Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4994

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
10/710062-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag door in een bar een pistool af te vuren. Het beroep op noodweer slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/710062-17

Datum uitspraak: 22 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie.

Raadsman mr. S. Urcun, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 juni 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.H.I. van Dongen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering feit 1

4.2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het impliciet primair tenlastegelegde (poging doodslag) omdat hij geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De verdachte heeft het slachtoffer alleen willen afschrikken door naar de grond te schieten.

4.2.2.

Beoordeling

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte zich op de eerste verdieping van uitgaansgelegenheid [naam horecagelegenheid] in Spijkenisse bevond. Omdat hij zich – naar eigen zeggen – door vervelende blikken van het latere slachtoffer [naam slachtoffer] niet meer veilig voelde, haalde de verdachte zijn jas op en begaf hij zich richting de trap om de bar te verlaten. Toen hij door de drukte niet de trap af kon lopen, draaide hij zich om en zag op dat moment [naam slachtoffer] op hem af komen. De verdachte haalde vervolgens het vuurwapen dat hij bij zich droeg uit zijn broekzak en schoot daarmee. Het slachtoffer, dat zich op dat moment op een afstand van minder dan een meter bij de verdachte vandaan bevond, werd in zijn lies geraakt door de kogel.

De verdachte heeft in een drukke uitgaansgelegenheid, een vuurwapen getrokken en daar vrijwel direct mee geschoten, terwijl het slachtoffer hem zeer dicht was genaderd. Het slachtoffer kwam op hem af en was dus in beweging. Naar algemene ervaringsregels is de kans dat de verdachte vitale lichaamsdelen van [naam slachtoffer] zou raken met een kogel, waardoor deze zou komen te overlijden, aanmerkelijk te noemen. De gedragingen van de verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg (het levensgevaarlijk raken van de ander) dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. De verklaring van de verdachte dat hij op de grond heeft willen schieten maakt dat niet anders. Hij heeft het risico immers op de koop toe genomen. Het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een kogel op die [naam slachtoffer] heeft afgeschoten/afgevuurd, waarbij die [naam slachtoffer] in zijn lies en/of been is geraakt/getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd) alarmpistool, geschikt om kogelpatronen van het kaliber 6,35 millimeter mee te verschieten, en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 3 kogelpatronen (kaliber 6,35 millimeter), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

5.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren op:

1.

poging tot doodslag;

2.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaat met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

5.2.

Strafbaarheid

5.2.1.

Standpunt verdediging

In de kern bezien heeft de verdachte een beroep gedaan op noodweer. De verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer deel uitmaakte van een groepje jongens, die hem die avond al enkele malen raar hadden aangekeken. De verdachte voelde zich niet op zijn gemak en stond op het punt om naar huis te gaan toen het slachtoffer met een opgeheven hand op hem af kwam lopen. De verdachte was bang dat de groep jongens hem het ziekenhuis in zouden slaan. Om zich daartegen te verdedigen heeft hij zijn pistool getrokken en geschoten.

5.2.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op noodweer kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden voor de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

Uit de inhoud van het strafdossier volgt dat getuigen eerst ruzie en geschreeuw en kort daarna een knal hebben gehoord. Het slachtoffer, zijn broer en vriend hebben verklaard dat het juist de verdachte was die raar naar hen keek en de confrontatie zocht.

De verdachte zelf heeft verklaard dat hij die avond in de uitgaansgelegenheid telkens vies werd aangekeken door het slachtoffer en diens vrienden. Hij voelde zich hierdoor niet veilig.

Uit geen van de verklaringen, ook niet van de verdachte zelf, is derhalve op te maken dat het slachtoffer (of andere jongens uit zijn groep) de verdachte had geslagen of anderszins fysiek had aangevallen, of met een wapen had bedreigd alvorens de verdachte het pistool trok en daarmee schoot.

Van een ogenblikkelijke wedererechtelijke aanranding was dus (nog) geen sprake. Als al gesproken kan worden van een gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte, doordat het slachtoffer de verdachte met opgeheven hand naderde, kunnen de daarop volgende handelingen van de verdachte niet worden aangemerkt als verdedigingshandelingen. Het trekken van een pistool en het direct daarmee schieten vanaf een afstand van nog geen meter op het (ongewapende) slachtoffer moeten naar de kern bezien als aanvallende handelingen worden beschouwd. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

5.2.3.

Conclusie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op het slachtoffer [naam slachtoffer] door midden in een drukke uitgaansgelegenheid met een pistool op hem te schieten. De verdachte heeft uit vrees dat hij werd aangevallen min of meer direct zijn pistool gepakt en dat gebruikt. Door aldus te handelen, heeft de verdachte de lichamelijke integriteit en de gezondheid van [naam slachtoffer] op ernstige wijze geschaad. De omstandigheid dat [naam slachtoffer] of een andere cafébezoeker het leven niet heeft verloren, is een gelukkige omstandigheid, die geenszins aan de verdachte is te danken. Deze situatie illustreert waarom tegen het ongeoorloofd bezit van vuurwapens en bijbehorende munitie streng dient te worden opgetreden. Namelijk omdat de algemene veiligheid van personen daarmee ernstig in gevaar kan worden gebracht, in het bijzonder vanwege de aanmerkelijke kans dat een wapen ook daadwerkelijk zal worden gebruikt. Het gebruik van een vuurwapen heeft ingrijpende en niet zelden dodelijke gevolgen, en veroorzaakt sterke gevoelens van onveiligheid.

7.3.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 mei 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde] , wonende te Spijkenisse, (gemachtigde mr. R.A.L.F. Frijns, advocaat te Rotterdam) ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.871,98 aan materiële schade en een vergoeding van € 2.000, - aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering waar die ziet op kosten voor de broek en de polo, de immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de vordering onvoldoende is onderbouwd ten aanzien van de jas, het vest, het eigen risico en de proceskosten. De raadsman heeft verzocht om het deel van de vordering dat ziet op de immateriële schade te matigen.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de broek (€ 275,99) en de polo (€ 100, -) niet door de verdediging is betwist, zal dit deel van de vordering worden toegewezen.

De beoordeling van de gegrondheid van het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de jas en het vest zou nader onderzoek vergen, aangezien uit de verklaring van [naam slachtoffer] tegenover de politie lijkt te volgen dat hij slechts een polo (en derhalve geen jas of vest) droeg ten tijde van het incident. Een dergelijk nader onderzoek zou leiden tot een onredelijke belasting van het strafproces. Dit geldt eveneens voor het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op het eigen risico; de onderbouwende bewijsstukken ontbreken thans. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze delen van de vordering kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 2.000, -, zodat dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 26 februari 2017, te weten de datum waarop de schade is veroorzaakt.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt tot op heden begroot op € 300, - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. De rechtbank heeft bij de begroting van de kosten aansluiting gezocht bij het liquidatietarief van kantonzaken. De benadeelde partij komt in dit verband twee punten toe voor het door mr. Frijns indienen van de vordering en het ter terechtzitting toelichten van de vordering.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 2.375,99 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 2.375,99 (zegge: tweeduizend driehonderd vijfenzeventig euro en negenennegentig eurocent), bestaande uit € 375,99 aan materiële schade en € 2.000, - aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot € 300, -, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.375,99 (hoofdsom, zegge: tweeduizend driehonderd vijfenzeventig euro en negenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 2.375,99 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 33 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.I. Mentink, voorzitter,

en mrs. S.N. Abdoelkadir en K.J. van den Herik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een kogel op die [naam slachtoffer] heeft afgeschoten/afgevuurd, waarbij die [naam slachtoffer] in zijn lies en/of been is geraakt/getroffen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (omgebouwd) alarmpistool, geschikt om kogelpatronen van het kaliber 6,35 millimeter mee te verschieten, en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 3 kogelpatronen (kaliber6,35 millimeter), voorhanden heeft gehad.