Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4836

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
C/10/525432 / FT EA 17/888
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet het maximaal haalbare aangeboden, wettelijke schuldsanering biedt meer waarborgen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 6 juni 2017

in de zaak van:

[naam] ,

[adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 21 april 2017, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een viertal schuldeisers, te weten:

  • -

    BLG Wonen/SNS Bank, vertegenwoordigd door Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders (hierna: BLG);

  • -

    Vodafone, vertegenwoordigd door Intrum Justitia Nederland B.V. (hierna: Vodafone);

  • -

    CZ Groep Zorgverzekeringen (hierna: CZ);

  • -

    Belastingdienst Particulieren (hierna: Belastingdienst);

die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Uit het verzoekschrift blijkt dat de Belastingdienst niet akkoord is gegaan met het voorstel maar dat inmiddels de gehele vordering is voldaan.

Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders heeft namens BLG voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden dat op 22 mei 2017 ter griffie is ontvangen.

Ter zitting van 23 mei 2017 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    de heer G.J. van Rossen, werkzaam bij Modus Vivendi (hierna: schuldhulpverlening).

De weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift acht concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 63.640,42 van verzoeker te vorderen.

Verzoeker heeft bij brief van 10 juli 2014 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,93% tegen finale kwijting. Op 12 november 2015 heeft verzoeker een aanvullend voorstel aan zijn schuldeisers gedaan, waarbij een bedrag van € 2.500,00 beschikbaar werd gesteld om naar rato onder de crediteuren te verdelen. Op 20 oktober 2016 heeft verzoeker zijn laatste voorstel gedaan aan de schuldeisers, inhoudende een betaling van 18,33% tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft - naar ter zitting is gebleken - de volgende inhoud en achtergrond.

De aangeboden regeling is gebaseerd op een eenmalige uitbetaling van een door verzoeker vanuit zijn vrij te laten bedrag opgebouwd spaarsaldo van € 11.226,00. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan. Verzoeker heeft ter terechtzitting verklaard dat hij 18 uur per week werkzaam is op de bloemenveiling. Daarnaast is hij werkzaam als zzp’er. Schuldhulpverlening heeft ter terechtzitting verklaard dat verzoeker geen afloscapaciteit heeft.

Vier schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. BLG, Vodafone en CZ stemmen hier niet mee in. Zij hebben gezamenlijk een vordering van € 42.119,56 op verzoeker, welke 66,17% van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

BLG heeft in haar verweerschrift gesteld dat verzoeker niet in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Evenmin is naar de mening van BLG sprake van een problematische schuldensituatie. Daarnaast heeft BLG in haar verweerschrift gesteld dat zij de grootste schuldeiser is en dat het aangeboden akkoord van 18,33% in geen enkele verhouding staat tot haar vordering van € 40.961,93. Voorts is volgens BLG onvoldoende vast komen te staan dat verzoeker het maximaal haalbare heeft aangeboden. BLG wijst daarbij op de wettelijke waarborgen in de schuldsaneringsregeling die verzekeren dat verzoeker aan zijn inspanningsverplichting, om zo snel mogelijk fulltime aan het werk te zijn, zal voldoen. Daarmee worden de belangen van de schuldeisers beter behartigd.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van BLG, Vodafone en CZ bij hun weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of BLG, Vodafone en CZ in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van BLG, Vodafone en CZ een aanzienlijk aandeel vormen in de totale schuldenlast (te weten 66,17% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat BLG, Vodafone en CZ in redelijkheid niet tot weigering tot instemming van de schuldregeling konden komen.

De rechtbank stelt vast dat het voorstel is gebaseerd op de eenmalige uitbetaling van een door verzoeker opgebouwd spaarsaldo. Het voorstel voorziet niet in maandelijkse afdrachten aan de hand van verzoekers afloscapaciteit, en heeft dus ook geen looptijd. Dat betekent dat verzoeker, in vergelijking met de situatie waarin de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing zou zijn, niet het maximaal haalbare aan zijn schuldeisers heeft aangeboden. In die situatie zou immers het spaarsaldo eveneens in de boedel vallen, maar zou verzoeker daarnaast gehouden zijn zich maximaal in te spannen om fulltime betaald werk te vinden. Schuldhulpverlening heeft weliswaar gesteld dat verzoeker geen afloscapaciteit heeft, zodat dit de schuldeisers feitelijk niets zou opleveren, maar deze vaststelling is gebaseerd op de 18-urige werkweek die verzoeker thans heeft. In de wettelijke schuldsaneringsregeling dient verzoeker aantoonbaar te solliciteren naar fulltime betaald werk, en is het zeer wel mogelijk dat verzoeker wél over een afloscapaciteit beschikt.
De rechtbank is van oordeel dat de wettelijke schuldsaneringsregeling (ongeachte de hogere kosten) meer waarborgen biedt aan de schuldeisers, vanwege de wettelijke verplichtingen, zoals de arbeids- en sollicitatieverplichting, de strenge controle door een bewindvoerder en een rechter-commissaris, en de sancties indien de verplichtingen niet (meer) worden nagekomen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van BLG, Vodafone en CZ als weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om BLG, Vodafone en CZ te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.

De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter, en in aanwezigheid van B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2017. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.