouwbaarheid en onkreukbaarheid van haar ambtenaren.

Dit geldt te meer voor een douaneambtenaar belast met de controle van containers in de haven van Rotterdam, een stad die haar faam en trots ontleent aan haar haven.

Rotterdam is één van de grootste havens van de wereld en corruptie in de haven schaadt het aanzien van ons land. Door het handelen van de verdachte is de douane veelvuldig op een zeer negatieve manier in het nieuws gekomen, hetgeen de nodige frustratie bij zijn collega’s teweeg moet hebben gebracht.

Het controleren van de miljoenen containers die de haven binnenkomen en het bestrijden van de invoer van drugs langs deze weg wordt wel omschreven als vechten tegen de bierkaai of een druppel op een gloeiende plaat. Dat moge zo zijn. Maar door de handelwijze van de verdachte en zijn mededaders zijn meerdere partijen met honderden kilo’s cocaïne op de markt terecht gekomen. De invoer van grote partijen cocaïne en de voorbereidingshandelingen daarop dragen bij aan de verspreiding en het gebruik van harddrugs en vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en bevorderen de toename van vermogenscriminaliteit.

Het was een van de taken van de verdachte als douaneambtenaar om de Nederlandse grenzen te beveiligen tegen deze kwalijke invloeden van buiten. Het is schrijnend dat hij die beveiliging juist heeft ondermijnd.

De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan witwassen van de grote geldbedragen die hij voor zijn diensten ontving. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en kan een ontwrichtende werking hebben op de samenleving.

Tenslotte heeft de verdachte een gasdrukpistool voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit ervan is in strijd met de wet.

Gezien de ernst en de hoeveelheid van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van lange duur.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 september 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Voorts is in enige mate rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte in de eerste periode na zijn aanhouding, bij de politie openheid van zaken heeft willen geven.

De verdediging heeft aangevoerd dat de eis van de officier van justitie veel te hoog is, bezien in het licht van uitspraken in andere corruptiezaken. Het kernverwijt is de corruptie en dit impliceert de invoer van de verdovende middelen.

De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman aangedragen voorbeelden niet kunnen worden vergeleken met onderhavige zaak, nu de corruptieve handelingen erop waren gericht grote hoeveelheden cocaïne ons land binnen te brengen.

Alles afwegend worden na te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaringen en maatregel van onttrekking aan het verkeer, passend en geboden geacht.

9 In beslag genomen voorwerpen

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd ten aanzien van de voorwerpen vermeld op de als bijlage III bij dit vonnis gevoegde lijst van in beslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen:

  • -

    verbeurdverklaring ten aanzien van de goederen onder nummers 9, 10, 11, 12, 13, 52;

  • -

    onttrekking aan het verkeer ten aanzien van de goederen onder nummers 47, 48;

  • -

    teruggave aan de verdachte van de goederen onder nummers: 50, 51.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

9.3.

Beoordeling

De in beslag genomen voorwerpen vermeld op de als bijlage III bij dit vonnis gevoegde lijst van in beslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen onder de nummers

9 (1.171.395 euro), 10 (5098 US dollar), 11 (405 Antilliaanse guldens), 12 (335 Engelse ponden), 13 (speedboot Boston Whaler Vantage 270 naam Raw registratienummer NC130B) en 52 (GSM Nokia) zullen worden verbeurd verklaard.

De voorwerpen behoren aan de verdachte toe, hij kan de voorwerpen ten eigen bate aanwenden en de voorwerpen zijn geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten verkregen.

De in beslag genomen voorwerpen vermeld onder 47 (een dolkmes/stiletto) en onder

48 ( een pistool merk Beretta) zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang en het onder 10 bewezen verklaarde feit is met betrekking tot de Beretta begaan.

Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen onder nummer 49 (paspoort), nummer 50 (administratie en betaalpassen) en nummer 51 (een rijbewijs) zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte, zijnde deze degene bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen en die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57, 362 (oud), 362, 363 (oud), 363 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 10 en 10a van de Opiumwet en artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 4, 5, 7 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 6, 9, 10 en 11 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het onder feit 11 onder het laatste gedachtestreepje bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

stelt vast dat het overig bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de in bijlage III gevoegde lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 9: de goederen vermeld onder de nummers 9, 10, 11, 12, 13, 52;

- verklaart onttrokken aan het verkeer: de goederen vermeld onder de nummers 47 en 48;

- gelast de teruggave aan verdachte van de goederen vermeld onder de nummers: 49, 50 en 51.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.L. van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. J.J. Bade en C. Laukens, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst en mr. J.S. Beukema, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Zaak Marfret Marajo

hij

op of omstreeks 17 april 2015 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) ongeveer 399,05 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2/A jo 10 Opiumwet jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

2.

Voorbereidingshandelingen Zaak Marfret Marajo

hij

in of omstreeks de periode 12 maart 2015 tot en met 17 april 2015 te Rotterdam en/of ‘sGravenzande, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 399,05 kilogram cocaïne, althans een of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

  • -

    zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit;

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) tezamen en

in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk (telkens)

- één of meer telefoongesprek(ken) in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of één of meer smsbericht(en) en/of pingbericht(en) verstuurd en/of ontvangen met betrekking tot het importeren en/of het vervoeren van een of meer

hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of de vracht(en) waarin die cocaïne was verborgen

  • -

    een of meer ontmoeting(en) en/of bespreking(en) gehad met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) en/of

  • -

    een of meer (met het beveiligingsprogramma PGP beveiligde) telefoons voorhanden gehad en/of communicatie gevoerd middels die PGP telefoons met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) met betrekking tot invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

  • -

    van zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) geld ontvangen om te zorgen dat (een) container(s) niet gecontroleerd wordt met betrekking tot de invoer van die cocaïne;

(art 10 a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet jo art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

Zaak Auckland

hij

op of omstreeks 28 november 2014 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) ongeveer 3007 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2/A jo 10 Opiumwet jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

4.

Zaak Auckland voorbereidingshandelingen

hij

in of omstreeks de periode 01 september 2014 tot en met 28 november 2014 te Rotterdam en/of ‘s-Gravenzande, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 3007 kilogram cocaïne, althans een of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

  • -

    zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of

  • -

    voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit;

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) tezamen en

in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk (telkens)

- één of meer telefoongesprek(ken) in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of één of meer smsbericht(en) en/of pingbericht(en) verstuurd en/of ontvangen met betrekking tot het importeren en/of het vervoeren van een of meer

hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of de vracht(en) waarin die cocaïne was verborgen en/of

  • -

    een of meer ontmoeting(en) en/of bespreking(en) gehad met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) en/of

  • -

    een of meer (met het beveiligingsprogramma PGP beveiligde) telefoons voorhanden gehad en/of communicatie gevoerd middels die PGP telefoons met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) met betrekking tot invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

  • -

    van zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) geld ontvangen om te zorgen dat (een) container(s) niet gecontroleerd wordt met betrekking tot de invoer van die cocaïne;

(art 10 a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet jo art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

5.

Zaak Hammonia

hij op of omstreeks 20 februari 2015 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een grote hoeveelheid (van een materiaal bevattende) cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(artikel 2/A jo 10 Opiumwet jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

6.

Voorbereiding zaak Hammonia

hij

in of omstreeks de periode 01 januari 2015 tot en met 22 februari 2015 te Rotterdam en/of ‘s-Gravenzande, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

  • -

    zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of

inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit;

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) tezamen en

in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk (telkens)

  • -

    één of meer telefoongesprek(ken) in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of één of meer smsbericht(en) en/of pingbericht(en) verstuurd en/of ontvangen met betrekking tot het importeren en/of het vervoeren van een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of de vracht(en) waarin die cocaïne was verborgen en/of

  • -

    een of meer ontmoeting(en) en/of bespreking(en) gehad met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) en/of

  • -

    een of meer (met het beveiligingsprogramma PGP beveiligde) telefoons voorhanden gehad en/of communicatie gevoerd middels die PGP telefoons met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) met betrekking tot invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

  • -

    van zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) geld ontvangen om te zorgen dat (een) container(s) niet gecontroleerd wordt met betrekking tot de invoer van die cocaïne;

(art 10 a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet jo art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

7.

Zaak Munkebo

hij

op of omstreeks 5 mei 2015 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) (ongeveer) 2805,05 kilogram hennep, althans een (grote) hoeveelheid, als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet juncto artikel 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

(artikel 3 jo 11 jo 11B Opiumwet)

8.

Zaak Munkebo Voorbereidingshandelingen

hij

in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 5 mei 2015, in elk geval in of

omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 17 april 2015 te Rotterdam en/of

's Gravenzande en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens en/of gelden, te weten:

- verpakkingsmateria(a)l(en), bestaande uit (onder meer) een of meer do(os)zen inhoudende 62, althans een aantal, (grote) bloempotten en/of een of meer do(os)zen, (deels) bestemd en/of te gebruiken voor het verpakken en/of vervoeren en/of afleveren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of van een hoeveelheid van 2800 kilogram, in elk geval een (aanzienlijke) hoeveelheid hennep, althans van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

en/of

- een of meer (met het beveiligingsprogramma PGP beveiligde) telefoon(s),

bestemd om communicatie te voeren met betrekking tot het binnen het

grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van een

hoeveelheid van 2800 kilogram, in elk geval een (aanzienlijke) hoeveelheid

hennep, althans van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II,

en/of

- een of meer briefje(s) of notitieblaadje(s) met daarop diverse teksten geschreven (waaronder de tekst "MSKU 7028279" en/of "MSKU 7028279 [naam] 4/5 munkebo Maersk'') duidende op dan wel verband houdende met het afleveren en/of

vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van 2800 kilogram, in elk geval een (aanzienlijke) hoeveelheid hennep, althans van een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

bestemd tot het plegen van een of meer feit (en) strafbaar gesteld in artikel 11, derde

en/of vijfde lid, van de Opiumwet, te weten:

het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid van 2800 kilogram, in elk geval een (aanzienlijke) hoeveelheid hennep, althans (een) grote hoeveelheid/hoeveelheden van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel3a van die wet,

heeft verstrekt en/of afgeleverd en/of vervoerd en/of voorhanden heeft gehad,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden(en) had(den)

om te vermoeden dat voormelde stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens en/of gelden

bestemd was/waren tot het plegen van voornoemd(e) feit(en);

9.

Zaak Corruptie

hij

op één of meer tijdstippen in de periode van 01 mei 2013 tot en met 31 december 2014 te Rotterdam en/of te 's-Gravenzande, althans in Nederland, als ambtenaar te weten in de functie van selecteur op de afdeling CCC-PA (pre-arrival) van de Douane Rotterdam,

(om) (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) en/of (een) dienst(en),

te weten

a. a) (een gift van) EUR 650.000 en/of

b) (een gift van) EUR 900.000 en/of

c) (de belofte van) EUR 3.000.000 en/of

d) (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een

percentage, van de waarde van (ongeveer) 300 kilo cocaïne in container TRLU1838232

althans een geldbedrag en/of

e) (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een

percentage, van de waarde van (ongeveer) 3000 kilo cocaïne in container CPSU45171570 althans een geldbedrag en/of

f) (de belofte van) betaling(en) van (een) (gro(o)t)) geldbedrag(en),

verleend en/of aangeboden en/of gedaan door [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of één of meer andere perso(o)n(en)

I. heeft aangenomen terwijl hij, verdachte,

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) en/of

dienst(en) hem werd(en) gedaan teneinde hem te bewegen om al dan niet in strijd met

zijn plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten (sub I) en/of

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of

belofte(n) en/of dienst(en) hem werd (en) gedaan tengevolge of naar aanleiding van

hetgeen door hem al dan niet in strijd met zijn plicht in zijn bediening is gedaan of

nagelaten (sub 2)

en/of

II. heeft gevraagd

(telkens) teneinde hem, verdachte, te bewegen om al dan niet in strijd met zijn plicht in

zijn bediening iets te doen of na te laten (sub 3) en/of

(telkens) tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, al dan niet in

strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan of nagelaten (sub 4)

te weten het (telkens)

voor/aan die [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer andere perso(o)n(en)

- inloggen in de douanesystemen Prisma en/of Douanemanifest om te bekijken wanneer de selectieopdracht voor een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen, waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer

TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, zichtbaar werd(en) en/of als selecteur in behandeling nemen van deze selectieopdracht(en) en/of

- opzoeken van informatie met betrekking tot (de controle en/of de markering van) (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen, waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570 en/of

- doorgeven of (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen, waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, al dan niet gecontroleerd zou gaan worden en/of

- zodanig markeren van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen, waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, dat deze container(s), zonder controle doorgezet wordt/worden en/of

- buiten de controle houden van (een) binnenkomende container (s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen, waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, en/of

- verkrijgen en/of hebben en/of behouden van sturende invloed op de manier van controleren van (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen, waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, en/of

- ongedaan maken van de markering(en) van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen, waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, waardoor die container(s) zonder controle werd(en) vrijgegeven en/of

- de systemen van de Douane Rotterdam raadplegen met een ander doel dan waarvoor deze bestemd zijn en/of (vervolgens) aan derde(n) inzicht geven in en informatie verstrekken over de werkwijze van de Douane Rotterdam met betrekking tot de controle van (een) container(s) terwijl dat inzicht en die informatie daarvoor niet zijn bedoeld;

(artikelen 362 en 363 Wetboek van Strafrecht)

en (wetgeving na 1 januari 2015. artikel 362 is vervallen)

hij

op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 17 april 2015 te

Rotterdam en/of te 's-Gravenzande, althans in Nederland, als ambtenaar te weten in de

functie van selecteur op de afdeling CCC-PA (pre-arrival) van de Douane Rotterdam,

(om) (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) en/of (een) dienst(en),

te weten

a. a) (een gift van) EUR 1.000.000 (zoals op 17 april 2015 contant in de woning van

verdachte aan de [adres] te 's-Gravenzande aangetroffen) en/of

b) (een gift van) EUR 29.987,70 (zoals op 27 februari 2015 en 9 maart 2015 door [naam bedrijf 5] is overgemaakt aan [naam verdachte] BV) en/of

c) (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een

percentage, van de waarde van (ongeveer) 400 kilo cocaïne in container ECMU921971

althans een geldbedrag en/of

d) (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een

percentage, van de waarde van (ongeveer) 220 kilo cocaïne in (een) container(s)

afkomstig uit Panama vervoerd op het schip Hammonia Antofagasta althans een

geldbedrag en/of

e) (de belofte van) betaling van 7,5%, althans een percentage, van de waarde van

(ongeveer) 2800 kilo hennep in container MSKU7028279 en/of

t) (de belofte van) betaling(en) van (een) (gro(o)t(e)) geldbedrag(en),

verleend en/of aangeboden en/of gedaan door [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 8] en/of één of meer andere perso(o)n(en)

I. heeft aangenomen terwijl hij, verdachte,

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of belofte(n) en/of

dienst(en) hem werd(en) gedaan teneinde hem te bewegen in zijn bediening iets te

doen of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of

belofte(n) en/of dienst(en) hem werd(en) gedaan tengevolge of naar aanleiding van

hetgeen door hem in zijn bediening is gedaan of nagelaten (sub 2)

en/of

II. heeft gevraagd

(telkens) teneinde hem, verdachte, te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te

laten (sub 3) en/of

(telkens) tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, verdachte, in zijn

bediening is gedaan of nagelaten (sub 4)

te weten het (telkens)

voor/aan die [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meer andere perso(o)n(en)

- inloggen in de douanesystemen Prisma en/of Douanemanifest om te bekijken

wanneer de selectieopdracht voor een container(s) met daarin cocaïne en/of

hennep en/of verdovende middelen, waaronder in ieder geval de container(s)

met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip

Hammonia Antofagasta en/of container(s) met het nummer MSKU7028279,

zichtbaar werd(en) en/of als selecteur in behandeling nemen van deze

selectieopdracht(en) en/of

- opzoeken van informatie met betrekking tot (de controle en/of de markering

van) (een) container(s) met daarin cocaïne en/of hennep en/of verdovende

middelen, waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer

ECMU9219717 en/of container(s) op het risico schip Hammonia Antofagasta

en/of container(s) met het nummer MSKU7028279 en/of

- doorgeven of (een) container(s), waaronder in ieder geval de container(s) met

het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risico schip Hammonia

Antofagasta en/of container(s) met het nummer MSKU7028279, al dan niet

gecontroleerd zou gaan worden en/of

- zodanig markeren van een container(s), waaronder in ieder geval de container(s)

met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip

Hammonia Antofagasta en/of container(s) met het nummer MSKU7028279, dat

deze container(s), zonder controle doorgezet wordt/worden en/of

- buiten de controle houden van (een) binnenkomende container(s), waaronder in

ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s)

op het risico schip Hammonia Antofagasta en/of container(s) met het nummer

MSKU7028279, en/of

- verkrijgen en/of hebben en/of behouden van sturende invloed op de manier van

controleren van (een) container(s), waaronder in ieder geval de container(s) met

het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia

Antofagasta en/of container(s) met het nummer MSKU7028279, en/of

- ongedaan maken van de markering(en) van een container(s), waaronder in ieder

geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het

risicoschip Hammonia Antofagasta en/of container(s) met het nummer

MSKU7028279, waardoor die container(s), zonder controle werd(en) vrijgegeven

en/of

- de systemen van de Douane Rotterdam raadplegen met een ander doel dan

waarvoor deze bestemd zijn en/of (vervolgens) aan derde(n) inzicht geven in en

informatie verstrekken over de werkwijze van de Douane Rotterdam met

betrekking tot de controle van (een) container(s) terwijl dat inzicht en die

informatie daarvoor niet zijn bedoeld;

(artikel 363 Wetboek van Strafrecht)

10.

Zaak Beretta

hij

op of omstreeks 17 april 2015 te ’s-Gravenzande, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder b en Bijlage I van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is,

namelijk een met merk, model en soort aangeduid voorwerp als op lijst a van bijlage I van de Regeling wapens en munitie, namelijk een gasdrukpistool, 4.5 mm, merk Pietro Beretta, model 92FS, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 13 jo 55 Wet wapens en munitie jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht).

11.

Witwassen

hij

op diverse tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 09 juni 2015 te Rotterdam en/of ‘s- Gravenzande en/of Schiedam, althans (elders) in Nederland, en/of Curaçao

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,

immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), een goed, te weten een of meerdere grote geldbedrag(en) en/of een motorboot

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet,

althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een goed, te weten een of meerdere grote geldbedrag(en) en/of een motorboot, was of wie voornoemd geldbedrag, althans enig geldbedrag en/of een motorboot, voorhanden had,

te weten:

  • -

    in of omstreeks de periode van 01 mei 2014 tot en met 9 juni 2015 een motorboot ( type Boston Whaler voorzien van de naam RAW) (ZD witwassen RAW) en/of

  • -

    op of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 17 april 2015, een geldbedrag van EUR 87.500 althans enig(e) geldbedrag(en) (ZD Witwassen Hoflaan) en/of

  • -

    op of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 01 maart 2015, een geldbedrag van EUR 57.140,- althans enig(e)geldbedrag(en) (ZD witwassen [getuige 2]) en/of

  • -

    op of omstreeks de periode van 18 februari 2015 tot en met 18 maart 2015, een geldbedrag van EUR 33.950,- althans enig(e)geldbedrag(en) (ZD witwassen [getuige 1]) en/of

  • -

    op of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 01 maart 2015, een geldbedrag van EUR 11.600,- althans enig(e)geldbedrag(en) (ZD witwassen [getuige 3]) en/of

  • -

    op of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 01 maart 2015, een geldbedrag van EUR 105.000,- althans enig(e)geldbedrag(en) (ZD witwassen [getuige 4]) en/of

  • -

    op of omstreeks 17 april 2015 een geldbedrag van EUR 1.171.395,- althans enig(e)geldbedrag(en);

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemde geldbedrag(en), althans enig geldbedrag en/of voernoemde motorboot,- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

(artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht)