Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4793

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
10/766030-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minimega Callot. Algehele vrijspraak. De verdachte wordt vrijgesproken van (actieve) ambtelijke corruptie, valsheid in geschrift en oplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/766030-15

Datum uitspraak: 21 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. A.J.N. van Stigt, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 16, 18, 19 en 23 mei en 7 juni 2017.

Het onderzoek is gesloten op 21 juni 2017.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 23 mei 2017 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J.A. van der Maas heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Geldigheid dagvaarding

Feit 1

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de dagvaarding voor het onder 1 ten laste gelegde feit (actieve ambtelijke corruptie) partieel nietig moet worden verklaard. In de visie van de verdediging is - kort samengevat - de tenlastelegging vaag, nu de aan de verdachte verweten gedragingen niet duidelijk worden omschreven. Het betreft in de eerste plaats de feitelijke uitwerking van de begrippen: gift, belofte of dienst te weten: ‘regelen’ en/of ‘verzorgen’. In de tweede plaats betreft het de feitelijke uitwerking van de begrippen: ‘in strijd met zijn plicht’ en/of ‘in zijn bediening doen of nalaten’ te weten: ‘het beleid’, ‘besluitvormingsprocedures’, ‘voorkeursbehandeling’ en/of ‘goede relatie’.

Beoordeling

Vooropgesteld wordt dat aan de begrippen ‘gift, belofte en/of dienst’ op zichzelf al enige feitelijke betekenis toekomt. De nadere feitelijke invulling die de officier van justitie in de tenlastelegging aan de gift, belofte en/of dienst heeft gegeven is dat de verdachte een aanstelling/tewerkstelling en/of salarisbetalingen heeft geregeld of verzorgd. Op deze wijze is door de officier van justitie op een duidelijke en heldere wijze de koppeling gemaakt tussen de concrete gift, belofte of dienst en het zaaksdossier waarin de feiten en omstandigheden zijn neergelegd die het ten laste gelegde feit in de visie van de officier van justitie moeten onderbouwen.

Dit deel van de tenlastelegging is daarom voldoende feitelijk, begrijpelijk en niet innerlijk tegenstrijdig en voldoet daarmee aan de eisen van artikel 261 lid 1 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

De begrippen ‘in strijd met zijn plicht’ en ‘in zijn bediening iets doen of nalaten’ komen voldoende feitelijke betekenis toe. De verdediging bestrijdt dit ook niet. Dit betekent dat het niet nodig is om deze begrippen in de tenlastelegging nader te concretiseren. Daarnaast is het vaste rechtspraak dat de delictsomschrijving van ambtelijke corruptie niet alleen ziet op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift en een concrete tegenprestatie, maar ook op het doen van giften aan een ambtenaar om een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen. In de tenlastelegging van feit 1 is een dergelijke ‘voorkeursbehandeling’ op verschillende manieren omschreven. Op deze manier is een nadere, niet vereiste invulling van de delictsbestanddelen ‘in strijd met zijn plicht’ en ‘in zijn bediening iets doen of nalaten’ gegeven. Ze leggen de koppeling met het zaaksdossier waarin de feiten en omstandigheden zijn neergelegd die het ten laste gelegde feit in de visie van de officier van justitie moeten onderbouwen.

Dit deel van de tenlastelegging is daarmee naast voldoende feitelijk ook begrijpelijk en niet innerlijk tegenstrijdig en voldoet daarmee aan de eisen van artikel 261 lid 1 Sv.

Tussenconclusie

Het verweer wordt verworpen.

Feit 3

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de dagvaarding voor het onder 3 ten laste gelegde feit (oplichting) ook partieel nietig moet worden verklaard. De tenlastelegging is volgens de raadsman op een tweetal onderdelen onbegrijpelijk, namelijk voor zover daarin staat ‘verplichtingen voortvloeiend uit overeenkomst’ en ‘opgelicht tot betaling van een of meer geldbedragen’.

Beoordeling

De delictsomschrijving van artikel 326 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) behelst een aantal prestaties waartoe de ander kan worden bewogen. In dit geval vermeldt de tenlastelegging onder meer het aangaan van een schuld en de afgifte van een geldbedrag. Terecht heeft de raadsman opgemerkt dat de delictsomschrijving van artikel 326 Sr niet kent de in de tenlastelegging opgenomen prestaties ‘verplichtingen voortvloeiend uit overeenkomst’ en ‘opgelicht tot betaling van een of meer geldbedragen’.

Geconstateerd kan dan ook worden dat bij de opgave van het feit van artikel 326 Sr in de tenlastelegging de omschrijving ruimer is dan de delictsomschrijving in de wet. Hoewel de frase ‘oplichting tot betaling’ taalkundig tekort schiet, is het ten laste gelegde voor de lezer als zodanig voldoende duidelijk. Ook dit deel van de tenlastelegging voldoet daarmee aan de eisen van artikel 261 lid 1 Sv.

Tussenconclusie

Het verweer wordt verworpen.

Conclusie

De dagvaarding is geldig.

Waardering van het bewijs

Feit 1 actieve ambtelijke corruptie

Inleiding

De verdachte heeft met zijn bedrijf vanaf 2008 gedurende een aantal jaren advieswerkzaamheden verricht voor de Stichting [naam stichting 1] , die vanaf dat jaar het openbaar onderwijs in Rotterdam verzorgde. Bij [naam stichting 1] was ambtenaar [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ) de contactpersoon van de verdachte.

In 2009 heeft [naam medeverdachte 1] aan de verdachte gevraagd of hij nog een baan wist voor zijn echtgenote [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ). De verdachte heeft, toen [naam medeverdachte 1] hem vertelde dat zijn vrouw een administratieve baan zocht, [naam medeverdachte 1] gewezen op een vacature bij [naam bedrijf 1] en vervolgens de naam van [naam medeverdachte 2] aan [naam] van [naam bedrijf 1] . doorgegeven. [naam medeverdachte 2] is in dienst gekomen bij [naam bedrijf 1] . en later bij [naam bedrijf 2] Tussen juni 2009 en juni 2012 zijn aan haar maandelijks salarisbetalingen gedaan door deze B.V.’s. [naam medeverdachte 2] heeft nooit werkzaamheden verricht voor de genoemde B.V.’s.

Het salaris van [naam medeverdachte 2] is steeds doorbelast aan [naam bedrijf 3] Enig aandeelhouder van deze B.V. is [naam stichting 2] . De verdachte en [naam] zijn de bestuurders van laatstgenoemde B.V.

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat de verdachte met het regelen van de baan voor [naam medeverdachte 2] en met het doen van de salarisbetalingen aan haar en haar echtgenoot [naam medeverdachte 1] , zonder dat zij daarvoor hoefde te werken, [naam medeverdachte 1] heeft omgekocht. Omgekocht met het doel om die [naam medeverdachte 1] , ambtenaar bij de Stichting [naam stichting 1] , te bewegen om - kort samengevat - meer opdrachten aan de verdachte te verstrekken.

Juridisch kader actieve omkoping

Voordat wordt overgegaan tot de concrete beantwoording van de vraag of de verdachte met de door hem verleende dienst en aangeboden gift het oogmerk heeft gehad om [naam medeverdachte 1] als ambtenaar te bewegen tot het geven van meer opdrachten, zal eerst het juridisch kader van dit delictsbestanddeel worden uitgewerkt.

Oogmerk in de zin van de artikelen 177 Sr is aanwezig wanneer het doen van een gift door de gever, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus voor hem gewild gevolg meebrengt dat de ambtenaar wordt bewogen tot een doen of nalaten in zijn bediening. Het betreft de zwaarste vorm van opzet, die bovendien niet op de gift maar op het gevolg moet zijn gericht. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende. Het beoogde gevolg kan een concrete tegenprestatie zijn en ook het doen ontstaan van een speciale relatie die zal leiden tot een voorkeursbehandeling.

Als dat oogmerk niet blijkt uit een door de gever daartoe strekkende verklaring, dient aan de hand van de feiten en omstandigheden, oftewel de uiterlijke verschijningsvorm van de feiten en omstandigheden van en rondom de gift, te worden bepaald of de gever met zijn gift het oogmerk had om de ambtenaar te bewegen tot een doen of nalaten in zijn bediening. Om de bewijsrechtelijke drempel van oogmerk te halen, dient op die manier minst genomen vast komen te staan dat het niet anders kan zijn dan dat de gever een gift aan een ambtenaar heeft gedaan met als doel een concrete tegenprestatie terug te krijgen of een speciale relatie te doen ontstaan die zal leiden tot een voorkeursbehandeling.

Met bovenstaand criterium als uitgangspunt zal moeten worden beoordeeld of de verdachte het oogmerk had om [naam medeverdachte 1] als ambtenaar te bewegen tot een doen of nalaten.

Uiterlijke verschijningsvorm

Als de uiterlijke verschijningsvorm van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder ‘inleiding’ zijn besproken wordt bezien zou op grond daarvan tot een gerechtvaardigd vermoeden kunnen worden geconcludeerd dat de verdachte de baan voor [naam medeverdachte 2] heeft geregeld en de salarisbetalingen heeft gedaan met als doel om een concrete tegenprestatie terug te krijgen of een speciale relatie te doen ontstaan, die zal leiden tot een voorkeursbehandeling.

Tegenover dat vermoeden staat de verklaring van de verdachte, die - voor zover deze niet onaannemelijk is - een contra-indicatie vormt voor dat vermoeden. Die verklaring bevat kort gezegd drie elementen: a) de verdachte heeft niet méér gedaan dan [naam medeverdachte 1] , die hem vertelde dat zijn vrouw een administratieve baan zocht, gewezen op een vacature bij [naam bedrijf 1] . en vervolgens de naam van [naam medeverdachte 2] aan [naam] doorgegeven, b) de verdachte was niet op de hoogte van de doorbelasting van salarisbetaling aan [naam bedrijf 3] en c) de verdachte had een raamovereenkomst met [naam stichting 1] waaruit hij zijn werk kreeg. Hij had daarom geen belang bij een eventuele omkoping van [naam medeverdachte 1] .

Ad a)

Over de betrokkenheid van de verdachte bij de indiensttreding van [naam medeverdachte 2] bij [naam bedrijf 1] . is in het dossier niet veel informatie beschikbaar. Naast de verklaring van de verdachte zijn alleen de verklaringen van [naam] en [naam medeverdachte 1] voorhanden. Zij dichten de verdachte geen grotere rol toe dan die de verdachte zichzelf daarbij geeft. Een grote rol voor de verdachte ligt ook niet voor de hand nu [naam medeverdachte 2] niet bij de verdachte in dienst kwam, maar bij [naam] .

Ad b)

Tegenover de verklaring van de verdachte dat hij niet op de hoogte was van de doorbelasting van het salaris aan [naam bedrijf 3] staat het gegeven dat hij naast [naam] één van de bestuurders is van de [naam stichting 2] , die enig aandeelhouder is van [naam bedrijf 3] Op grond van dit enkele gegeven kan echter niet worden gezegd dat de verklaring van de verdachte, dat hij met betrekking tot de salarisbetalingen van niets wist, onaannemelijk is. Een bestuurder van een Stichting Administratiekantoor is niet noodzakelijkerwijs op de hoogte van de gang van zaken in de B.V. waarvan zij enig aandeelhouder is. Daarnaast is slechts de verklaring van [naam] voorhanden, die stelt dat tussen hem en de verdachte een afspraak zou zijn gemaakt dat de betalingen - in ieder geval tijdelijk - konden worden doorbelast aan [naam bedrijf 3] Het opmerkelijke aan de verklaring van [naam] op juist het punt van de doorbelasting is dat hij stelt dat hij de salarisbetalingen niet alleen heeft doorbelast aan [naam bedrijf 3] maar ook doorfactureerde aan [naam bedrijf 4] voor wie zijn bedrijven werkzaamheden verrichtten. [naam] belastte het salaris dus dubbel door, hetgeen de nodige vragen oproept. Tegen die achtergrond en het gebrek aan andere bewijsmiddelen die de verklaring van [naam] op dit punt ondersteunen kan geen doorslaggevende waarde worden gehecht aan de verklaring van [naam] ten opzichte van de verklaring van de verdachte.

Ad c)

Dat verdachte een raamovereenkomst met de [naam stichting 1] had, wordt in het dossier bevestigd en ook de officier van justitie gaat daarvan uit. Dit gegeven maakt een oogmerk om te proberen om via omkoping bij [naam medeverdachte 1] in een goed blaadje te komen natuurlijk niet onmogelijk, maar wel minder voor de hand liggend.

Oogmerk

Op grond van hetgeen hiervoor onder a), b) en c) is overwogen kan niet worden gezegd dat de verklaring van de verdachte onaannemelijk is. Die vaststelling maakt dat het vooropgestelde vermoeden op grond van de uiterlijke verschijningvorm van de feiten en omstandigheden rondom de verleende dienst en de gedane gift een deuk oploopt. Dat vermoeden is door de verklaring van de verdachte weliswaar niet weggenomen, maar een vermoeden dat omkoping het doel was is te ver weg van de bewijsrechtelijke drempel van oogmerk.

Conclusie

Nu het vereiste oogmerk bij de verdachte niet kan worden vastgesteld, is reeds hierom het aan de verdachte onder feit 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarom daarvan worden vrijgesproken.

Feiten 2 en 3 Valsheid in geschrift en oplichting

Zaaksdossier [dossiernaam 1]

Inleiding

Op grond van de bewijsmiddelen staat het volgende vast. Aannemingsbedrijf [naam bedrijf 5] heeft van de Stichting [naam stichting 1] in 2009 opdracht gekregen voor de verbouwing van de openbare basisschool (O.B.S.) [naam school] voor een bedrag van € 165.500,-- exclusief BTW. De uitgevoerde werkzaamheden worden dienovereenkomstig gefactureerd in augustus en september 2009 en door de Stichting [naam stichting 1] betaald. Bij mail van 23 december 2010 heeft de verdachte aan [naam medeverdachte 1] een factuur van Aannemingsbedrijf [naam bedrijf 5] , gedateerd 2 juli 2010, gestuurd voor een bedrag van € 169.114,99 inclusief BTW, met als omschrijving ‘Verbouwing O.B.S. [naam school] ’ en met de vraag of de stukken zo akkoord zijn. Blijkens het projectnummer heeft deze factuur geen betrekking op [naam school] , maar op het project [projectnaam] . [naam medeverdachte 1] heeft de verdachte bij mail van 24 december 2010 geantwoord onder meer nog inschrijvingen van drie aannemers nodig te hebben.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat hetgeen onder 2 met betrekking tot zaaksdossier [naam school] ten laste is gelegd ten aanzien van de opdrachtverstrekking aan Aannemingsbedrijf [naam bedrijf 5] (tweede gedachtestreepje) niet wettig en overtuigend is bewezen. Daarom zal de verdachte daarvan zonder nadere motivering worden vrijgesproken.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat de valsheid in geschrift ten aanzien van het inschrijfbiljet van [naam bedrijf 6] en de factuur gedateerd 2 juli 2010 wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. Ten aanzien van de oplichting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld, dat dat integraal wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu de verdachte en zijn medeverdachten met hun gedragingen hebben bijgedragen aan de oplichting van [naam stichting 1] / [naam stichting 3] en/of de gemeente Rotterdam en dat het niet noodzakelijk is, dat alle gedragingen, iedere valsheid, listige kunstgreep of verdichtsel door allen in nauwe en bewuste samenwerking zijn uitgevoerd, maar dat voldoende is, dat een ieder zijn bewuste bijdrage heeft geleverd aan de oplichting in zijn geheel.

Beoordeling

- Oogmerk

Uit het dossier blijkt, dat het project [naam school] door Aannemingsbedrijf [naam bedrijf 5] overeenkomstig de opdracht is uitgevoerd en gefactureerd en dat diezelfde vennootschap het werk [projectnaam] overeenkomstig het bedrag van de begroting heeft gefactureerd en betaald gekregen van [naam stichting 1] .

Uit het dossier blijkt niet, dat [naam stichting 1] / [naam stichting 3] en/of de gemeente Rotterdam is/zijn bewogen tot betaling van enig geldbedrag, het aangaan van een verplichting of een schuld dan waartoe hij of één hunner op grond van de door genoemd aannemingsbedrijf verrichte werkzaamheden gehouden was. Reeds om die reden dient vanwege het ontbreken van het vereiste oogmerk van de onder feit 3 ten laste gelegde oplichting vrijspraak te volgen.

Voor de onder feit 2 ten laste gelegde valsheid in geschrift geldt het volgende.

- Inschrijfbiljet

[naam medeverdachte 3] heeft in een politieverhoor verklaard, dat voor dit werk geen aanbesteding heeft plaatsgevonden en dat hij op verzoek van de verdachte een reeds ingevuld inschrijfbiljet heeft getekend. Daartegenover staat de verklaring van [naam getuige] (één van de bestuurders van Aannemingsbedrijf [naam bedrijf 5] ), die bij de rechter-commissaris heeft verklaard, dat er wel een aanbesteding heeft plaatsgevonden en dat het werk conform de opdracht is uitgevoerd en gefactureerd. [naam medeverdachte 3] is bij zijn verhoor door de rechter-commissaris op zijn eerdere verklaring teruggekomen in die zin, dat hij het bedrag wel heeft ingevuld, zijn firmastempel heeft geplaatst en heeft geparafeerd, maar dat hij aan dit project niet heeft gerekend. Gelet op het voorgaande dient verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

- Factuur 2 juli 2010

De verdachte heeft verklaard deze factuur van Aannemingsbedrijf [naam bedrijf 5] te hebben ontvangen en daarop zijn firmastempel en handtekening te hebben geplaatst voor de uitvoering van het project, en die doorgestuurd te hebben aan [naam medeverdachte 1] , voor wie de stukken bestemd waren, maar dat hem destijds is ontgaan dat de omschrijving niet correspondeerde met het projectnummer.

[naam getuige] heeft als getuige bij de rechter-commissaris verklaard, dat hij [naam medeverdachte 1] alleen van naam kent en hem niet in het kader van dit project heeft gesproken of ontmoet, dat hij de factuur op verzoek van de administratie van [naam stichting 1] heeft toegestuurd aan verdachte en dat dat wel eens vaker gebeurde aan het eind van het jaar als er projecten afgesloten moesten worden of stukken kwijt waren.

Uit de bewijsmiddelen blijkt niet, dat de verdachte opzettelijk op deze factuur de omschrijving en/of de bedragen heeft aangepast en blijkt evenmin van een bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachten, zodat de verdachte ook van dit onderdeel wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken.

Conclusie

De verdachte zal van zowel de onder feit 2 ten laste gelegde valsheid in geschrift als van de onder feit 3 tenlastegelegde oplichting worden vrijgesproken.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding geldig;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. L.C. van Walree en F.W.H. van den Emster, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(zaaksdossier [dossiernaam 2] )

hij

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van juni 2009 tot en

met januari 2011 te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel en/of Schiedam

en/of Nieuwerkerk aan den IJssel, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en)

een ambtenaar - te weten [naam medeverdachte 1] - , in dienst als hoofd van de afdeling

huisvesting en/of projectmanager bij nieuwbouw c.q. renovatiewerkzaamheden

bij de [naam stichting 1] , in elk geval

enig ambtelijke functie

(een) gift(en) en /of (een) belofte(n) en/of (een) dienst(en) heeft

gedaan/verleend/aangeboden (al dan niet door middel van de/een door hem,

verdachte bestuurde vennootschap(pen) [naam bedrijf 7] en/of [naam stichting 2]

en/of (een) (andere)

vennootschap(pen) van de [naam stichting 2] ),

welke gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) aan die [naam medeverdachte 1]

heeft/hebben bestaan uit (onder meer):

- het regelen/verzorgen van een aanstelling/tewerkstelling van [naam medeverdachte 2]

bij onderneming [naam bedrijf 1] en/of [naam bedrijf 2] en/of

- het regelen/verzorgen van (maandelijkse) (salaris)betalingen aan [naam medeverdachte 2]

en/of [naam medeverdachte 1] door onderneming [naam bedrijf 1] . en/of [naam bedrijf 2]

- met het oogmerk om die ambtenaar ( [naam medeverdachte 1] ), te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen en/of na te laten, en/of

- ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door die ambtenaar ( [naam medeverdachte 1] ), in zijn huidige en/of vroegere bediening, in strijd met zijn plicht is gedaan en/of nagelaten

te weten (telkens)

het handelen in strijd met het beleid van Stichting [naam stichting 1] en/of de

aanbestedingsprocedure en/of

het (pogen te) beïnvloeden van besluitvormingsprocedures van Stichting [naam stichting 1]

en/of

het geven van een voorkeursbehandeling (anders dan om zakelijke redenen) en/of

het doen ontstaan en/of onderhouden van een relatie anders dan op basis van

objectieve gronden zou behoren;

(art 177 jo 47 WvSr)

art 177 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(zaaksdossier [dossiernaam 1] )

hij

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot

en met 11 juli 2011,

te Rotterdam en/of Capelle aan den IJssel en/of Nieuwerkerk aan den IJssel

en/of Uden en/of Veghel, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen

meermalen, althans eenmaal (telkens) (een inschrijfformulier(en) en/of (een)

opdrachtverstrekking(en)/opdrachtbrie(f)(ven) en/of (een) offerte(s) en/of

(een) factu(u)r(en), zijnde (elk) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs

van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of heeft doen opmaken

en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens)

valselijk - immers in strijd met de waarheid -

onder meer:

- het inschrijfbiljet van [naam bedrijf 8] / [naam bedrijf 6] opgesteld en/of

doen/laten opstellen en/of het bedrag reeds ingevuld en/of doen/laten

invullen terwijl geen sprake was van een bieding (p. 344)

- de opdrachtverstrekking aan Aannemingsbedrijf [naam bedrijf 5] met het

kenmerk AR-79713/B5/ [naam stichting 3] inzake SBO [naam school] (p. 335) geantedateerd en/of

doen/laten antedateren en/of doen/laten voorzien van een (gekopieerde) naam

en/of een (gekopieerde) handtekening (p. 207, 220, 234-237) en/of

- op de factuur d.d. 2 juli 2010, factuurnummer 15835 - 9800020 de

omschrijving en/of de bedragen aangepast en/of doen/laten aanpassen (p. 103,

106 e.v.)

en/of

zulks met het oogmerk om (telkens) een of meer van voormelde geschrift(en)

als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen

gebruiken;

(art. 225 jo 47 WvSr)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

(zaaksdossier [naam school] )

hij

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008

tot en met 11 juli 2011, te Rotterdam, en/of Capelle aan den IJssel en/of

Maasdam en/of Mussel en/of Soest en/of Apeldoorn en/of Nieuwerkerk aan den

IJssel en/of Uden en/of Veghel, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen

meermalen, althans eenmaal,

(telkens)

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

(telkens) door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid

en/of door één of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels,

de Stichting [naam stichting 1] en/of de [naam stichting 3]

en/of de gemeente

Rotterdam heeft/hebben bewogen tot het aangaan van (een) schuld(en) en/of

verplichting(en) voortvloeiend uit een overeenkomst, althans heeft opgelicht

tot betaling van een of meer geldbedrag(en),

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s)

met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

mbt het/de verbouwproject(en) aan/bij Openbare Basisschool [naam school]

onder meer:

- de opdrachtverstrekking aan Aannemingsbedrijf [naam bedrijf 5] met het

kenmerk AR-79713/B5/ [naam stichting 3] inzake SBO [naam school] (p. 207) geantedateerd en/of

doen/laten antedateren en/of doen/laten voorzien van een (gekopieerde) naam

en/of een (gekopieerde) handtekening (p. 207, 220, 234-237) en/of

- op de factuur d.d. 2 juli 2010, factuurnummer 15835 - 9800020 de

omschrijving en/of de bedragen aangepast en/of doen/laten aanpassen (p. 103,

106 e.v.) en/of (vervolgens)

- deze factuur in de administratie van [naam stichting 1] opgenomen en/of doen/laten

opnemen en/of geaccordeerd en/of doen/laten accorderen en/of betaalbaar

gesteld en/of doen/laten betaalbaar stellen;

waardoor [naam stichting 1] , althans de stichting en/of [naam stichting 3] , althans die dienst, althans de

gemeente Rotterdam (telkens) werd(en) bewogen tot afgifte van (een)

geldbedrag(en) en/of het aangaan van verplichting(en) en/of schulden.

(art 326 jo 47 WvSr)

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht