Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4882

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
ROT 15/7225
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Warenwetbesluit en de Warenwetregeling tatoeëren en piercen zijn niet in strijd met algemene rechtsbeginselen of een hogere regeling. Rechtbank verwijst naar uitspraak CBb van 20 september 2016, ECLI:NL:CBB:2016:291. Geen sprake van strijd met ne bis in idem-beginsel en geen sprake van strijd met vrijheid van gedachte. Eiser beschikte ten onrechte niet over de vereiste vergunning.

Wetsverwijzingen
Warenwet
Warenwet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JW 2017/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 15/7225

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,

gemachtigden: mr. drs. P.J. de Vries en mr. I.L. de Graaf.

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete van € 525,- opgelegd wegens overtreding van artikel 2, in verbinding met artikel 3, eerste lid, van het Warenwetbesluit tatoeëren en piercen (het Warenwetbesluit) door het niet beschikken over de vereiste vergunning voor het gebruik van tatoeage- en piercingmateriaal voor de ruimte waar dat gebruik plaatsvindt of voor dat gebruik is ingericht.

Bij besluit van 3 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn partner. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst opdat eiser nadere stukken kon overleggen in verband met de door hem ter zitting gekritiseerde wijze van betaling van de boete.

Eiser heeft bij brief van 16 november 2016 nadere stukken ingezonden en verweerder verzocht om de boete en de door het incassobureau in rekening gebrachte extra kosten kwijt te schelden.

Verweerder heeft bij brief van 12 december 2016 gereageerd op de nadere stukken en het verzoek om kwijtschelding.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

Bij uitspraak van 20 september 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:291) heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College), in het kader van het hoger beroep van eiser tegen de uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2014 in een vergelijkbare zaak van eiser, overwogen dat het College begrijpt dat de kern van eisers betoog erin is gelegen dat het vergunningenstelsel niet effectief is en een schijnveiligheid creëert voor de consument. Aangezien eiser daarmee volgens het College beoogt de rechtmatigheid van een algemeen verbindend voorschrift ter discussie te stellen, geldt het volgende. Op grond van vaste rechtspraak van het College (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juni 2015, ECLI:NL:CBB: 2015:235) kan aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig moeten worden geacht met een hogere - algemeen verbindende - regeling dan wel indien met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever, en derhalve met terughoudendheid toetsend, geoordeeld moet worden dat het voorschrift een toetsing aan de algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan. Het is aan de betrokken regelgever om de verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen.

1.2.

Het College is van oordeel dat eisers betoog geen aanleiding biedt om te onderschrijven dat de rechtmatigheid en/of doelmatigheid van de hier ter discussie staande regelgeving de hiervoor weergegeven, terughoudende toets niet kan doorstaan. In hetgeen eiser heeft aangevoerd vindt het College geen aanknopingspunt dat het Warenwetbesluit en de Warenwetregeling tatoeëren en piercen in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen of een hogere regeling. De stelling van eiser dat een effectiever stelsel van regulering mogelijk is, maakt dat niet anders. Het College heeft geen grond gezien om in die procedure advies uit te brengen aan de wetgever omtrent de wijze waarop de uitoefening van het vak van tatoeëerder gereguleerd moet worden.

1.3.

In hetgeen eiser in het beroepschrift en ter zitting (opnieuw) over de effectiviteit van het vergunningenstelsel in het Warenwetbesluit heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om in het onderhavige geschil tot een ander oordeel te komen dan het College.

2. Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij vanwege zijn geloof – naar hij stelt het Tatooisme, georganiseerd in de religieuze organisatie “Kracht van de Veilige Naald”, waarin Tatoo wordt geëerd – niet in staat is mensen bloot te stellen aan de gevaren die de vergunning met zich meebrengt. De rechtbank stelt bij de beoordeling hiervan voorop dat naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (onder meer de uitspraak van 22 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:362) het in artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht van vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (dat, naar de rechtbank begrijpt, thans ook door eiser wordt ingeroepen) niet zover strekt dat het een ieder in het algemeen zou vrijstaan aan een door de wetgever vastgesteld wettelijk voorschrift verbindende kracht te zijnen aanzien te ontzeggen op grond van een daartegen bij hem bestaand bezwaar ontleend aan zijn levensovertuiging. De rechtbank ziet daarvoor, wat er verder zij van het Tatooisme, ook in het onderhavige geval geen ruimte, aangezien niet valt in te zien hoe de vereiste vergunning of de vergunningplicht als zodanig zou dwingen om onveilig te werken. Voor zover eisers betoog erop neerkomt dat hij zich door de vergunningplicht gedrongen voelt mee te werken aan een systeem dat naar zijn stellige overtuiging bij anderen tot onveilig werken aanleiding kan geven, is dit betoog naar zijn aard – inhoudelijk is het onder 1. reeds besproken – wel invoelbaar, maar miskent het dat de door eiser bepleite vernietiging van het boetebesluit (in eisers visie: ook) tot onveilig werken zal kunnen leiden. Die vernietiging zou immers feitelijk betekenen dat iedereen straffeloos zonder vergunning en daaraan verbonden eisen en toezicht kan tatoeëren of piercen, aangezien het niet aan de rechter is om in dat geval een ander (vergunning)stelsel in de plaats te stellen van het onderhavige.

3. Eiser heeft verder aangevoerd dat het bestreden besluit strijd oplevert met het ne bis in idem-beginsel omdat het volgens hem in feite om één doorlopende overtreding gaat. Ook dit betoog slaagt niet. De uitspraak van het College van 20 september 2016 heeft geen betrekking op hetzelfde feit als in deze zaak, maar op een overtreding die op een eerder moment is geconstateerd (op 18 november 2011) dan de onderhavige (op 10 juli 2015), waarna eiser ruimschoots in de gelegenheid is geweest een vergunning aan te vragen. Van één doorlopende overtreding is te minder sprake nu eiser na de eerdere overtreding feitelijk ook enige tijd over een vergunning heeft beschikt.

4.1.

Ter zitting heeft eiser betoogd dat hij het CJIB heeft laten weten dat hij een terugbetalingsregeling wil en dat hij nu gedurende iets langer dan een jaar € 61,- per maand betaalt, waarin een verhoging is opgenomen van € 200,-. Na schorsing van het onderzoek ter zitting om eiser in de gelegenheid te stellen ter zake stukken te overleggen, heeft eiser bij brief van 16 november 2016 nadere stukken ingezonden en verweerder verzocht om de boete en de door het incassobureau in rekening gebrachte extra kosten kwijt te schelden. Verweerder heeft bij brief van 12 december 2016 gereageerd en – behoudens kosten van € 15,- in verband met een aanmaning op 19 oktober 2015 – de bijkomende kosten kwijtgescholden, op de grond dat ten onrechte niet was gereageerd op een (naar aanleiding van de aanmaning gedaan) verzoek van eiser van 12 november 2015 om een betalingsregeling.

4.2.

De rechtbank zal, ondanks het late stadium in de procedure, mede uit overwegingen van proceseconomie verweerders reactie van 12 december 2016 voor zover deze betrekking heeft op het verzoek om kwijtschelding aanmerken als een bijkomend besluit als bedoeld in artikel 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarop dit beroep mede betrekking heeft. Dit bijkomende besluit komt wat betreft onnodig veroorzaakte kosten, doordat niet is gereageerd op eisers verzoek van 12 november 2015, tegemoet aan eisers verzoek om kwijtschelding van 16 november 2016. Tegen een besluit houdende aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb, waarbij op grond van artikel 4:113 van de Awb in dit geval de genoemde € 15,- aan kosten in rekening is gebracht, staat op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder b, geen beroep open, zodat hetzelfde heeft te gelden voor het besluit deze kosten niet kwijt te schelden. De rechtbank ziet ten slotte geen rechtsgrond voor het oordeel dat verweerder de hoofdsom (de boete) had moeten kwijtschelden. Wat betreft de betalingsregeling ziet de rechtbank in verweerders brief van 12 december 2016 geen bijkomend besluit: die betalingsregeling wordt door eiser nageleefd en niet is gebleken dat hij nadat deze betalingsregeling was getroffen door invulling en toezending van een daartoe beschikbaar formulier om een andere betalingsregeling heeft verzocht.

5. Slotsom is dat het beroep van eiser ongegrond is.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.C. de Wit-Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.