Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:5123

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
04-07-2017
Zaaknummer
ROT 10/750083-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onderzoek Doussie. Omkoping douaneambtenaar en invoer cocaïne in Rotterdamse haven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-1722
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750083-14

Parketnummers vorderingen TUL VV: 10/993113-07 en 10/996556-08

Datum uitspraak: 4 juli 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte],

thans gedetineerd,

raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 14 januari 2016, 8 september 2016,

7, 10, 11, 14, 17, 18, 21, 22, 24 en 29 november 2016, 2, 5, 14 en 20 december 2016,

9 januari 2017, 14 en 20 februari 2017, 11 en 12 mei 2017 en 20 juni 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 21 november 2016 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. M. van Solingen en E. Ahbata, hierna te noemen de officier van justitie, hebben gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel (6 maanden gevangenisstraf) onder parketnummer 10/993113-07;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel (6 maanden gevangenisstraf) onder parketnummer 10/996556-08.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

Aangevoerd is dat het openbaar ministerie haar recht heeft verspeeld om de verdachte te mogen vervolgen en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De verdediging heeft daarbij een aantal gronden aangevoerd die betrekking hebben op de volgende onderwerpen.

a. Het kunstmatig opknippen van de moordonderzoeken en drugsonderzoeken;

b. [medeverdachte 1] criminele burgerinformant/infiltrant;

c. De start van het onderzoek en dossier Touw;

d. Détournement de pouvoir en niet voldoen aan proportionaliteitsvereiste;

e. De rol van het openbaar ministerie bij ‘afpersing’ door ‘Paul’.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

sub a. Het kunstmatig opknippen van de moordonderzoeken en drugsonderzoeken.

De verdediging heeft aangevoerd dat door het kunstmatig opknippen van de moordonderzoeken en de drugsonderzoeken de transparantie ontbreekt. In werkelijkheid is sprake van één groot onderzoek. De verdediging meent dat de voornaamste reden voor het knippen in de dossiers is gelegen in het creëren van de mogelijkheid om de (mede)verdachten, waaronder [medeverdachte 1], te kunnen inzetten als informant.

Beoordeling

De verdediging heeft dit verweer tijdens het proces op meerdere momenten gevoerd ter onderbouwing van het verzoek alle dossiers (onder meer Focus, Fichte, Diepvries, Dokkum en Stekelbaars) aan de verdediging en de rechtbank te doen verstrekken.

De rechtbank heeft hierop telkens beslist en de verzoeken afgewezen. De rechtbank ziet ook thans geen aanleiding daar anders over te denken of consequenties aan te verbinden.

Uitgangspunt is en blijft dat het openbaar ministerie verantwoordelijk is voor de samenstelling van het dossier. Als er raakvlakken zijn in verschillende lopende onderzoeken betekent dit niet dat al die zaken bij elkaar gevoegd zouden moeten worden.

In onderzoek Doussie is gebleken dat daar waar de onderzoeken elkaar raakten, stukken uit de andere onderzoeken zijn gevoegd en ter beschikking van de rechtbank en de verdediging zijn gesteld. Dat dit soms een herbeoordeling van de officier van justitie vergde, dan wel

- bijvoorbeeld op grond van voortschrijdend inzicht - stukken op een later moment alsnog werden toegevoegd, mag worden beschouwd als inherent aan dit proces. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat enige vertraging bij het overleggen van processen-verbaal (bijvoorbeeld betreffende de getuige [getuige 1]) een bewuste keuze was van het openbaar ministerie om de verdediging op achterstand te zetten. Niet is gebleken dat de verdachte door deze gang van zaken in zijn verdediging is geschaad.

Sub b. [medeverdachte 1] criminele burgerinformant/infiltrant.

De verdediging is van oordeel dat de medeverdachte [medeverdachte 1] als criminele burgerinfiltrant is ingezet zonder dat het openbaar ministerie daartoe gerechtigd was en zonder dat dit in het dossier is verantwoord.

Voor de inzet van [medeverdachte 1] als criminele infiltrant zijn volgens de verdediging aanwijzingen. Tegen [medeverdachte 1] zijn, anders dan na de poging liquidatie op [verdachte], na zijn aanhouding geen BOB middelen ingezet, vermoedelijk in verband met zijn rol als burgerinfiltrant. Hij heeft aldus een voorkeursbehandeling gekregen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) hem uiteindelijk heeft gevraagd om in Libanon informatie over [medeverdachte 4] in te gaan winnen. [medeverdachte 1] heeft dit verzoek ingewilligd en heeft informatie over transporten van [medeverdachte 4] verstrekt aan TCI. Naar het oordeel van de verdediging blijkt uit deze omstandigheden dat [medeverdachte 1] voldoet aan alle criteria die worden gesteld om van een criminele burgerinfiltrant te kunnen spreken.

Het openbaar ministerie was evenwel niet gerechtigd tot de inzet van [medeverdachte 1] als informant/infiltrant in de zaak Hulst (300 kilo) nu hij ook verdachte in die zaak was (is). In september 2013 was [medeverdachte 1] aangehouden voor witwassen. Op dat moment was al TCI-informatie aanwezig waaruit bleek dat hij in de drugs zou zitten. [medeverdachte 1] is op 31 maart 2015 (de rechtbank begrijpt: 30 maart 2017) neergeschoten en is vervolgens aangehouden en in verzekering gesteld op grond van overtreding van de Opiumwet, gepleegd in de periode van 1 december 2013 tot het moment van inverzekeringstelling. Ook uit de verhoren van [medeverdachte 1] eind maart 2015 en begin april 2015 en het bevel inverzekeringstelling blijkt dat er op dat moment al een verdenking was naar [medeverdachte 1] in de 300 kilo zaak.

Het openbaar ministerie weigert voorts gegevens te verstrekken en verslagen van de contacten die er geweest zijn door TCI met [medeverdachte 1]. Het openbaar ministerie is kennelijk onwillig om openheid van zaken te geven. De verdediging meent dat de houding van het openbaar ministerie in de situatie rondom [medeverdachte 1] consequenties dient te hebben voor de ontvankelijkheid en verwijst naar een recente uitspraak van het Gerechtshof

‘s-Hertogenbosch van 29 januari 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:242), welke zaak grote gelijkenis vertoont met de onderhavige zaak.

De rechten van de verdediging zijn op een flagrante en niet te herstellen wijze geschonden, door de inzet van de medeverdachte [medeverdachte 1] als burgerinfiltrant. Dit heeft een effect gehad op de eerlijkheid van de berechting. Er is sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de rechten van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Door deze inzet heeft de verdachte persoonlijk nadeel ondervonden. Uit de zogenaamde ‘fluistergesprekken’ op 9 en 12 april 2015 blijkt dat [medeverdachte 1] ook belastende informatie over de verdachte heeft verstrekt. Doordat het openbaar ministerie deze inzet niet in processen-verbaal heeft vastgelegd, heeft de verdachte de bewijsvergaring niet kunnen toetsen. Dit levert een schending van artikel 6 EVRM op.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat er contacten zijn geweest tussen TCI en [medeverdachte 1]. Gelet op de toelichting van de TCI-officier van justitie bij proces-verbaal van 10 november 2016, en diens verklaring als getuige ter terechtzitting op 14 november 2016, alsmede de verklaringen van de TCI-chef [naam] bij de rechter-commissaris op 25 augustus 2016 en de verklaring van de operationeel expert bij TCI ter terechtzitting op 14 november 2016, was het benaderen van [medeverdachte 1] gericht op het achterhalen van de achtergronden van een poging liquidatie op 30 maart 2015 waarvan [medeverdachte 1] slachtoffer was. Doel van zulke oriënterende gesprekken is om te achterhalen welke informatie iemand heeft, waarna gekeken kan worden of deze persoon geschikt zou zijn voor enig traject. Benadrukt is dat TCI dergelijke oriënterende gesprekken niet alleen voert met het oog op een mogelijk informanten traject. TCI benadert ook personen die mogelijk als bijzondere getuige zouden kunnen gaan fungeren.

[medeverdachte 1] is op eigen initiatief naar Libanon gegaan, er is in die periode meermalen contact met hem geweest, maar hij heeft geen opdracht gekregen om informatie in te winnen. De door [medeverdachte 1] uit eigen beweging verstrekte informatie is met niemand anders gedeeld dan met TCI-medewerkers. Nu de gesprekken oriënterend waren en niet met medewerkers buiten de TCI zijn gedeeld, is de vraag naar de status van [medeverdachte 1] niet van belang. Temeer niet nu hij benaderd werd met het doel informatie te verkrijgen over de achtergronden van de poging liquidatie op hemzelf.

Ten overvloede heeft de officier van justitie uiteengezet dat [medeverdachte 1] pas door belastende verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] op 19 en 23 april 2015 duidelijk als verdachte naar voren kwam. Na een reeks aanhoudingen in juni 2015, is na de zomer van 2015 de balans opgemaakt en is besloten dat er voldoende was om [medeverdachte 1] aan te houden. Van een verdenking tegen [medeverdachte 1] in een van de zaken waarin hij als verdachte is aangemerkt (300 kilo, 3000 kilo, corruptie) was ten tijde van de benadering van [medeverdachte 1] door de TCI begin april 2015 nog geen sprake. TCI heeft dan ook gehandeld binnen de gestelde kaders.

Ten aanzien van [verdachte] en [medeverdachte 2] geldt eveneens dat er redenen waren om hen te benaderen en te bezien of bij deze personen informatie zou kunnen worden ingewonnen over de moord op [naam slachtoffer] of bijvoorbeeld eventuele andere corrupte douaniers, zonder dat het hun eigen verdenkingen zou raken.

Beoordeling

De rechtbank begrijpt het standpunt van de verdediging aldus, dat [medeverdachte 1] niet is aangemerkt als (criminele) informant dan wel infiltrant maar feitelijk wel als zodanig heeft gefungeerd zonder dat het openbaar ministerie (TCI) daarover rekenschap heeft afgelegd.

De rechtbank stelt voorop dat het informatie inwinnen door medewerkers van politie/justitie in het algemeen geacht kan worden te behoren tot hun taak in het kader van de opsporing op grond van artikel 3 Politiewet. Het zoeken en onderhouden van contact met personen (burgers) die inlichtingen zouden kunnen verschaffen kan, evenals het onderzoeken over welke informatie een persoon kan beschikken dan wel voor welk soort informatie traject deze in aanmerking zou kunnen komen, zoals door TCI gebeurt, worden beschouwd als onderdeel van een verkennende (voor)fase in het strafrechtelijk (opsporings)onderzoek. Deze ‘vrije’ verkenning vindt een grens in de uitdrukkelijk geregelde bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie door een (burger) persoon die geen opsporingsambtenaar is als bedoeld in artikel 126v Sv, dan wel het infiltreren door een burger in een crimineel samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 126w Sv. Het stelselmatig informatie inwinnen is aan de orde als het vooraf de bedoeling is een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven te krijgen. Het optreden als infiltrant wordt omschreven als het deelnemen aan of medewerking verlenen aan een groep van personen waarbinnen - naar redelijkerwijs kan worden vermoed - misdrijven worden beraamd of gepleegd. Voor beide bevoegdheden is een bevel van de officier van justitie vereist. Voorts is het niet toegestaan om een verdachte van een strafbaar feit, in een hem betreffende onderzoek als informant in te zetten.

De officier van justitie laat zich in beginsel nimmer uit over iemands informantenstatus. Wat daarvan in dit geval zij, de rechtbank stelt vast dat van een opdracht door politie en/of justitie waarbij door [medeverdachte 1] stelselmatig informatie is ingewonnen over de verdachte niet is gebleken. Dit is ook niet door de verdediging gesteld. Van een ongeoorloofde inbreuk op verdachtes privéleven door het handelen van [medeverdachte 1] is al helemaal geen sprake geweest.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat, beoordeeld vanuit het belang dan wel het recht van de verdachte op bescherming van zijn privésfeer, geen sprake is geweest van ongeoorloofde (met het beschreven wettelijk stelsel strijdige) informatievergaring door justitiemedewerkers in het geval van [medeverdachte 1].

Bovendien is niet aannemelijk geworden dat het handelen van [medeverdachte 1] op enige wijze de bewijsgaring ten opzichte van de verdachte of de medeverdachten heeft gediend. Waar de verdediging heeft gewezen op informatie ten aanzien van de [medeverdachten 4 en 5] die [medeverdachte 1] zou hebben verstrekt in het kader van de verdenking van de invoer van 400 kilo cocaïne vanuit Brazilië met de Marfret Marajo, is dat door de officier van justitie gemotiveerd tegengesproken met verwijzing naar eerdere contacten met en informatie van de Braziliaanse autoriteiten over dat transport. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen en de rechtbank acht het standpunt van de officier van justitie niet weerlegd dat informatie van [medeverdachte 1] niet is gedeeld buiten TCI.

Voor de zogenoemde ‘fluisterverklaringen’ van [medeverdachte 1] tegenover de politie op 9 en 12 april 2015 is dit anders. De informatie daarin kan – afhankelijk van de interpretatie ervan - als ‘belastend’ worden beschouwd voor de daarin genoemde personen. Waar [medeverdachte 1] in de zogenoemde ‘fluisterverklaringen’ verklaart over anderen, waaronder de verdachte, gebeurde dit evenwel tegenover tactische rechercheurs, die deze verklaringen later hebben geverbaliseerd. Deze zijn aan het dossier toegevoegd en zijn derhalve kenbaar voor de verdediging, terwijl voorts duidelijk is uit welke bron de informatie afkomstig is. Van enige schending van een belang van de verdachte in zijn verdediging, dan wel in persoonlijk opzicht, is geen sprake.

Los van het voorgaande heeft de rechtbank nog het volgende bezien. Hebben justitiemedewerkers (TCI) mogelijk de integriteit van het strafproces geweld aangedaan door – in strijd met het daartoe geldende verbod - met [medeverdachte 1] contact te zoeken, terwijl (ondanks dat) deze als verdachte moest worden aangemerkt?

De rechtbank overweegt dat het openbaar ministerie onder overlegging van een tijdlijn, onderbouwd heeft betoogd dat in ieder geval tot aan de belastende verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] op 19 en 23 april 2015 geen sprake was van een specifieke verdenking ten aanzien van de later tenlastegelegde feiten betreffende de 300 kilo (Hulst) en de 3000 kilo (Auckland). Ten tijde van de inverzekeringstelling van [medeverdachte 1] op 31 maart 2015 was eerst nog sprake van een algemene verdenking met betrekking tot de handel in en het bezit van harddrugs en softdrugs. Eerst na de zomer van 2015 is [medeverdachte 1], na het opmaken van de balans in een aantal zaken, als verdachte in de zaak Hulst aangemerkt.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de weergave door de officier van justitie van de ontwikkeling in de verdenking van [medeverdachte 1] ter zake van Hulst niet als adequaat of niet als volledig te beschouwen. De stelling van de verdediging dat [medeverdachte 1] al op een veel eerder moment met de 300 kilo in verband is, dan wel had kunnen worden gebracht, is onvoldoende onderbouwd met de verwijzing naar TCI informatie over betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij drugs in het algemeen vanuit of via de Rotterdamse haven in 2013 en evenmin met het eenvoudigweg poneren dat [medeverdachte 1] in dat jaar bij het openbaar ministerie ‘op de radar was’.

In het verhoor van [medeverdachte 1] op 2 april 2015 naar aanleiding van de schietpartij op de Stompaardsedijk (onderzoek Stompaard) is de ontdekking van de 300 kilo besproken.

De uitleg van de officier van justitie dat dit verhoor gericht was op het oplossen van de poging liquidatie op [medeverdachte 1] zelf, mede tegen de achtergrond van de liquidatie van [naam slachtoffer], de geruchten over een verband met de zaak Hulst en het bestaan van een dodenlijst, acht de rechtbank – dat verhoor lezende – te volgen.

[medeverdachte 1] was formeel nog geen verdachte in de zaak Hulst toen hij werd benaderd begin april 2015. Uit de stukken en verklaringen van de gehoorde getuigen (TCI en tactisch) rijst een beeld op waarin justitie op zijn best vermoedens had, maar geen exact beeld over zijn betrokkenheid bij dat transport. Nog daargelaten dat dit exacte beeld er op grond van het voorliggende dossier ook thans niet is ([medeverdachte 1] is bij uitspraak van heden vrijgesproken van deelname aan de organisatie van genoemd transport), is het tegen de achtergrond van de genoemde liquidatie en daarmee gemoeide opsporingsbelangen begrijpelijk dat justitie op zoek ging naar informatie en daarbij [medeverdachte 1] als kersvers slachtoffer van een schietincident benaderde. De medewerkers van TCI hebben in hun verklaringen voldoende inzicht geboden in de daarbij verrichte belangenafweging en de zorgvuldigheid waarmee is nagedacht over het benaderen van [medeverdachte 1]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zij met het benaderen van, en langere tijd (ook in Libanon) contact houden met [medeverdachte 1] een uiterste inspanning binnen de grenzen van hun bevoegdheid in de genoemde verkennende fase hebben geleverd, maar – gezien de beschreven belangen – deze niet hebben overschreden.

Dit brengt mee dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor de conclusie dat [medeverdachte 1] zonder dat daarvoor een bevel was gegeven feitelijk als informant is ingezet in een zaak waarin hijzelf verdachte is/was. Dit betekent tevens dat de stelling dat justitie hierover geen verantwoording heeft afgelegd, niet kan slagen.

Voor het benaderen van de verdachte zelf, zonder dat het zijn eigen verdenkingen zou raken, heeft de officier van justitie met verwijzing naar de mogelijkheid om informatie over de moord op [naam slachtoffer] of bijvoorbeeld eventuele andere corrupte douaniers in te winnen, een genoegzame reden aangegeven.

Conclusie benaderen [medeverdachte 1]

Op grond van het vorenstaande ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat sprake is geweest van schending van verdedigingsrechten of de privésfeer van de verdachte, dan wel van de integriteit van het onderzoek. Voor niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie op deze grond is dan ook geen aanleiding.

Sub c. Start van het onderzoek en dossier Touw

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie doelbewust het Belgische onderzoek Touw heeft achtergehouden om te verhullen dat de start van onderzoek Hulst niet, zoals geverbaliseerd, een toevallige vondst betrof maar een gerichte controle op basis van vooraf verkregen informatie. Door het achterhouden van de stukken en het tijdsverloop is het voor de verdediging in de onderhavige zaak nagenoeg onmogelijk geworden de gang van zaken omtrent het aantreffen van de 300 kg cocaïne (Hulst) op te helderen, terwijl er sterke aanwijzingen zijn dat er sprake was van een weggetipte partij. De verdediging wijst in dit verband onder meer op de contacten tussen de Nederlandse en de Belgische autoriteiten inzake onderzoek Touw en het Spaanstalige stuk van 21 november 2013 alsmede de omstandigheid dat de ontvanger van de betrokken container, het bedrijf [bedrijf 1] via [naam 1] al in 2013 bij de politie had moeten opvallen.

Beoordeling

Dit standpunt is eerder door de verdediging naar voren gebracht en zij heeft daaraan onderzoekswensen gekoppeld. Een deel daarvan is door de rechtbank bij beslissing van

20 december 2016 toegewezen en dit heeft er toe geleid dat nader onderzoek is gedaan naar de omstandigheden rond de controle en het aantreffen in een container van 300 kg cocaïne op 9 december 2013. Dit onderzoek is gedaan in het Belgische dossier Touw, bij de Nederlandse douane en het HARC-team.

Bevindingen Belgisch dossier Touw.

Ter zitting van 14 december 2016 heeft de officier van justitie een email overgelegd van de Belgische federaal magistraat mr. Cappelle, betrokken bij onderzoek Touw. Hierin stelt zij dat de inbeslagname van de 300 kg op 9 december 2013 niet is gebeurd op basis van Belgische informatie of Belgische onderzoeksmaatregelen.

Voorts heeft de rechtbank een proces-verbaal van bevindingen ontvangen van de Rotterdamse recherche met daarbij het gedeelte van het dossier Touw dat mogelijk betrekking heeft op de onderzoeken Doussie/Hulst. Uit dit proces-verbaal volgt dat het onderzoek Touw zag op meerdere cocaïnetransporten in de periode 1 maart 2012 tot en met 13 december 2013. Een groot deel van het onderzoek zag op een transport van 110 kg op de Bahia Laura, welk schip op 6 november 2013 de haven van Rotterdam binnen kwam. Vanaf oktober 2013 kwam het bedrijf [bedrijf 2] naar voren.

Er is middels een rechtshulpverzoek verzocht om IP-taps op emailadressen van [bedrijf 2], deze hebben geen resultaat opgeleverd. In het dossier Touw is geen informatie aangetroffen die betrekking heeft op de verdachten in het onderzoek Doussie. Er zijn ook geen gesprekken, berichten of bevindingen aangetroffen in relatie tot de onderzoeken Doussie of Hulst. Contacten tussen de Nederlandse verdachten in deze onderzoeken en de Belgische verdachten in onderzoek Touw zijn niet vastgesteld, de namen van de Nederlandse verdachten komen er niet in voor.

Voorts kan op basis van dit dossier worden vastgesteld dat het de Nederlandse autoriteiten zijn geweest, die de Belgische autoriteiten op de hoogte hebben gesteld van de vondst van 300 kg cocaïne op de MSC Geneva op 9 december 2013. In een rechtshulpverzoek van de Belgische autoriteiten van 9 december 2013 wordt vervolgens om aanvullende informatie gevraagd naar aanleiding van deze vondst. Tot slot blijkt dat diverse door de Belgische autoriteiten gedane rechtshulpverzoeken niet zijn uitgevoerd, zoals het verzoek van

10 december 2013 een doorzoeking te verrichten bij [bedrijf 2].

Bevindingen Nederlands controletraject.

In dossier Hulst is gerelateerd over de vondst op 9 december 2013 van 300 kg cocaïne tussen een partij ananassen in container TRLU-183823-2 op het schip MSC Geneva afkomstig uit Costa Rica.

De partij is gevonden nadat bij de scan een onregelmatigheid is geconstateerd. De container is daarna geopend en uitgepakt. Vervolgens is besloten dat het een zogenaamde ‘veegactie’ wordt, inhoudende dat de cocaïne wordt vernietigd en verder geen nader onderzoek plaatsvindt. Van deze vondst is aanvankelijk een dossier opgemaakt onder de zaaksnaam ‘Fokkemaat’.

Naar aanleiding van de vragen van de verdediging is nader onderzoek gedaan naar de vraag op grond waarvan is besloten tot het scannen van deze container. Er is onderzoek gedaan in de douanesystemen, de betrokken douaneambtenaren zijn gehoord en er is een aanvullend proces-verbaal opgemaakt door het HARC-team.

Uit het onderzoek in het douanesysteem Prisma is gebleken dat de container op

23 november 2013 door de geautomatiseerde risicoanalyse op ‘oranje’ is gezet (op grond van het land van herkomst). Vervolgens is de container op 30 november 2013 door selecteur [naam 2] ‘rood’ afgehandeld. Hij heeft de container geselecteerd voor een scancontrole, welke op 9 december 2013 heeft plaatsgevonden. Daarover als getuige gehoord, heeft selecteur [naam 2] (op 31 januari 2017) verklaard dat hij zich deze specifieke container niet meer kan herinneren en ook niet of hij voor deze container specifieke informatie heeft ontvangen, maar dat dat hem onwaarschijnlijk lijkt. Als dat namelijk het geval was geweest had hij de container niet voor de scan geselecteerd, maar zou hij een zwaarder controlemiddel hebben ingezet.

Tot slot is in het proces-verbaal dat op 28 december 2016 door het zogeheten HARC-team is opgemaakt, gerelateerd dat de container niet door medewerkers van het HARC-team voor controle is geselecteerd, maar op basis van risicoprofilering door de afdeling pre-arrival van de douane en dat er geen tip of andere vorm van externe informatie is geweest die heeft geleid tot de controle van de container.

Conclusie startinformatie.

Uit de hiervoor weergegeven nadere onderzoeken in het Belgische dossier en het Nederlandse controletraject is naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele manier naar voren gekomen dat de Nederlandse autoriteiten voorafgaand aan de vondst van de 300 kg cocaïne op 9 december 2013 voorinformatie hadden over deze partij. De stelling van de verdediging - wat daar verder van zij - dat het ontvangend bedrijf [bedrijf 1] de politie al eerder had moeten opvallen maakt dit niet anders.

Ten aanzien van het Belgische onderzoek Touw is er geen enkel stuk waaruit kan worden afgeleid dat de Nederlandse opsporingsdiensten van de Belgische autoriteiten informatie hebben ontvangen voorafgaand aan de vondst van de 300 kg cocaïne over specifiek deze container, noch dat zij naar aanleiding van dit onderzoek zelf voorinformatie hebben verkregen over deze container. Zulks zou naar voren moeten zijn gekomen bij het aanvullend onderzoek dat is verricht zowel aan Belgische zijde als aan Nederlandse zijde, hetgeen niet het geval is. Het feit dat besloten is de vondst te melden aan de Belgische autoriteiten, duidt hier evenmin op. Integendeel, als voorinformatie was gegeven, was dit in deze vorm niet nodig geweest.

Ook uit het overgelegde Spaanstalige stuk van 21 november 2013 en de nadien daarvan ontvangen vertalingen, kan niet worden afgeleid dat de Nederlandse opsporingsdiensten vooraf informatie hebben ontvangen over deze container met 300 kg cocaïne. De omstandigheid dat in dat stuk namen worden genoemd van verdachten die door de Belgische rechter onherroepelijk zijn veroordeeld voor invoer van cocaïne in de Rotterdamse haven, maakt dit niet anders. Zoals de rechtbank eerder bij beslissingen van

11 mei en 20 juni 2017 heeft overwogen, blijkt uit bovengenoemd stuk dat informatie wordt gegeven over transporten van voor 21 november 2013. Los daarvan staat in dit stuk geen concrete informatie over deze specifieke container en kan uit dit stuk op geen enkele wijze worden afgeleid dat enige informatie met de Nederlandse autoriteiten is gedeeld.

De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor de stelling dat het aantreffen van de 300 kg cocaïne in container TRLU-183823-2 op het schip MSC Geneva op 9 december 2013 ten onrechte is geverbaliseerd als een min of meer toevallige vondst, terwijl in werkelijkheid sprake was van voorinformatie.

Achterhouden dossier Touw.

De verdediging heeft voorts betoogd dat de officier van justitie ten onrechte het Belgische dossier Touw niet uit eigen beweging aan het dossier heeft toegevoegd.

De officier van justitie heeft ter zitting van 14 december 2016 aangegeven dat in contact tussen de Belgische en Nederlandse politie voor het eerst op 1 augustus 2015 inzage is geweest in het onderzoek Touw. Na de inzage is zowel door de Nederlandse als door de Belgische politie de conclusie getrokken dat, anders dan dat het crimineel samenwerkingsverband in het onderzoek Touw ook gebruik maakte van het bedrijf [bedrijf 2], verder geen relevante informatie aanwezig was in dit onderzoek voor onderzoek Hulst en/of Doussie.

Gezien de resultaten van het nadien uitgevoerde nadere onderzoek in het dossier Touw zoals hiervoor beschreven, acht de rechtbank deze conclusie niet onbegrijpelijk. Voor de stelling dat het onthouden van het dossier werd ingegeven door de wens zaken te verhullen, wordt, mede gelet op hetgeen hierover is overwogen, geen enkel aanknopingspunt gezien.

S ub d. Détournement de pouvoir en niet voldoen aan proportionaliteitsvereiste

De verdediging heeft aangevoerd dat, in de periode dat het onderzoek Doussie heeft gelopen, onder leiding van dezelfde officier van justitie het onderzoek Diepvries liep.

In het onderzoek Doussie waren vanaf eind mei 2014 diverse opsporingsmiddelen ingezet, zoals stelselmatige observatie, telefoontaps, het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) in de auto en zijn tevens twee politie informanten ingezet. De verdediging vermoedt dat het onderzoek Diepvries is gebruikt om daarnaast ook nog eens een machtiging te verkrijgen om OVC-apparatuur in de woning van de verdachte te plaatsen met als doel belastend materiaal tegen hem te verzamelen in het onderzoek Doussie. Daarmee heeft de officier van justitie bevoegdheden uit het ene onderzoek misbruikt ten gunste van het andere onderzoek, kennelijk omdat zij vreesde dat de rechter commissaris geen machtiging zou verlenen om in Doussie ook nog eens vertrouwelijke communicatie in de woning op te nemen.

Een maand later, nadat de officier van justitie bekend was met de inhoud van de in het onderzoek Diepvries opgenomen gesprekken, is een machtiging gevraagd en verkregen om ook in het onderzoek Doussie vertrouwelijke communicatie in de woning van de verdachte te kunnen opnemen. De verdediging meent dat, gelet op het enorme arsenaal aan

opsporingsmiddelen dat al was ingezet, de rechter commissaris deze toestemming niet had mogen geven, omdat daarmee de grenzen van de proportionaliteit zijn overschreden.

De verdediging bepleit ook op deze grond de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en subsidiair dat de in de woning opgenomen gesprekken worden uitgesloten van het bewijs.

Beoordeling

Zoals blijkt uit de door de officier van justitie ter zitting overgelegde kopie van de aanvraag bevel opnemen vertrouwelijke communicatie in het onderzoek Doussie van 29 oktober 2014, is voor het verkrijgen van de machtiging daartoe van de rechter-commissaris, geen informatie gebruikt die was verkregen uit het onderzoek Diepvries. De rechter-commissaris heeft de betreffende machtiging afgegeven op basis van de onderbouwing die bij voormelde aanvraag is gegeven. De suggestie van de raadsman dat de officier van justitie misbruik zou hebben gemaakt van haar bevoegdheden in het ene onderzoek, om in een ander onderzoek iets voor elkaar te krijgen blijkt op geen enkele wijze uit het dossier en dit verweer faalt derhalve.

Een andere vraag is of de rechter-commissaris bezien tegen het licht van alle bijzondere opsporingsbevoegdheden die reeds tegen de verdachte waren ingezet, met het geven van de machtiging om vertrouwelijke communicatie in de woning van de verdachte op te kunnen nemen, de grenzen van de proportionaliteit heeft overschreden.

Aan de zittingsrechter staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid door de rechter-commissaris ter beoordeling, echter bij de beantwoording van deze vraag dient de rechtbank zich te beperken tot de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen.

Feit is dat tegen de verdachte gebruik is gemaakt van een heel scala aan bijzondere opsporingsbevoegdheden, dat deze voor langere tijd zijn ingezet en dat hiermee een forse inbreuk is gemaakt op de privacy van de verdachte en het gezin waarvan hij deel uitmaakt.

Daar staat tegenover dat het in deze niet om een regulier drugsonderzoek ging, maar dat het een omvangrijk onderzoek betrof, waarin het niet alleen ging om de verdenking van de grootschalige invoer van harddrugs, maar dat er daarnaast sterke aanwijzingen waren dat bij deze strafbare feiten een medewerker van de douane betrokken was. Bovendien leken er rond een onderschept transport van 300 kilo cocaïne, (dodelijke) slachtoffers te zijn gevallen.

Zoals blijkt uit de aanvraag was de aanleiding om in de woning van de verdachte vertrouwelijke communicatie te kunnen opnemen, gelegen in de omstandigheid dat inmiddels was gebleken dat de verdachte behalve privé, geen contacten onderhield via zijn mobiele nummer, dat hij voor zijn criminele contacten gebruik leek te maken van een PGP-toestel en dat hij veelal in zijn woning verbleef, waardoor het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de woning van groot belang was voor het vergaren van bewijs.

Gelet hierop, alsmede het grote gewicht van deze zaak, waarin het misdrijven betreft die de rechtsorde ernstig schokken en waarbij tevens de integriteit van de douane in het geding is, kan niet worden gezegd dat met de inzet van een technisch hulpmiddel om de communicatie in de woning te kunnen opnemen - naast de reeds ingezette bevoegdheden - de grenzen van subsidiariteit of proportionaliteit zijn overschreden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de machtiging hiertoe heeft kunnen komen en verwerpt het verweer, zowel waar het ziet op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als op de uitsluiting van de opgenomen gesprekken voor het bewijs.

S ub e. De rol van het openbaar ministerie bij ‘afpersing’ door ‘Paul’

De verdediging meent dat uit de inzet door TCI van ‘Paul’ blijkt dat het openbaar ministerie een misdrijf heeft gefaciliteerd. ‘Paul’ was in Nederland om vermeende schulden te innen bij [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en de verdachte, en TCI was hiervan op de hoogte. Er zijn voor hem een appartement en een paspoort geregeld.

‘Paul’ was ook in het bezit van het mobiele nummer van de verdachte en zijn partner [medeverdachte 8]. TCI en het openbaar ministerie hebben derhalve een actieve rol gespeeld bij een poging tot afpersing. Ook om deze reden dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat in december 2016 opnames zijn opgedoken van gesprekken die de medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gevoerd met een persoon onder de naam ‘Paul’. Van de zijde van het openbaar ministerie is, onder overlegging van een daarop betrekking hebbende brief van de TCI-officier van justitie van 13 december 2016, ter zitting van 14 december 2016 erkend dat er sprake was van contacten tussen TCI en een persoon die in dit proces met de naam ‘Paul’ is aangeduid.

In opdracht van de rechtbank heeft de rechter-commissaris een onderzoek ingesteld naar de contacten tussen TCI en ‘Paul’ en daartoe de interne verslaglegging van TCI onderzocht. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden tegen de achtergrond van stellingen van de verdediging van de verdachte respectievelijk medeverdachte(n) met betrekking tot drugstransporten dan wel drugslijnen vanuit Zuid-Amerika naar de Rotterdamse haven en hetgeen ‘Paul’ daarover zou hebben verklaard dan wel zou kunnen verklaren.

In het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 23 januari 2017 is op grond van kennisneming van de interne verslaglegging van TCI beschreven dat ‘Paul’ begin augustus 2016 aan TCI meldde dat een zekere [medeverdachte 2] contact met hem had gezocht en dat ‘Paul’ wilde proberen “informatie uit hem te halen”. TCI heeft vervolgens de komst naar Nederland van ‘Paul’ gefaciliteerd: de landelijke signalering van ‘Paul’ is opgeschort om de reis mogelijk te maken, TCI heeft de kosten van het nieuwe paspoort aan ‘Paul’ vergoed (omdat hij dat zelf niet kon bekostigen) en ‘Paul’ is door TCI gedurende zijn verblijf in Rotterdam ondergebracht in een appartement. Ook heeft TCI aan ‘Paul’ op diens verzoek een opnameapparaat ter beschikking gesteld. Uit het verslag kan verder worden opgemaakt dat ‘Paul’ ergens in augustus 2016 in Nederland is geweest, een aantal gesprekken heeft gevoerd met de verdachte [medeverdachte 2], en op 3 september 2016 uit Nederland is vertrokken.

De informatiewinning door TCI en de personen die daarbij worden benaderd onttrekt zich doorgaans aan de openbaarheid, om voor de hand liggende redenen. Het is ook - zoals zowel de verdediging als de officier van justitie hebben geuit - ongebruikelijk dat over de omgang met een (mogelijke) informant informatie wordt verstrekt. Het is niet ongebruikelijk of ongeoorloofd dat het inwinnen van informatie doorgaat tijdens een lopende strafzaak. Hoe verstandig het in dit geval was om mee te werken aan het door een persoon als ‘Paul’, met wiens betrouwbaarheid als informant TCI kennelijk al eerder geen goede ervaringen had, laten benaderen van de verdachte tijdens een tegen hem lopende strafzaak, is niet aan de rechtbank ter beoordeling. Wel heeft dit - naar is gebleken - risico’s opgeleverd voor de voortgang van het proces en heeft dit ook de officieren van justitie in deze zaak, zoals door hen uitgedrukt, onaangenaam verrast.

Raakt dit optreden van TCI nu de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de voorliggende strafzaak?

De rechtbank concludeert op grond van het verslag van de rechter-commissaris dat de contacten en gevoerde gesprekken tussen TCI en ‘Paul’ in Colombia en Nederland kennelijk hebben plaatsgevonden binnen het kader van informatie inwinning door TCI over drugstransporten. Volgens genoemd proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris, blijkt uit de verslagen van TCI dat het initiatief tot deze reis van ‘Paul’ zelf

(al dan niet op verzoek van [medeverdachte 2]) afkomstig was. ‘Paul’ zou zowel met betrekking tot toekomstige als met betrekking tot transporten uit het verleden containernummers verstrekken, maar heeft dit kennelijk niet waargemaakt. Uit genoemde brief van de TCI-officier van justitie die, volgens het onderzoek van de rechter-commissaris zoals neergelegd in diens proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2017, wordt bevestigd door de interne verslaglegging van TCI, kan worden geconcludeerd dat TCI begin december 2016 heeft besloten om niet verder met ‘Paul’ als informant in zee te gaan, hem als onbetrouwbaar te kwalificeren en op een zwarte lijst te plaatsen.

Die gesprekken alsmede de beschreven contacten tussen TCI en ‘Paul’ die kennelijk zijn hervat in juli 2016, zijn feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden na afloop van de tenlastegelegde periode. Het openbaar ministerie heeft daarop ten tijde van het onderhavige opsporingsonderzoek geen invloed gehad.

De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat er geen aanwijzingen voor zijn, dat TCI opnames van de gesprekken tussen ‘Paul’ en [medeverdachte 2] naar buiten heeft gebracht. Gelet op de werkwijze en het belang van TCI bij het afschermen van zijn werkwijze alsmede van de identiteit van (potentiële, bestaande of gewezen) informanten moet het ook onaannemelijk worden geacht dat TCI opzettelijk deze informatie zou hebben ‘gelekt’ om daarmee het proces te beïnvloeden.

Dit alles brengt mee dat de rechtbank het opduiken van opnames van gesprekken tussen [medeverdachte 2] en ‘Paul’, waarvan de transcripties aan het dossier zijn toegevoegd, als een gegeven beschouwt waarvan de wijze van totstandkoming, afgezien van de daarin opgenomen informatie ten aanzien van de tenlastegelegde feiten, de opsporing en vervolging in Doussie niet raakt. Wat er verder zij van de intenties van ‘Paul’ dan wel [medeverdachte 2] met die gesprekken, dit alles heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het onderzoek in de voorliggende zaken. Voor niet-ontvankelijk verklaring is dan ook geen grond. De transcripties maken onderdeel uit van het dossier. De verdachten zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Die stukken kunnen in voorkomend geval voor het bewijs gebruikt worden.

Algehele conclusie sub a. t/m sub e.

De officier van justitie is gelet op het voorgaande, ook in samenhang bezien, ontvankelijk in de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Betrouwbaarheid proces-verbalen politie informanten

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de proces-verbalen van de politieel informanten met een grote korrel zout moeten worden genomen. Het valt op dat de belastende stukken uit die verbalen in één op één gesprekken zouden hebben plaatsgevonden, terwijl die gedeelten niet op de OVC zijn terug te vinden. Ook is de verdachte vaak zeer lastig te verstaan, wat niet blijkt uit de verbalen.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt dit betoog. De bewijsmiddelen moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. Waar in de bewijsmiddelen betreffende feit 1 (Hulst) een proces-verbaal van een gesprek van 4 februari 2015 tussen [de verdachte] en A-3727 wordt vermeld, waarin wordt gesproken over “ik zat ook in die partij” en de schuld van 1,3 miljoen van [naam 1] aan [verdachte] wordt dit bijvoorbeeld ondersteund door andere bewijsmiddelen (OVC). Hetzelfde geldt voor de processen-verbaal van de politieel informanten betreffende feit 4 (voorbereidingshandelingen invoer cocaïne). De daarin vermelde ontmoetingen met ‘de douaneman’ en het zoeken dan wel brengen van bedrijven aan de douaneman, worden eveneens ondersteund door OVC dan wel observaties. Dit brengt mee dat de rechtbank niet twijfelt aan de betrouwbaarheid van deze processen-verbaal, zodat dat deze voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

5.2.

Bewijswaardering feiten 1 en 2, zaak Hulst

Standpunt verdediging

Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat wegens het ontbreken van concreet bewijs niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de invoer van 300 kilo cocaïne.

Het dossier heeft een hoog ‘van horen zeggen’ gehalte waarbij personen aan de hand van berichten in de media of gesprekken met anderen, puntjes aan elkaar hebben geknoopt en vervolgens een verhaal als zijnde de waarheid hebben geproduceerd.

In de schriftelijke verklaring van de verdachte, toegezonden op 5 januari 2016, lijkt het er misschien op dat hij betrokkenheid heeft gehad bij de invoer van de 300 kilo cocaïne, maar hij heeft juist geen flauw idee gehad hoe het zit met die 300 kilo, hoe de verhoudingen precies liggen, wie er verantwoordelijk wordt gehouden voor het mislukken van het transport en waarom de verdachte op grond van het mislukken van het transport zou moeten worden geliquideerd. Aan de hand van het dossier kan niet vastgesteld worden dat de verdachte verantwoordelijk werd gehouden voor het mislukken ervan; anderen, zoals de geliquideerde [naam 1] wel. Toen [naam 1] was geliquideerd vatte de verdachte het plan op om de 1,3 miljoen te gaan claimen bij [naam 4], omdat hij hoopte dat er voor hem ook wat in zou zitten, zonder te weten dat er een transport cocaïne onderweg was.

Tegenover de mannelijke politie informant was de verdachte aan het speculeren en maakte hij opmerkingen die niet klopten en die voortkwamen uit de zoektocht die hij, nadat hij nauwelijks meer kon slapen en paranoia was geworden, was gestart naar de kennelijke poging tot liquidatie van zijn persoon en de daaraan door de media en de politie gekoppelde 300 kilo cocaïne. Hij ontkent stellig dat hij op 4 februari zou hebben gezegd wat er over de 300 kilo is geverbaliseerd. Andere opmerkingen van de verdachte zijn verkeerd begrepen. De OVC-gesprekken uit het onderzoek Fichte waarin [naam 4] is te horen, vinden plaats vanaf juli 2014, derhalve 7 maanden nadat het transport in beslag is genomen, en bevatten via-via opgevangen informatie en informatie uit de media.

Mocht de rechtbank van mening zijn dat de verdachte toch op enigerlei wijze betrokken is

geweest bij de invoer van de 300 kilo cocaïne, meent de verdediging dat aan de hand van het dossier en de jurisprudentie van de Hoge Raad geen sprake is geweest van medeplegen. Het is immers niet duidelijk wat de rol van de verdachte is geweest en enkel kennelijke betrokkenheid is onvoldoende om tot medeplegen te komen.

Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat er naast de bepleite vrijspraak voor de onder feit 1 ten laste gelegde invoer aan de hand van het dossier niet is vast te stellen dat de verdachte de gedragingen die in de tenlastelegging van feit 2 zijn opgenomen zou hebben gepleegd.

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden dat de verdachte zich aan deze voorbereidingshandelingen heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van beide feiten wordt vrijspraak bepleit.

Beoordeling feit 1

De rechtbank overweegt dat het door de raadsman gevoerde bewijsverweer zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen betreffen naast het aantreffen van de verdovende middelen, als beslissend (‘decisive’) een aantal OVC gesprekken in de woning van de verdachte op 20 december 2014 (“was die partij van mij die gepakt is”),

26 januari 2015 (“Die driehonderd ...ntv...staat. Ntv... in december”), 27 januari 2015

(“D’r was wel ehh, zat wel een deel van mij in.”). Deze opnames bevestigen elkaar over en weer en vinden bovendien bevestiging in hetgeen de verdachte tijdens een “rookgesprek” op 4 februari 2015 heeft gezegd tegen de informant A-3727, waarin hij details geeft over de partij van 300 kilo en zegt “ik zat ook in die partij”.

Dit gesprek vindt op zijn beurt weer ondersteuning in het gegeven dat de verdachte

op 4 februari 2015 erover spreekt dat [naam 1] “die 300 kilo gewoon verkeerd (heeft) besteld” en over een schuld die [naam 1] aan de verdachte heeft gehad van 1,3 miljoen, wat hij in het gesprek van 26 februari 2015 (bij het uitlaten van de hond) herhaalt tegenover deze informant als hij na de mededeling “er is van mij nog nooit een container geopend” zegt: “die [naam 1] moest mij nog een miljoen driehonderdduizend euro betalen” en voorts in de omstandigheid dat de verdachte blijkens observaties op 9 en 10 juli 2015 ontmoetingen heeft gehad met [naam 4] (broer van de geliquideerde [naam 1]). Bij (een van) deze ontmoetingen heeft de verdachte dit bedrag geclaimd. Dit volgt uit de eigen verklaring van de verdachte, die heeft erkend een bedrag te hebben gevraagd aan [naam 4] en tevens uit een tapgesprek van 8 juli 2015 waarin [naam 4] zegt dat hij van [de verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) een vervelend mailtje heeft gehad, waarin deze wilde dat hij

1,1 miljoen zou betalen. Uit deze opnames en de mededelingen tegenover de politieel informant - in onderlinge samenhang – is aannemelijk dat er een verband was tussen dit door de verdachte geclaimde bedrag en het mislukte transport.

De verklaring van de verdediging dat de claim van de verdachte bij [naam 4] een poging van de verdachte was om er een slaatje uit te slaan acht de rechtbank in strijd met de mededelingen tegenover de politieel informant en ook overigens onwaarschijnlijk. Het verweer dat de mededelingen van de verdachte door de informant niet goed zijn begrepen of opgetekend wordt weerlegd door de OVC van 10 februari 2015 waarin de verdachte die schuld tegenover zijn naaste familie bevestigt.

De stelling dat de acties van de verdachte (waaronder de ontmoetingen en contacten met zowel [naam 4] als [medeverdachte 2]) moeten worden gezien als alleen ingegeven door de zoektocht naar de achtergronden van de poging tot liquidatie op zijn persoon is eenvoudigweg niet te verenigen met het vorenstaande. De rechtbank wil aannemen dat de verdachte zeer onder de indruk was (is) van de aanslag die vermoedelijk op hem was gericht geweest, maar zijn uitingen in de OVC en tegenover A-3727 over de 300 kilo en de schuld van [naam 1] zijn consistent met elkaar, zoals hiervoor overwogen en geven – in hun stelligheid - geen blijk van verwarring of speculatie. Voorts heeft [medeverdachte 2] blijkens de opnames van gesprekken met ‘Paul’ verteld dat [verdachte] het altijd wist als er een partijtje was (de rechtbank begrijpt: drugs), hetgeen de stelling van de verdachte, dat zijn contacten met [medeverdachte 2] een ander doel hadden dan drugs, ondergraaft. In genoemd gesprek vertelt [medeverdachte 2] verder hoe hij in een verhoor bij de politie heeft verklaard dat hij de verdachte als een flapdrol beschouwde (de rechtbank begrijpt: niet serieus nam). Uit de context maakt de rechtbank op dat de verdachte aan ‘Paul’ te kennen gaf dat hij de verdachte tegenover de politie ontzag. Daarmee is de bewering dat de verdachte niet serieus werd genomen ontkracht, hetgeen ook overigens in strijd is met de bevindingen in het dossier.

De brief van de verdachte die op 5 januari 2016 aan de officier van justitie is toegezonden, heeft de rechtbank bestudeerd en gelegd naast het dossier. Er zijn elementen die passen bij de bevindingen in het dossier. Maar als door de verdachte in die brief bedoeld is te beschrijven dat zijn contact met de [naam 1 en 4]-broers en [medeverdachte 2] buiten enige bemoeienis met drugstransporten, of specifiek het drugstransport van 9 december 2013 stond, gaat dat geheel voorbij aan hetgeen hierboven daarover is overwogen. De brief als geheel komt de rechtbank onbetrouwbaar voor. In die brief wordt door de verdachte de indruk gewekt, zoals ook door hem op de zitting verklaard, dat hij en zijn partner [medeverdachte 8] de politieel informanten al bij de eerste ontmoeting op Curaçao doorhadden. Dit vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Uit de gesprekken noch het gedrag van de verdachte en zijn partner in de loop van de maanden waarin de politieel informanten contact met hen hadden, blijkt enige steun voor deze bewering. Integendeel, kennelijk hebben de informanten tot op zekere hoogte het vertrouwen van de verdachte weten te winnen, waardoor de verdachte zonder terughoudendheid of voorbehoud ook voor hem belastende mededelingen heeft gedaan. Zulk vertrouwen blijkt eveneens uit het gesprek dat [medeverdachte 8] heeft met een van de politieel informanten na de aanhouding van [verdachte], waarbij zij zich niet keert tegen de informant (als onderdeel van de politie) maar eerder steun lijkt te zoeken. Dit brengt mee dat de brief van 5 januari 2016 geen ander licht werpt op het bewijs zoals hiervoor genoemd.

Het feit onder 1 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

Medeplegen

Met betrekking tot het verweer voor zover dat ziet op het medeplegen overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit het dossier blijkt overtuigend dat er sprake was van een langer bestaande samenwerking tussen de verdachte en [naam 1]. Dat verband wordt bevestigd door het aantreffen van de bijnamen van de verdachte ([bijnamen verdachte) met kennelijke geldbedragen in de kasboeken van [naam 1]. [naam 1] stond in verband met het bedrijf [bedrijf 1] dat ontvanger was van de lading ananas waarin de drugs zijn aangetroffen.

De verdachte zegt ook tegenover de informant dat [naam 1] die partij verkeerd had besteld. Voorts is er een bill of lading met betrekking tot een lading ananas van 1 maart 2014 (minder dan drie maanden na het transport) aangetroffen in de woning van de verdachte aan het Oostplein terwijl de verdachte voor zijn betrokkenheid bij de import van fruit geen zinnige verklaring heeft gegeven en ter zitting heeft verklaard dat hij niets te maken heeft met fruit. Gelet op het verband van [naam 1] met het mislukte transport, de betrokkenheid van de verdachte op zijn beurt bij het transport en voorts hun onderlinge relatie, zoals onder meer blijkend uit de claim die de verdachte later bij de broer van [naam 1] neerlegt, oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededader die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Vrijspraak feit 2

Uit het dossier blijkt niet op welke wijze de voorbereiding van de invoer van de partij cocaïne die op 9 december 2013 is aangetroffen, heeft plaatsgevonden. Het onderzoek is pas een aantal maanden na het aantreffen van de 300 kilo goed op gang gekomen. Het dossier bevat nauwelijks of geen aanwijzingen omtrent de voorbereiding van het transport.

Het kan niet anders dan dat de invoer van deze partij drugs op enig moment is voorbereid, maar nu daarvoor in het dossier geen bewijsmiddelen zijn aangetroffen zal de verdachte worden vrijgesproken van dit feit.

Bewezenverklaring feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 9 december 2013 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) ongeveer 301,53 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I

5.3.

Bewijswaardering feit 3, zaak Voorbereidingshandelingen

Standpunt verdediging

De verdediging heeft erkend dat de verdachte in de tenlastegelegde periode meermalen contact heeft gehad met [medeverdachte 2]. Deze contacten waren erop gericht om via [medeverdachte 2] te kunnen achterhalen wie verantwoordelijk was voor de liquidaties van [naam 1] en [naam slachtoffer] en antwoord te vinden op de vraag waarom de verdachte zelf vermoord diende te worden. Door voor te wenden dat hij handel met [medeverdachte 2] wilde drijven, probeerde de verdachte hem uit te horen.

Omdat [medeverdachte 2] nauwelijks iets losliet en de verdachte het gevoel kreeg dat hij door hem niet serieus werd genomen heeft hij ook in gesprekken met [medeverdachte 6], die [medeverdachte 2] goed kende, voorgewend dat hij bezig was met de invoer van drugs. Hetzelfde geldt voor hetgeen de verdachte daarover heeft besproken met de politieel informant. De huisgenoten van de verdachte waren op de hoogte van zijn zoektocht en van het plan om via [medeverdachte 2] informatie los te krijgen. Uit de verklaringen van [medeverdachte 2], waarin hij zegt dat de verdachte een flapdrol is en met bedrijven komt waar hij niks mee kan, blijkt volgens de verdediging dat de verdachte niet echt met [medeverdachte 2] wilde gaan werken. Het opzet op (het voorbereiden van) de invoer ontbrak bij de verdachte en de verdediging vraagt de rechtbank hem vrij te spreken van feit 3.

Beoordeling

De rechtbank verwijst voor het door de raadsman geschetste alternatieve scenario voor de contacten tussen de verdachte en [medeverdachte 2] allereerst naar hetgeen zij daarover hiervoor onder feit 1 heeft overwogen.

Voorts geldt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode meerdere ontmoetingen gehad met de medeverdachte [medeverdachte 2]. In de in de woning van de verdachte opgenomen gesprekken komen de liquidaties op [naam slachtoffer] en [naam 1] op momenten aan de orde. Echter, in die gesprekken waarin de verdachte aan zijn huisgenoten en/of [medeverdachte 6] verslag uitbrengt van de contacten die hij met [medeverdachte 2] heeft gehad, blijkt niet dat tijdens die contacten de moord op [naam slachtoffer] of [naam 1] onderwerp van gesprek is geweest, noch dat de huisgenoten van de verdachte op de hoogte zouden zijn geweest van zijn zoektocht of een plan om hierover via [medeverdachte 2] informatie los te krijgen.

Integendeel, aan – naar de rechtbank ter zitting heeft begrepen – de keukentafel worden breed de zorgen gedeeld over de ontdekking van 3000 kg cocaïne, de vraag of “Zebra” (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) nog zou kunnen werken en of hij door iemand zou zijn verraden. De verdachte heeft van [medeverdachte 2] kennelijk een sms gekregen met de waarschuwing dat hij weg moet blijven omdat hij is verraden. Er wordt opgelucht gereageerd als [medeverdachte 2] laat weten dat alles ok is en hij gewoon kan werken. Tevens kan uit die gesprekken worden opgemaakt dat het niet alleen de verdachte is die contact zoekt met [medeverdachte 2], maar dat dat omgekeerd ook het geval was. De verwachting is dat als [medeverdachte 2] in januari 2015 terug is van vakantie, er “een paar klappers” kunnen worden gemaakt. Uit een in december 2014 opgenomen gesprek blijkt dat de verdachte met 10 bedrijven bij [medeverdachte 2] is geweest om mee te werken, maar dat er met al die bedrijven wat aan de hand was. De partner van de verdachte zegt in maart 2015 tegen haar vader “dat spul moet binnenkomen, hij is er positief over en ze hebben een nieuw bedrijf”. Kennelijk is het probleem met de bedrijven dan inmiddels opgelost.

Begin januari vertelt de verdachte aan een politieel informant dat er 1500 kilo wit bij een zetter klaar staat in Ecuador. In februari vertelt hij de politieel informant dat er binnenkort een dummy gedaan wordt en als het allemaal goed gaat, kunnen ze gaan draaien. Na de aanhouding van [medeverdachte 2] zegt de verdachte tegen de informant dat hij nu even helemaal niets kan en antwoordt op een door de informant gestelde vraag dat van die 1500 kilo, 100 stukjes van hem zijn, maar dat die daar voorlopig wel even best staan omdat Ecuador een risicoland is.

Tegenover het vorenstaande is in het dossier is geen steun te vinden voor de stelling van de verdediging dat de ontmoetingen met [medeverdachte 2] er uitsluitend op waren gericht om te achterhalen wie achter die moorden zat of wie het op de verdachte had gemunt.

De rechtbank acht dit dan ook niet geloofwaardig en verwerpt dit verweer. De onder 3 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen zijn wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de rechtbank bewezen acht de voorbereiding van de invoer van een hoeveelheid/hoeveelheden cocaïne, nu over de tenlastegelegde hoeveelheid van 1500 kg slechts in één gesprek wordt gesproken.

Medeplegen

Uit vorenstaande overwegingen vloeit voort dat de verdachte hierbij heeft gehandeld in nauwe samenwerking met [medeverdachte 2]. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de verdachte in die periode ook veelvuldig contact heeft gehad met [naam 5] en dat daarbij het treffen van voorbereidingen voor de invoer van een grote partij cocaïne onderwerp van gesprek lijkt te zijn geweest. Echter hetgeen zich daarover in het dossier bevindt is onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking met [naam 5] bij de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen.

Bewezenverklaring feit 3

Op grond van de bewijsmiddelen, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 31 oktober 2014 tot en met 09 juni 2015, in Nederland, eenmaal,

tezamen en in vereniging met een ander

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een handelshoeveelheid cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

hebbende hij, verdachte, en een mededader tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk (telkens)

- ontmoetingen gehad met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en

- contact onderhouden en/of afspraken gemaakt met zijn mededader en

- een of meerdere bedrijven gezocht en bij zijn medeverdachte aangedragen die als dekmantel konden fungeren/dienen voor het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen van die cocaïne en

- het (voor vervoer) klaar (laten) zetten van een handelshoeveelheid cocaïne in Ecuador, althans Zuid-Amerika.

5.4.

Bewijswaardering feit 4, zaak Witwassen

Feit 4 bestaat uit meerdere zaaksdossiers. Hierna zal de rechtbank bij de afzonderlijke zaaksdossiers haar oordeel geven ten aanzien van de uitgaven en bezittingen (geld/goederen) die aan de verdachte worden toegeschreven. Met betrekking tot de inkomsten en het uitgavenpatroon van de verdachte overweegt de rechtbank in het algemeen allereerst het volgende.

Criminele herkomst gelden van de verdachte

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van witwassen opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp (het geld) afkomstig is uit een nader aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs, feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

De verdachte wordt bij vonnis van heden onder meer veroordeeld voor de invoer van een zeer grote hoeveelheid cocaïne en voorbereidingshandelingen voor een ander transport en omkoping van een douane-ambtenaar. Vastgesteld kan worden dat de verdachte zich bevond in een wereld waarin het invoeren van grote partijen verdovende middelen met enige regelmaat voorkwam. Het is een feit van algemene bekendheid dat met het plegen van dergelijke feiten zeer grote geldbedragen gemoeid zijn en verdiend worden. Daarvoor bevinden zich bovendien talloze concrete aanwijzingen in het dossier. Gewezen kan worden op onder meer de beloofde vergoedingen aan de medeverdachte [medeverdachte 2] en het bedrag dat de verdachte dacht bij [naam 4] te kunnen incasseren naar aanleiding van een (mislukt) transport.

Het uitgavenpatroon van de verdachte kan voorts zeer royaal genoemd worden. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte heel veel (contant) geld heeft uitgegeven aan luxegoederen, onder meer dure auto’s, boten, sieraden, kleding en vakanties. Daarnaast had hij een buitengewoon groot bedrag aan contant geld in huis.

Gezien de combinatie van bovengenoemde factoren is het vermoeden gerechtvaardigd dat deze luxe goederen werden gekocht van geld verdiend met strafbare feiten, hetgeen witwassen zou opleveren.

De verdachte heeft hier tegenover gesteld dat hij inkomsten heeft verworven uit eerdere investeringen en uit zijn werkzaamheden in de zonnepanelenbranche. Hij heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt. De verdachte heeft geen document of stuk geproduceerd en heeft ter zitting ook geen antwoord gegeven op vragen hierover. Dit terwijl het geen betoog behoeft dat een ieder die legaal inkomsten heeft uit dienstverband of als zelfstandige, dan wel uit investeringen, daarvan een vorm van administratie kan overleggen. Op zijn minst kan daarover een heldere uitleg worden verschaft. Dit alles is uitgebleven.

De verdachte heeft uitsluitend gewezen op documenten die bij administratiekantoor JMH zijn gevonden. De inhoud daarvan (met name de in 2008 ondertekende overeenkomst met een Russische vennootschap) roept echter (gelet op de vage teksten, het ogenschijnlijke knip- en plakwerk en het gebrek aan identificerende gegevens) meer vragen op dan dat deze beantwoordt. In ieder geval leveren deze stukken geen bewijs op van een daadwerkelijk bestaande arbeidsrelatie.

Daar komt nog bij dat in het dossier talloze aanwijzingen staan waaruit kan worden afgeleid dat het zonnepanelen-verhaal een schijnconstructie is (bijvoorbeeld het gesprek tussen verdachte en zijn partner op 12 februari 2015 waarin hij aangeeft dat hij “weer wat moet verzinnen en gewoon weer ergens in loondienst gaat of zo” en gesprekken van [naam 6] waarin zij aangeeft dat het geld van de verdachte vast staat en dat hij een ‘dekmanteltje’ heeft en verder dat de verdachte ‘de ballen verstand’ heeft van zonnepanelen.

Ook van andere, eerdere legale verdiensten (uit investeringen of CPU processors) heeft de verdachte geen begin van aannemelijkheid geleverd. Ook heeft hij niet geconcretiseerd welke bedragen hiermee zouden zijn gemoeid.

Gezien het voorgaande is, naar het oordeel van de rechtbank, de enige aanvaardbare verklaring voor de gelden die de verdachte voorhanden had, dat deze afkomstig zijn uit door hem gepleegde misdrijven. Waarbij de rechtbank opmerkt dat uit het hiervoor genoemde jurisprudentieel kader volgt dat niet hoeft te worden vastgesteld dat het de misdrijven betreft die thans ook op de tenlastelegging van de verdachte staan.

Zaaksdossier: Aantreffen contant geldbedrag 348.125 euro.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van het geld dat bij de verdachte in de woning is aangetroffen is aangevoerd dat dit afkomstig kan zijn uit de handel in computerprocessoren en dat hij heeft geïnvesteerd in juwelierszaken, waarvan hij de winst (2,5-3 ton) contant kreeg uitbetaald, heeft bewaard in zijn woning en daarna contant is gaan storten op zijn rekening. Tevens is aangevoerd dat ook de partner van de verdachte vermogend is. Zij heeft uit een erfenis van haar moeder een bedrag van 382.000 euro contant ontvangen en ook haar overleden man heeft haar een bedrag van 382.000 euro nagelaten. Bewijsstukken hiervan zijn door het openbaar ministerie niet nader onderzocht.

Beoordeling

In de woning van de verdachte en zijn partner zijn op meerdere plaatsen grote contante geldbedragen aangetroffen (waaronder 86 briefjes van 500 euro).

Uit onderzoek van de politie is gebleken dat deze hoeveelheid contant geld in ieder geval niet kan worden verklaard door contante opnamen van bankrekeningen van de verdachte en zijn partner.

Zoals de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld, acht zij de door de verdachte gegeven mogelijke herkomst van het geld voor zover dat ziet op zijn verdiensten (uit investeringen of de handel in computerprocessoren) niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast zijn nog twee verklaringen gegeven die betrekking hebben op de partner van de verdachte. Zij zou het hebben geërfd van haar moeder en ook haar overleden man zou haar geld hebben nagelaten.

De rechtbank is van oordeel dat ook deze gestelde herkomst van het geldbedrag niet aannemelijk is geworden. De stelling is ten aanzien van de gestelde erfenis van de moeder van verdachtes partner helemaal niet onderbouwd en ten aanzien van de gestelde erfenis van de overleden echtgenoot slechts door het tonen van een handgeschreven briefje.

Direct nadat door de raadsman een kopie van een briefje is overhandigd waaruit zou moeten blijken dat de overleden echtgenoot van de huidige partner van de verdachte haar een bedrag van 382.000 euro heeft nagelaten, heeft het openbaar ministerie gevraagd om het origineel daarvan te overleggen, teneinde dit briefje op echtheid te kunnen onderzoeken. De verdediging is hier niet op ingegaan en het onderzoek heeft dus niet kunnen plaatsvinden.

De rechtbank is van oordeel dat dit voor rekening komt van de verdachte en hij zodoende geen tegenwicht heeft geboden aan de verdenking dat ook dit geld van misdrijf afkomstig is.

Nu uit het dossier niet kan worden afgeleid dat het geld afkomstig is uit een door een ander gepleegd misdrijf en het derhalve lijkt te gaan om geld dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet - om te kunnen spreken van witwassen - uit enige gedraging van de verdachte blijken dat zijn handelingen waren gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Het enkele voorhanden hebben, zelfs van een grote hoeveelheid of op een ongewone plaats, is op grond van inmiddels vaste jurisprudentie daarvoor niet voldoende. De rechtbank volgt daarbij niet de stelling van de officier van justitie dat deze aangescherpte eisen alleen van toepassing zijn als sprake is van geld uit eigen misdrijf waarbij een bewezen grondfeit ziet op het zelfde voorwerp als het witwasvoorwerp. Dit kan niet uit de jurisprudentie worden afgeleid.

Dit betekent dat het eerste liggende streepje onder feit 4, niet als witwassen kan worden gekwalificeerd en daarom geen strafbaar feit oplevert. De verdachte zal derhalve ter zake van dit onderdeel worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Zaaksdossier: BMW X6

Standpunt verdediging.

Aangevoerd is dat de auto is gefinancierd via contacten van [medeverdachte 6], die ook de uitbetaling van het loon van de verdachte regelde en dat het geld voor de aanschaf van de auto afkomstig is uit een bonus die de verdachte met zijn werk heeft verdiend. De verdachte was van de constructies die zijn boekhouder gebruikte niet op de hoogte en dient van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de BMW X6 is aangekocht door de verdachte en dat deze auto is betaald door overmaking van een geldbedrag via een Liechtensteinse bankrekening op naam van een Panamese vennootschap genaamd [bedrijf 4] S.A. Voorafgaand aan deze betaling is middels underground banking contant geld op de Panamese rekening gestort.

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen over de criminele herkomst van verdachtes vermogen. Gelet op hetgeen is overwogen over de onaannemelijkheid van een werkelijk bestaande arbeidsrelatie of dienstverband, acht de rechtbank om dezelfde reden niet aannemelijk dat de verdachte een bonus zou hebben ontvangen. Ook hiervoor is geen onderbouwing gegeven.

Nu voor de betaling van de auto gebruik is gemaakt van een constructie met een Panamese vennootschap en een Liechtensteinse bankrekening is de rechtbank van oordeel dat er namens de verdachte handelingen zijn verricht die er naar hun uiterlijke verschijningsvorm (kennelijk) op gericht zijn geweest de criminele herkomst van het geld waarmee de BMW is aangekocht en derhalve de BMW te verbergen of te verhullen. Deze constructie is voor de verdachte uitgevoerd door [medeverdachte 6]. Dat zowel de verdachte als zijn partner van deze werkwijze op de hoogte waren, blijkt uit hetgeen de partner van de verdachte daarover heeft opgemerkt tegen een van de politieel informanten. Er is dan ook sprake van medeplegen.

Dit onderdeel kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Zaaksdossier: Witwassen via belastingdienst

Standpunt verdediging

Dit zaaksdossier bestaat uit twee onderdelen, namelijk de winst uit onderneming en het loon uit arbeid van de verdachte dat is opgegeven bij de belastingdienst.

Aangevoerd is dat dit ziet op de inkomsten van de verdachte uit werkzaamheden in zonnepanelen. De contracten bevinden zich in het dossier en alles is via [medeverdachte 6] gegaan. Dat deze kennelijk verschillende constructies gebruikte om ervoor te zorgen dat het geld bij de verdachte kwam was bij hem, verdachte, niet bekend.

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 6] een constructie heeft opgezet voor de verdachte om het te doen lijken dat de verdachte werkte in de zonnepanelen voor een bedrijf in Rusland. Zoals hiervoor is overwogen blijkt uit niets in het dossier dat de verdachte ook daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht voor dit of enig ander bedrijf.

Loonbetalingen aan de verdachte van 5.000 euro per maand, vonden plaats door uitzend- en detacheringsbureau JMH BV, welk bedrijf werd gevoed door stortingen van [bedrijf 4] gevestigd te Panama middels een bankrekening in Liechtenstein. Dezelfde constructie is gebruikt bij de aanschaf van de BMW X6.

Uit een opgenomen OVC gesprek tussen de verdachte en zijn partner op 12 februari 2015 blijkt dat de verdachte om zijn scheiding te kunnen regelen op papier een vast inkomen moest hebben. Hij zegt in die OVC dat hij 20.000 euro per maand betaalt om 5.000 euro terug te krijgen met al die constructies. In het opgenomen OVC gesprek van 24 maart 2015 komt naar voren dat de verdachte bij [medeverdachte 6] is geweest en dat hij, de verdachte, geld op een rekening in Rusland heeft, dat [medeverdachte 6] het salaris moet storten en dat de verdachte klaar is met al dat salaris gedoe en dat het hem klauwen met geld kost.

In dit gesprek wordt niet alleen bevestigd dat sprake is van schijnconstructies maar bovendien kan hieruit worden afgeleid dat de verdachte wel degelijk wist welke constructies door zijn boekhouder werden gebruikt om het te doen lijken dat er een legaal salaris op zijn bankrekening werd gestort.

Met betrekking tot de winst uit onderneming die de verdachte aan de Belastingdienst heeft opgegeven, geldt hetzelfde. Hiervoor is reeds overwogen dat van reële arbeid dan wel winst uit onderneming niet is gebleken. Ook ten opzichte van de belastingdienst is dan ook sprake van een schijnconstructie om crimineel verdiend geld in het betalingsverkeer te brengen als zijnde legaal verdiend. Daarbij heeft de verdachte gebruik gemaakt van de diensten van

[medeverdachte 6], terwijl hij blijkens de hiervoor genoemde taps goed op de hoogte was van de door hem gehanteerde constructies.

Aldus heeft de verdachte tezamen en in vereniging met een ander de werkelijke herkomst van geldbedragen verhuld.

Zaaksdossier: Witwassen [naam 6]

Standpunt verdediging

De verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

Aangevoerd is dat er een aannemelijke verklaring is voor de herkomst van het geld, zoals hiervoor ook is weergegeven bij het zaaksdossier aantreffen contant geld, en dat het openbaar ministerie niet heeft bewezen dat er sprake is van een criminele herkomst. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat er sprake is van een dubbeltelling. In de zaak Witwassen via belastingdienst wordt de verdachte verweten hij in de periode 2010-2012 een bedrag van 118.875 euro contant heeft gestort op de rekening eindigend op …716 en dat deze stortingen ook in onderhavig zaaksdossier worden meegenomen.

Beoordeling

In de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 september 2014 vonden op de bankrekening op naam van mevrouw [naam 6], de toenmalig echtgenote van de verdachte,

63 contante kasstortingen plaats van in totaal 115.430 euro. In de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 oktober 2014 vonden op de gezamenlijke rekening van de verdachte en [naam 6] 106 contante stortingen plaats van in totaal 344.710 euro.

Uit het onderzoek naar de financiële situatie van [naam 6] blijkt dat zij geen legaal inkomen heeft en zij heeft verklaard dat als zij wat nodig heeft, zij dit krijgt van de verdachte en dat hij alles regelt met betrekking tot de bankrekeningen. De verdachte kon dus beschikken over het geld op deze rekeningen.

Uit een afgeluisterd telefoongesprek kan worden afgeleid dat [naam 6] weet dat de verdachte zwart geld heeft, omdat het geld van de verdachte vast zit in Rusland en dat het een ‘dekmanteltje’ is.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig van de verdachte, in totaal 460.140 euro, onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Ten aanzien van het bedrag dat op de gezamenlijke “en/of” rekening is gestort kan de rechtbank echter niet vaststellen dat de verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geld, nu uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden enkel kan worden afgeleid dat de verdachte het geld voorhanden heeft gehad.

Dit betekent dat het onderdeel dat ziet op het bedrag van 344.710 euro niet als witwassen kan worden gekwalificeerd en daarom geen strafbaar feit oplevert. De verdachte dient derhalve ter zake van dit onderdeel van het bewezenverklaarde feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Dit is anders voor wat betreft het op de rekening van [naam 6] gestorte geldbedrag. Dit is gestort ten behoeve van [naam 6]. Zij kreeg door de storting op haar rekening de beschikking over dit geld, zodat niet kan worden gezegd dat de verdachte dit geldbedrag voorhanden had. Nu de verdachte dit feit samen met [naam 6] heeft gepleegd, is sprake van medeplegen.

Zaaksdossier: Witwassen [medeverdachte 7]

Dit onderzoek valt uiteen in vier onderdelen:

a. 1 miljoen in de tafelpoot;

b. Aankoop van een personenauto, merk Jaguar;

c. Aankoop business seats bij Feijenoord;

d. Betaling van een belastingaanslag van ca. 100.000 euro.

Vrijspraak sub a. 1 miljoen in tafelpoot

De verdachte zal ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Het door de officier van justitie gepresenteerde bewijs komt van één bron, [medeverdachte 7] die dit tegen een politieel informant zegt. Het feit dat [medeverdachte 7] een holle tafelpoot had, biedt onvoldoende ondersteuning voor de stelling dat hij hier een miljoen van de verdachte in had verstopt. Nu zich in het dossier ook geen ander bewijs dienaangaande bevindt, wordt de verdachte hiervan vrijgesproken.

Sub b. t/m sub d. Aankoop personenauto Jaguar AM-05-39, aankoop business seats bij Feijenoord en betaling van een belastingaanslag van 100.000 euro

Standpunt van de verdediging

De verdachte beroept zich op zijn verschoningsrecht ten aanzien van de vraag waar het geld voor de aanschaf van deze auto, de business seats en de betaling voor de belastingaanslag vandaan kwam. De bedragen die door de verdachte aan [medeverdachte 7] zijn verstrekt behoorden hem niet toe en daarnaast wist de verdachte niet of de bedragen van misdrijf afkomstig waren. De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van dit onderdeel.

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de Jaguar door [medeverdachte 7] is aangeschaft bij RAC voor 40.000 euro en dat dit bedrag contant is betaald. Tegen de politiële informanten hebben zowel [medeverdachte 7] als [medeverdachte 8] gezegd dat [verdachte] de Jaguar contant heeft betaald. Dit wordt bevestigd door een bij [medeverdachte 7] gevonden briefje waar onder meer op staat “aankoop Jaguar 40.000” en daarbij handgeschreven “contant” en “40.000 via [verdachte]”, alsmede een handgeschreven briefje met daarop “al van [verdachte] ontvangen 40.000”.

Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen dat door [bedrijf 3] voor de seizoenen 2013-2014 en 2014-2015 bij Feijenoord vier business seats zijn aangeschaft voor de verdachte en dat de verdachte het geld voor deze stoelen contant terug betaalde aan

[medeverdachte 7]. Ook hierover heeft [medeverdachte 7] tegenover de politieel informant verklaard.

Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte via een constructie waarbij gebruik is gemaakt van een rekening van een brievenbusonderneming in Dubai, [bedrijf 5], een bedrag van ongeveer 100.000 euro heeft laten storten op de rekening van [bedrijf 3]. Met dit geld heeft [medeverdachte 7] vervolgens een belastingaanslag betaald. In getapte telefoongesprekken tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] wordt hierover gezegd dat [verdachte] 100.000 euro moet betalen in verband met de door

[medeverdachte 7] te betalen belasting. [medeverdachte 7] verklaarde de onderneming [bedrijf 5] niet te kennen. Hij wist ook niet hoe [verdachte] aan dat bedrijf of aan dat geld was gekomen.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat telkens het geld van de verdachte afkomstig was en dat - zoals hiervoor is overwogen - het niet anders kan zijn dan dat het geld onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist.

Middels de voren beschreven constructies werd het geld van de verdachte in het normale betalingsverkeer gebracht waarbij de criminele herkomst van het geld werd verhuld. Dit gebeurde in samenwerking met in ieder geval [medeverdachte 7] zodat ook hier sprake is van medeplegen.

Conclusie feit 4

De verdachte zal van hetgeen onder het eerste en het vierde gedachtestreepje is ten laste gelegd worden ontslagen van rechtsvervolging en van hetgeen onder het vijfde gedachtestreepje is ten laste gelegd worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring feit 4

Hetgeen onder de overige gedachtestreepjes ten laste is gelegd is wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat

hij op diverse tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 juni 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), een goed, te weten meerdere grote geldbedragen en personenauto’s en business seats

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, en/of de herkomst, verhuld,

te weten:

  • -

    op 9 juni 2015 een (contant) geldbedrag van EUR 348.125 en

  • -

    in de periode van 8 maart 2013 tot en met 9 juni 2015 een personenauto te weten een BMW X6, kenteken 4-KBH-10 en

  • -

    in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 januari 2015, een (giraal) geldbedrag van in totaal EUR 307.561,- ( bestaande uit ‘winst uit onderneming’ een bedrag van EUR 118.875 en ‘loon uit arbeid’ een bedrag à EUR 188.686) en

  • -

    in de periode 01 januari 2010 tot en met 12 juni 2015 een geldbedrag van in totaal EUR 460.140,- en

  • -

    op 11 december 2013 een personenauto te weten een Jaguar, kenteken AM-05-39 en

  • -

    in de periode 12 oktober 2013 tot en met 31 juli 2015, business seats Feyenoord, voor de seizoenen

2013-2014 en/of 2014-2015 en

- in de periode van 09 augustus 2014 tot en met 30 september 2014 een geldbedrag van in totaal EUR 100.000,-

terwijl hij, verdachte, wist, dat voornoemde geldbedragen, en personenauto,- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

5.5.

Bewezenverklaring feit 5, zaak Glock

Op grond van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat:

hij in de periode van 08 december 2014 tot en met 09 juni 2015 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 17, serienummer VKG695, kaliber 9 x 19 SR en

munitie in de zin van artikel 1, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2, Categorie III van die wet, te weten

  • -

    2 kogelpatronen 9 x 19 met bodemstempel FN 52

  • -

    14 kogelpatronen 9 x 19 SR, met bodemstempel

WEN03D0503 voorhanden heeft gehad.

5.6.

Bewijswaardering feit 6, zaak Vuurwapen WOD –deel A

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat er sprake is van een (ernstig) onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv. Er is door een politieel informant, zonder dat hij/zij hier middels een bevel pseudo-koop, dan wel bevel infiltratie toe gerechtigd was, voor 600 euro een vuurwapen gekocht waarvan er bij het openbaar ministerie wordt uitgegaan dat dit vuurwapen aan de verdachte toebehoort.

Het door [medeverdachte 7] overhandigde pistool dient derhalve van het bewijs te worden uitgesloten en het bewijs dat als gevolg van het overhandigen van het pistool is verzameld dient, als zijnde fruit of the poisonous tree, tevens van het bewijs te worden uitgesloten.

Wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs dient de verdachte vervolgens te worden vrijgesproken van dit feit.

Beoordeling

Van pseudo-koop is, voor zover hier van belang, volgens artikel 126i Sv, sprake als een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek goederen afneemt van een verdachte.

Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 7], de vader van de partner van de verdachte, nadat de verdachte was aangehouden tegen de politioneel informant heeft gezegd dat hij in zijn schuur een vuurwapen van de verdachte heeft liggen en dat, als hij er nog wat voor zou kunnen krijgen, het mooi meegenomen is. Vervolgens zijn zij naar de schuur gegaan en heeft [medeverdachte 7] het wapen aan de politieel informant overhandigd. Deze heeft op zijn/haar beurt het wapen overhandigd aan collega’s van de politie. Later die dag heeft de politieel informant aan [medeverdachte 8], de partner van de verdachte een bedrag van 600 euro overhandigd met de mededeling dat het wapen van [verdachte] dit nu waard is.

Zo er in dit geval al gesproken zou kunnen worden van pseudo koop, dan geldt hiervoor dat de politieel informant zaken heeft gedaan met [medeverdachte 7] en niet met de verdachte. Gelet op de Schutznorm zijn de belangen van de verdachte hierdoor dus niet geschonden.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring feit 6

Op grond van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 6 ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat:

hij in de periode van 8 december 2014 tot en met 9 juni 2015 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen,

een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Norinco (North China Industries), model NP 30, kaliber .45 ACP, serienummer BF 01017, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen aan [medeverdachte 7].

5.7.

Bewijswaardering feit 7, zaak Corruptie

Standpunt verdediging

De verdediging heeft onder verwijzing naar het verweer dat zij heeft gevoerd met betrekking tot de feiten 1 tot en met 3, vrijspraak bepleit van dit feit.

Verder is aangevoerd dat de verdachte in het corruptie dossier nauwelijks voorkomt en dat in elk geval geen sprake is van medeplegen met [medeverdachte 1] of [medeverdachte 4]. De verdachte is er wel eens bij geweest als de anderen uit “de groep van [medeverdachte 1]” contact hadden met [medeverdachte 2] en dat verklaart mogelijk waarom [medeverdachte 2] de verdachte ook tot die groep rekent, maar hij werd weggestuurd als het over zaken ging. Voorts kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen omdat de voor de omkoping cruciale beloften/giften dateren van na de periode mei 2013 – oktober 2014.

Beoordeling

Evenals de verdediging verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij de feiten 1 en 3 heeft overwogen en geconcludeerd.

Hieruit vloeit logischerwijs voort dat de omkoping door de verdachte van [medeverdachte 2] ook kan worden bewezen.

Voorts wijst de rechtbank op het feit dat uit de verklaringen van [medeverdachte 2] en zijn (opgenomen) gesprekken met ‘Paul’ blijkt dat het de medeverdachte [medeverdachte 1] en de verdachte (door [medeverdachte 2] aangeduid als de groep [medeverdachte 1) zijn geweest die met de samenwerking met [medeverdachte 2] zijn begonnen. Dit wordt bevestigd door [naam 4] in opgenomen gesprekken en ook [medeverdachte 7] heeft dit tegenover een politieel informant verklaard. Ook een OVC-gesprek, opgenomen op 26 november 2014, waarin de verdachte tegen [medeverdachte 6] zegt dat Zebra (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) niks meer doet voor de medeverdachte [medeverdachte 1] omdat die nog zoveel moet betalen, bevestigt de voorafgaande samenwerking nog eens.

De rechtbank ziet voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen van omkoping van [medeverdachte 2] met de medeverdachte [medeverdachte 1] in de beginperiode vanaf mei 2013. Blijkbaar is deze samenwerking op enig moment beëindigd en uit de overwegingen bij feit 3 blijkt dat de verdachte nadien kennelijk zelf verder is gegaan met de samenwerking met [medeverdachte 2]. Voor het overige wordtHieruit vloeit logischerwijs voort dat de verdachte ook Hier volstaan met een verwijzing naar de bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring feit 7

Op grond van de bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 7 ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 december in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk een ambtenaar, te weten [medeverdachte 2], in de functie van douaneambtenaar in dienst van de Belastingdienst te Rotterdam, giften en/of beloften heeft gedaan,

te weten

f (de belofte van) betaling(en) van (een) (gro(o)t(e)) geldbedrag(en),

aangeboden en/of gedaan door [verdachte] en/of [medeverdachte 1],

zulks met het oogmerk om die [medeverdachte 2] te bewegen in zijn bediening, in strijd

met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten en/of

naar aanleiding van hetgeen door die [medeverdachte 2], in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan en/of nagelaten,

te weten het - zakelijk weergegeven -:

- geven van advies omtrent welke bedrijven het best gebruikt kunnen worden voor de transport van containers met daarin cocaïne en/of

- het geven van inzicht aan verdachte en/of zijn mededader(s) in de werkwijze van de Douane Rotterdam met betrekking tot de controle van (een) container(s) en/of

- voor verdachte en/of zijn mededader(s) inloggen in de douanesystemen Prisma en/of Douanemanifest om te bekijken wanneer de selectieopdracht voor containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container met het nummer TRLU1838232, zichtbaar werden en als selecteur in behandeling nemen van deze selectieopdrachten/of

- zodanig markeren van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), dat deze containers zonder controle doorgezet worden en/of

- buiten de controle houden van (een) binnenkomende container (s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s),

en

hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2015 tot en met 17 april 2015 in Nederland,

opzettelijke een ambtenaar, te weten [medeverdachte 2], in de functie van

douaneambtenaar in dienst van de Belastingdienst te Rotterdam, beloften heeft gedaan, te weten

de belofte van betaling(en) van (een) (gro(o)t(e)) geldbedrag(en),

aangeboden en/of gedaan door [verdachte],

zulks met het oogmerk om die [medeverdachte 2] te bewegen in zijn bediening iets te doen en/of na te laten,

te weten het - zakelijk weergegeven -:

- geven van advies aan verdachte omtrent het organiseren van transporten van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- geven van advies omtrent welke bedrijven het best gebruikt kunnen worden voor transport van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- buiten de controle houden van (een) binnenkomende container (s) met daarin cocaïne van de verdachte

5.8.

Bewijswaardering feit 8, zaak Bedreiging

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat niet gesteld kan worden dat er in de berichten is gedreigd met de dood of met zwaar lichamelijk letsel. Tevens kan niet worden gezegd dat de berichten onder zodanige omstandigheden zijn verstuurd dat bij de aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

De verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat de gebezigde bewoordingen letterlijk genomen inderdaad geen bedreiging met de dood of zware mishandeling inhouden. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de gedane uitlatingen van dien aard zijn geweest en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat de door de aangever geuite vrees dat de verdachte hem dood zou schieten en dat hem dan wel zijn gezin wat zou worden aangedaan, gerechtvaardigd is. De rechtbank verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring feit 8

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 8 ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat:

hij op diverse tijdstippen in de periode van 12 mei 2015 tot en met 26 mei 2015 te Rotterdam althans elders in Nederland,

[aangever] telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte aan voornoemde [aangever] en/of aan de ouders van voornoemde [aangever] opzettelijk dreigend meermalen een bericht verzonden met als inhoud:

  • -

    op 12 mei 2015: “En nu moet ik stoppen met je? Lul je moet me nog geven waar ik recht op heb en dat voor het weekend. Zo niet dan zoek ik je op. Of je nu op school staat te wachten of thuis of het golfcentrum of schaatsbaan. Ik zal je spreken. Ja ja heb mijn huiswerk gedaan. Jij hebt aan mijn gezin gezeten dus heb ik nu alle recht om aan jouw gezin te zitten” en

  • -

    op 14 mei 2015:“Ik vergeet je niet hoor. Zie je heel snel en onverwachts. Zal je net zo lang achtervolgen waar dan ook naar toe tot ik mijn centen heb van je. Al moet ik naar [naam] toe of je ouders.” en

  • -

    op 18 mei 2015: “Korte vraag. Betaal je of niet want dan weet ik of ik het uit handen geef ja of nee? Hoop dat je de goede kiest, scheelt een hoop ellende.” en

  • -

    op 26 mei 2015 opzettelijk dreigend een e-mailbericht verzonden gericht met als inhoud: “Als je zoon en die zwager van hem niet reageren dan zal ik wel langs jou moeten gaan. Kortom [naam] laat heel zijn familie zijn problemen oplossen. Het is heel simpel [naam] gaat betalen of [naam] die stond immers borg die slappe zak. Zo niet dan maak ik zijn leven tot een hel tot zijn kinderen toe en dat geldt ook voor [naam]!

Zij hebben aan mijn familie gezeten en nu ga ik aan zijn familie zitten. Hoor ik niets van [naam] of [naam] dan kom ik langs moet even alleen kijken bij wie ik begin Straatweg 200 of aan de overkant daarvan? Of Oosterhof? Of golfbaan? Of op school? Of ja jammer had ik eerder moeten doen op de ijsbaan? Zal ook even kijken waar die ingeschreven staat dan kunnen we wellicht daar beginnen? Hoop dat je zoon slim is en anders tot snel!.”

5.9.

Bewijsmiddelen

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen voor de feiten 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 8, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, waarop wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte deze feiten heeft begaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5.10.

Conclusie

Bewezen zijn de feiten 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 8.

Dit betekent dat niet bewezen is feit 2.

6 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

3.

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

4.

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen, meermalen gepleegd;

Feit 4 partieel ontslag van alle rechtsvervolging.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van feit 4 in de zaaksdossiers aantreffen contant geldbedrag 348.125 euro en [naam 6], kan het bewezenverklaarde eerste liggende streepje en een deel van het vierde liggende streepje niet worden gekwalificeerd. Dit levert geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve ter zake van deze onderdelen van feit 4 te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

6.

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

7.

medeplegen van aan een ambtenaar een belofte doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten en

aan een ambtenaar een gift doen ten gevolge of naar aanleiding van het geen door deze in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd

en

medeplegen van aan een ambtenaar een belofte doen met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten en

aan een ambtenaar een gift doen ten gevolge of naar aanleiding van het geen door deze in zijn bediening is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd

8.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Standpunt verdediging

Ten aanzien van feit 5, het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie is aangevoerd dat de verdachte een succesvol beroep op psychische overmacht kan doen en dat de verdachte op grond daarvan dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De mislukte liquidatie op de verdachte en het feit dat de politie weigerde om duidelijkheid te geven uit welke richting de liquidatie kwam, heeft ervoor gezorgd dat er bij de verdachte een van buiten komende drang om een pistool aan te schaffen is ontstaan, waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Hij had de angst zijn leven te verliezen en door de buitennormale psychische druk die dit met zich bracht, kon de verdachte niet anders dan een wapen en munitie aan te schaffen.

Beoordeling

Een beroep op psychische overmacht komt toe aan degene die handelt op grond van een van buiten komende drang, waaraan hij redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Dit betekent dat het in zijn algemeenheid gaat om situaties waarin weliswaar bewust is gehandeld, maar dit handelen aan degene die de gedraging heeft verricht niet kan worden tegengeworpen, omdat van hem redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij in die situatie anders zou handelen dan hij heeft gedaan.

Uit het dossier blijkt dat er voorafgaand aan het feit een liquidatie is geweest die volgens de politie kennelijk bedoeld was voor de verdachte en dat men nog niet weet wie achter deze aanslag zat.

De verdachte heeft op de zitting verklaard dat toen hij begreep dat hij op een dodenlijst was gezet, hij het wapen heeft gekocht, dit een paar dagen bij zich heeft gedragen en het daarna aan zijn partner heeft gegeven en tegen haar heeft gezegd dat zij het moest verstoppen.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee niet aannemelijk gemaakt dat zeker op het moment dat het vuurwapen werd aangetroffen, bij de verdachte nog sprake was van een zodanige toestand van acute en extreme stress, veroorzaakt door de die mislukte liquidatie, dat van de verdachte redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat hij anders kon handelen of had gehandeld dan hij heeft gedaan. De liquidatie die mogelijk voor de verdachte was bedoeld, vond plaats op 1 januari 2014, dus geruime tijd voor de ten laste gelegde periode. Als de psychische druk bij de verdachte door de liquidatie daadwerkelijk zo hoog was en hij op grond daarvan het idee had dat hij zich alleen met behulp van een wapen zou kunnen verdedigen in het geval men alsnog zou proberen hem te liquideren, verdraagt zich dat slecht met de plaats waar het wapen is aangetroffen, namelijk achter de wasmachine in een woning van de verdachte, waar hij niet zelf verbleef. Als er al sprake is geweest van stress die hem bracht tot de aanschaf van het wapen, dan gold dit gelet op die omstandigheden bij het latere voorhanden hebben kennelijk niet meer.

Van psychische overmacht kan dan ook niet worden gesproken en het beroep daarop wordt verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf en maatregel

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne, verborgen in zeecontainers afkomstig uit Midden-Amerika, in Nederland. Ook heeft de verdachte voorbereidingshandelingen gepleegd tot de invoer van een handelshoeveelheid cocaïne.

Aldus heeft de verdachte bijgedragen aan de verspreiding en het gebruik van harddrugs. Het op de markt brengen van harddrugs vormt een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en bevordert de toename van vermogensdelicten. Het is algemeen bekend dat gebruikers van verdovende middelen veelvuldig strafbare feiten plegen om aan geld voor drugs te komen. Dit is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten veel geld oplevert aan alle personen die zitten in de lijn van de invoer tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruiker.

De verdachte heeft zich bovendien, teneinde de hiervoor omschreven invoer en voorbereiding tot invoer van harddrugs mogelijk te maken, schuldig gemaakt aan omkoping van een douaneambtenaar. Door hem de belofte van betaling van aanzienlijke geldbedragen te doen, zorgde deze douaneambtenaar ervoor dat containers waarin de verdovende middelen zich bevonden na aankomst en bij afhandeling in de haven van Rotterdam niet werden gecontroleerd.

Met deze omkoping heeft de verdachte de geregelde werking van een orgaan van het staatgezag, de Douane Nederland, belemmerd. Dit is een ernstig feit. Het was de omgekochte douaneambtenaar die voor de uitvoering van een integer douanebeleid had te zorgen. Met dit feit heeft de verdachte, louter om er zelf financieel beter van te worden, de integriteit van een overheidsorgaan aangetast en daarmee het vertrouwen dat de burger in het overheidsapparaat moet kunnen stellen geschaad.

Bij het bepalen van de op te leggen straf, heeft de rechtbank met name gekeken naar het doel van de omkoping, te weten het faciliteren van de invoer van grote hoeveelheden hard drugs. Dit geeft de omkoping een zwaardere lading dan veel andere gevallen van ambtelijke omkoping en dient te leiden tot een navenant hogere straf.

De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en kan een ontwrichtende werking hebben op de samenleving. De verdachte heeft zich bij dit alles enkel laten drijven door winstbejag, zulks ten koste van de samenleving.

Daarnaast heeft de verdachte twee vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Vuurwapens worden steeds vaker gebruikt bij het plegen van ernstige misdrijven, hetgeen het gevoel van onveiligheid binnen de samenleving doet toenemen. Daarnaast brengt de ongecontroleerde aanwezigheid van wapens en munitie in de samenleving een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee. Daartegen dient derhalve streng te worden opgetreden.

Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging via social media van een persoon waarvan hij zegt dat hij van hem nog geld te goed heeft. Hij heeft ook diens ouders via een e-mail bericht bedreigd. De verdachte heeft door zijn handelen bij deze persoon gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Daarbij overweegt de rechtbank dat deze vorm van corruptie niet te vergelijken is met andere vormen van corruptie, nu dit gekoppeld is aan de invoer van grote hoeveelheden hard drugs. De sfeer en de omstandigheden waaronder deze corruptie heeft plaatsgevonden maken dat alleen al bij dit feit een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar zou passen.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 augustus 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, nog in twee proeftijden liep en, zoals uit het dossier blijkt, bezig was met het afronden van een taakstraf.

In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat gedurende een langere periode een forse inbreuk is gemaakt op de privacy van de verdachte door afluisterapparatuur in zijn auto en zijn woning te plaatsen. Daarnaast is er door twee politieel informanten een vriendschappelijke relatie met hem en zijn gezin opgebouwd, waarbij gedurende een aantal maanden veelvuldig contact met de verdachte is geweest, zonder dat hij op de hoogte was van hun ware identiteit. Dat de verdachte bij de ontdekking daarvan enige frustratie heeft opgelopen valt te begrijpen. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat het openbaar ministerie hiermee de grens van de proportionaliteit niet heeft overschreden, maar ziet wel aanleiding om daar bij het bepalen van de straf rekening mee te houden en daarvoor een periode van zes maanden in mindering te brengen op de op te leggen gevangenisstraf.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

9 In beslag genomen voorwerpen

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd ten aanzien van de goederen vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen in de bijlage III bij dit vonnis:

  • -

    onttrekking aan het verkeer ten aanzien van de goederen onder nummers 87, 88, 89, 90, 99, 100, 101, 102 en 103;

  • -

    verbeurdverklaring ten aanzien van de goederen onder nummers 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 85, 103 en 104;

  • -

    teruggave aan de verdachte van de goederen onder nummers 92, 93, 94, 95, 96, 97.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

9.3.

Beoordeling

De goederen met de nummers 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 85, 103 en 104 zullen worden verbeurd verklaard.

De voorwerpen behoren aan de verdachte toe, dan wel de verdachte kan de voorwerpen geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden en deze voorwerp zijn geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten verkregen. Ten aanzien van de nummers 103 en 104 geldt dat met behulp van deze voorwerpen het feit is begaan of voorbereid.

De in beslag genomen goederen met de nummers 87, 88, 89, 90, 99, 100, 101 en 102 zullen worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen onder de nummers 92, 93, 94, 95, 96, 97 zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte, zijnde deze degene bij wie deze in beslag zijn genomen en die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

10 Vorderingen tenuitvoerlegging

10.1.

Vonnis en arrest waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

De zaak met parketnummer 10/993113-07

Bij vonnis van 8 oktober 2012 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging en deelneming aan een criminele organisatie die tot het oogmerk heeft het plegen van misdrijven, veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is ingegaan op 6 oktober 2014.

De zaak met parketnummer 10/996556-08

Bij arrest van 16 april 2014 van de meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag is de verdachte ter zake van witwassen gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij tot dat feit opdracht heeft gegeven, veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van

6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd twee jaar.

De proeftijd is ingegaan op 1 mei 2014.

10.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van beide voorwaardelijke veroordelingen.

10.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van voornoemd vonnis en arrest en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan de uitspraken verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal ten aanzien van beide vorderingen de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij die uitspraken aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57, 177 (oud), 177, 285 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde onder 4 partieel (eerste liggende streepje en een deel van het vierde liggende streepje) geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

stelt vast dat het overig bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de op bijlage III, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor feit 4: de nummers 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 85, 103 en 104;

- verklaart onttrokken aan het verkeer: de nummers 87, 88, 89, 90, 99, 100, 101 en 102;

- gelast de teruggave aan verdachte van: de nummers 92, 93, 94, 95, 96, 97;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 8 oktober 2014 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van zes (6) maanden in de zaak met parketnummer 10/993113-07;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij arrest van 16 april 2014 van het gerechtshof Den Haag aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van zes (6) maanden in de zaak met parketnummer 10/996556-08.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.L. van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. J.J. Bade en C. Laukens, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst en mr. J.S. Beukema, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

Zaak Hulst

hij op of omstreeks 9 december 2013 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) ongeveer 301,53 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(artikel 2/A jo 10 Opiumwet jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

2.

Zaak Hulst voorbereidingshandelingen

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 9 december 2013 te Rotterdam en/of ’s-Gravenzande en/of Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland), althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 301,53 kilogram cocaïne, althans een of meer (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

  • -

    zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of - voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit;

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk (telkens)

- één of meer telefoongesprek(ken) in versluierd taalgebruik) gevoerd en/of één of meer smsbericht(en) en/of pingbericht(en) verstuurd en/of ontvangen met betrekking tot het importeren en/of het vervoeren van een of meer

hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of de vracht(en) waarin die cocaïne was verborgen en/of

  • -

    een of meer ontmoeting(en) en/of bespreking(en) gehad met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) en/of

  • -

    een of meer (met het beveiligingsprogramma PGP beveiligde) telefoons voorhanden gehad en/of communicatie gevoerd middels die PGP telefoons met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) met betrekking tot invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

  • -

    zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) geld betaald om te zorgen dat (een) container(s) niet gecontroleerd wordt met betrekking tot de invoer van die cocaïne;

(art 10 a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet jo art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

Zaak Voorbereidingshandelingen

hij in of omstreeks de periode van 31 oktober 2014 tot en met 09 juni 2015, te Rotterdam en/of Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland), althans (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1500 kilogram, althans een of meerdere (handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

  • -

    een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

  • -

    zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of

  • -

    voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit;

hebbende hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) tezamen en

in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk (telkens)

  • -

    een of meer telefoongesprek(ken) (via zogenaamde PGP- telefoons) gevoerd met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

  • -

    een of meer ontmoeting(en) gehad met betrekking tot het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

  • -

    contact onderhouden en/of afspraken gemaakt met zijn mededader(s) en/of één of meer andere perso(o)n(en) en/of

  • -

    een of meer zogenaamde sms en/of ping berichten (via zogenaamde PGP- telefoons) verstuurd met betrekking tot invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of afleveren en/of vervoeren van die cocaïne en/of

  • -

    een of meerdere bedrijf/bedrijven gezocht en/of een of meerdere bedrijf/bedrijven bij zijn medeverdachte(n) aangedragen die als dekmantel konden fungeren/dienen voor het invoeren/binnen het grondgebied van Nederland brengen van die cocaïne en/of

  • -

    het (voor vervoer) klaar (laten) zetten van 1500 kilogram, althans een

(handels)hoeveelhe(i)d(en)cocaïne in Ecuador, althans Zuid-Amerika;

4.

Witwassen

hij op diverse tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 juni 2015, te Rotterdam en/of Dordrecht en/of Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland) en/of Rotterdam en/of Barendrecht en/of Etten-Leur althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,

immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), een goed, te weten een of meerdere grote geldbedrag(en) en/of (een) personenauto(‘s) en/of business seats

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een goed, te weten een of meerdere grote geldbedrag(en) en/of (een) personenauto(‘s) en/of business seats, was of wie voornoemd geldbedrag, althans enig geldbedrag en/of een personenauto’s en/of business seats, voorhanden had,

te weten:

  • -

    op of omstreeks 9 juni 2015 een (contant) geldbedrag van EUR 348.125 en/of

  • -

    in of omstreeks de periode van 8 maart 2013 tot en met 9 juni 2015 een personenauto te weten een BMW X6, kenteken 4-KBH-10 ( ZD BMW X6) en/of

  • -

    op of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 januari 2015, een (giraal) geldbedrag van in totaal EUR 307.561,- ( bestaande uit ‘winst uit onderneming’ een bedrag van EUR 118.875 en ‘loon uit arbeid’ een bedrag à EUR 188.686) (ZD Witwassen via Belastingdienst)

  • -

    in of omstreeks de periode 01 januari 2010 tot en met 12 juni 2015 een geldbedrag van in totaal EUR 460.140,- (ZD [naam 6]) en/of

  • -

    in of omstreeks de periode 8 december 2014 tot en met 09 juni 2015 een geldbedrag van in totaal EUR 1.000.000,- (ZD [medeverdachte 7]) en/of

  • -

    op of omstreeks 11 december 2013 een personenauto te weten een Jaguar, kenteken AM-05-39 (ZD [medeverdachte 7]) en/of

  • -

    in of omstreeks de periode 12 oktober 2013 tot en met 31 juli 2015, business seats Feyenoord, althans (meerdere) (een) geldbedrag(en) voor de seizoenen

2013-2014 en/of 2014-2015 en/of 2015-2016 (ZD [medeverdachte 7]) en/of

- in of omstreeks de periode van 09 augustus 2014 tot en met 30 september 2014 een geldbedrag van in totaal EUR 100.000,- (ZD [medeverdachte 7]);

terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemde geldbedrag(en), althans enig geldbedrag en/of een personenauto,- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht)

5.

Zaak Glock

hij in of omstreeks de periode van 08 december 2014 tot en met 09 juni 2015 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Glock, model 17, serienummer VKG695, kaliber 9 x 19 SR en/of

munitie in de zin van artikel 1, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2, lid 2, Categorie III van die wet, te weten

  • -

    2, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en) 9 x 19 met bodemstempel FN 52

  • -

    14, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en) 9 x 19 SR, met bodemstempel

WEN03D0503 voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 26 jo 55 Wet wapens en munitie jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht).

6.

Zaak Vuurwapens WOD-deel A

hij in of omstreeks de periode van 8 december 2014 tot en met 9 juni 2015 te Rotterdam, althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen, als bedoeld in artikel 2, lid 1, Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Norinco (North China Industries), model NP 30, kaliber .45 ACP, serienummer BF 01017,

voorhanden heeft gehad en/of (vervolgens) heeft overgedragen aan [medeverdachte 7];

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 26 en/of 31 jo 55 van de Wet wapens en munitie jo artikel 47 Wetboek van Strafrecht)

7.

Zaak Corruptie

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 december 2014 te

Rotterdam, en/of ‘s-Gravenzande, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijke een ambtenaar, te weten [medeverdachte 2], in de functie van

douaneambtenaar in dienst van de Belastingdienst te Rotterdam, één of meer gift(en)

en/of belofte(n) en/of dienst(en) heeft gedaan,

te weten

a. a) (een gift van) EUR 650.000 en/of

b) (een gift van) EIJR 900.000 en/of

c) (de belofte van) EIJR 3.000.000 en/of

d) (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een percentage, van de waarde van (ongeveer) 300 kilo cocaïne in container TRLU1838232 althans een geldbedrag en/of

e) (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een percentage, van de waarde van (ongeveer) 3000 kilo cocaïne in container CPSU45171570 althans een geldbedrag en/of

f (de belofte van) betaling(en) van (een) (gro(o)t(e)) geldbedrag(en),

verleend en/of aangeboden en/of gedaan door [medeverdachte 4] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer andere perso(o)n(en), althans enige gift en/of belofte heeft gedaan en/of enige dienst heeft verleend en/of aangeboden, zulks

(telkens) met het oogmerk om die [medeverdachte 2] te bewegen in zijn bediening, in strijd

met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door die [medeverdachte 2], in zijn

bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan en/of nagelaten (sub 2),

te weten het (telkens) - zakelijk weergegeven -:

- geven van advies aan verdachte en/of zijn mededader(s) omtrent het organiseren van transporten van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- geven van advies omtrent welke bedrijven het best gebruikt kunnen worden voor de transport van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- het geven van inzicht aan verdachte en/of zijn mededader(s) in de werkwijze van de Douane Rotterdam met betrekking tot de controle van (een) container(s) en/of

- voor verdachte en/of zijn mededader(s) inloggen in de douanesystemen Prisma en/of Douanemanifest om te bekijken wanneer de selectieopdracht voor (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, zichtbaar werd(en) en/of als selecteur in behandeling nemen van deze selectieopdracht(en) en/of

- opzoeken van informatie met betrekking tot (de controle en/of de markering van) (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570 en/of

- doorgeven of (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van verdachte en/of zijn mededader(s) al dan niet gecontroleerd zou gaan worden en/of

- zodanig markeren van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1$38232 en/of het nummer CPSU5171570, dat deze container(s) zonder controle doorgezet wordt/worden en/of

- buiten de controle houden van (een) binnenkomende container (s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570 en/of

- verkrijgen en/of hebben en/of behouden van sturende invloed op de manier van controleren van (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer IRLU1$38232 en/of het nummer CPSU5171570 en/of

- ongedaan maken van de markering(en) van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer TRLU1838232 en/of het nummer CPSU5171570, waardoor die container(s) zonder controle werd(en) vrijgegeven en/of

- voor verdachte en/of zijn mededader(s) de systemen van de Douane Rotterdam raadplegen met een ander doel dan waarvoor deze bestemd zijn en/of (vervolgens) aan verdachte en/of zijn mededader(s) inzicht geven in en informatie verstrekken over de werkwijze van de Douane Rotterdam met betrekking tot de controle van (een) container(s) terwijl dat inzicht en die informatie daarvoor niet zijn bedoeld;

(artikel 177 Wetboek van Strafrecht)

en (wetgeving na 1 januari 2015)

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 01 januari 2015 tot en met 17 april 2015 te

Rotterdam, en/of ‘s-Gravenzande, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijke een ambtenaar, te weten [medeverdachte 2], in de functie van

douaneambtenaar in dienst van de Belastingdienst te Rotterdam, één of meer gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) heeft gedaan, te weten

a. a) (een gift van) EUR 1.000.000 (zoals op 17 april 2015 contant in de woning van verdachte aan de Van de Kasteelestraat 107 te ‘s-Gravenzande aangetroffen) en/of

b) (een gift van) EUR 29.987,70 (zoals op 27 februari 2015 en 9 maart 2015 door [bedrijf 6] is overgemaakt aan [medeverdachte 2] BV) en/of

c) (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een percentage, van de waarde van (ongeveer) 400 kilo cocaïne in container ECMU921971 althans een geldbedrag en/of

d) (de belofte van) betaling van een geldbedrag ter hoogte van 7,5%, althans een percentage, van de waarde van (ongeveer) 220 kilo cocaïne in (een) container(s) afkomstig uit Panama vervoerd op het schip Hammonia Antofagasta althans een geldbedrag en/of

e) (de belofte van) betaling(en) van (een) (gro(o)t(e)) geldbedrag(en), verleend en/of aangeboden en/of gedaan door [medeverdachte 4] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer andere perso(o)n(en), althans enige gift en/of belofte heeft gedaan en/of enige dienst heeft verleend en/of aangeboden, zulks

(telkens) met het oogmerk om die [medeverdachte 2] te bewegen in zijn bediening iets te doen

en/of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door die [medeverdachte 2], in zijn

bediening is gedaan en/of nagelaten (sub 2),

te weten het (telkens) - zakelijk weergegeven -:

- geven van advies aan verdachte en/of zijn mededader(s) omtrent het organiseren van transporten van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- geven van advies omtrent welke bedrijven het best gebruikt kunnen worden voor transport van containers met daarin cocaïne en/of verdovende middelen en/of

- voor verdachte en/of zijn mededader(s) inloggen in de douanesystemen Prisma en/of Douanemanifest om te bekijken wanneer de selectieopdracht voor (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta, zichtbaar werd(en) en/of als selecteur in behandeling nemen van deze selectieopdracht(en) en/of

- opzoeken van informatie met betrekking tot (de controle en/of de markering van) (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta en/of

- doorgeven of (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van verdachte en/of zijn mededader(s) al dan niet gecontroleerd zou gaan worden en/of

- zodanig markeren van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta, dat deze container(s) zonder controle doorgezet wordt/worden en/of

- buiten de controle houden van (een) binnenkomende container (s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte enlof zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta en/of

- verkrijgen en/of hebben en/of behouden van sturende invloed op de manier van controleren van (een) container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta en/of

- ongedaan maken van de markering(en) van een container(s) met daarin cocaïne en/of verdovende middelen van de verdachte en/of zijn mededader(s), waaronder in ieder geval de container(s) met het nummer ECMU9219717 en/of container(s) op het risicoschip Hammonia Antofagasta, waardoor die container(s) zonder controle werd(en) vrijgegeven en/of

- voor verdachte en/of zijn mededader(s) de systemen van de Douane Rotterdam raadplegen met een ander doel dan waarvoor deze bestemd zijn en/of (vervolgens) aan verdachte en/of zijn mededader(s) inzicht geven in en informatie verstrekken over de werkwijze van de Douane Rotterdam met betrekking tot de controle van (een) container(s) terwijl dat inzicht en die informatie daarvoor niet zijn bedoeld;

(artikel 177 Wetboek van Strafrecht)

8.

zaak Bedreiging

hij op diverse tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 mei 2015 tot en met 26 mei 2015 te Rotterdam althans (elders) in Nederland,

[aangever] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte aan voornoemde [aangever] en/of aan de ouders van voornoemde [aangever] opzettelijk dreigend meermalen een bericht verzonden met als inhoud:

  • -

    op of omstreeks 12 mei 2015: “En nu moet ik stoppen met je? Lul je moet me nog geven waar ik recht op heb en dat voor het weekend. Zo niet dan zoek ik je op. Of je nu op school staat te wachten of thuis of het golfcentrum of schaatsbaan. Ik zal je spreken. Ja ja heb mijn huiswerk gedaan. Jij hebt aan mijn gezin gezeten dus heb ik nu alle recht om aan jouw gezin te zitten” en/of

  • -

    op of omstreeks 14 mei 2015:“Ik vergeet je niet hoor. Zie je heel snel en onverwachts. Zal je net zo lang achtervolgen waar dan ook naar toe tot ik mijn centen heb van je. Al moet ik naar [naam] toe of je ouders.” en/of

  • -

    op of omstreeks 18 mei 2015: “Korte vraag. Betaal je of niet want dan weet ik of ik het uit handen geef ja of nee? Hoop dat je de goede kiest, scheelt een hoop ellende.” en/of

  • -

    op 26 mei 2015 opzettelijk dreigend een e-mailbericht verzonden gericht met als inhoud: “Als je zoon en die zwager van hem niet reageren dan zal ik wel langs jou moeten gaan. Kortom [naam] laat heel zijn familie zijn problemen oplossen. Het is heel simpel [naam] gaat betalen of [naam] die stond immers borg die slappe zak. Zo niet dan maak ik zijn leven tot een hel tot zijn kinderen toe en dat geldt ook voor [naam]!

Zij hebben aan mijn familie gezeten en nu ga ik aan zijn familie zitten. Hoor ik niets van [naam] of [naam] dan kom ik langs moet even alleen kijken bij wie ik begin Straatweg 200 of aan de overkant daarvan? Of oosterhof? Of golfbaan? Of op school? Of ja jammer had ik eerder moeten doen op de ijsbaan? Zal ook even kijken waar die ingeschreven staat dan kunnen we wellicht daar beginnen? Hoop dat je zoon slim is en anders tot snel!.”

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)