Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4789

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
4307697 / CV EXPL 15-31767
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:2106, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepasselijkheid algemene voorwaarden (Metaalunievoorwaarden) door stilzwijgende mondelinge aanvaarding. Matiging van op grond van Metaalunievoorwaarden verschuldigde contractuele rente en proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3614
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4307697 / CV EXPL 15-31767

datum: 23 juni 2017

vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam,

in de zaak van

de buitenlandse vennootschap

CARISMA SHIPPING AND TRADING COMPANY LTD.,

gevestigd te Saint Vincent and The Grenadines,

opposante,

gemachtigde mr. E. Spijer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARINE MAINTENANCE SERVICE B.V.,

gevestigd te Zeerijp (gemeente Loppersum),

geopposeerde,

gemachtigde mr. O. Böhmer.


Opposante zal hierna Carisma genoemd worden en geopposeerde MMS.

1 Het verloop van de procedure


Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het tussenvonnis van 13 november 2015 (hierna: het tussenvonnis) alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van Carisma van 23 november 2015;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van Carisma van 9 december 2015;

  • -

    de akte van MMS van 10 december 2015;

  • -

    de brief van de advocaat van MMS van 25 februari 2016, met bijlagen;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 maart 2016;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 22 juni 2016;

  • -

    de conclusie na enquête tevens akte quantificering nevenvordering van MMS, met zes producties;

  • -

    de antwoordconclusie na enquête tevens antwoordakte van Carisma.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling
2.1 In het tussenvonnis is MMS toegelaten tot het bewijs dat [heer x] met [heer y] op 1 november 2013 mondeling is overeengekomen dat de Metaalunievoorwaarden van toepassing zouden zijn op de overeenkomst tussen MMS en Carisma.

2.2

MMS heeft de heer [x] (hierna: [heer x] ) en de heer [z] (hierna: [heer z] ) als getuigen in enquête voorgebracht. Carisma heeft de heer [y] (hierna: [heer y] ) als getuige in contra-enquête voorgebracht.

2.3

[heer x] , directeur service engineer bij MMS, heeft als getuige het volgende verklaard:

“Begin november 2013 was ik voor de eerste keer aan boord van de Orion. Ik was gebeld door de heer [y] en op zijn verzoek aan boord gekomen in verband met een koelwaterlekkage aan de motor. Ik ben in de machinekamer geweest. Daarna hebben wij ongeveer een uur met elkaar gesproken in de kapiteinshut. Deelnemers aan dat gesprek waren naast mijzelf, de heren [y] en [z] . Wij hebben toen over elkaars achtergronden gesproken en over de motor. Ik zou werkzaamheden gaan verrichten aan twee cilinders die op dat moment lek waren. De heer [y] vroeg mij of er ook garantie was op de overige cilinders. Ik heb toen geantwoord dat wij geen garantie gaven op zaken waar we geen werkzaamheden aan verrichten. Ik heb gezegd dat de garantie overeenkomstig de Metaalunie voorwaarden was. De reactie van [heer y] was zodanig dat hij dit voor kennisgeving aannam. Hij gaf geen commentaar en zei: “is goed, oké” of woorden van gelijke strekking.

Ik blijf bij de verklaring die ik op 25 februari 2016 heb ondertekend.

U houdt mij voor dat door de heer [y] tijdens de comparitie van partijen is verklaard dat er met hem niet over garanties is gesproken en de Metaalunie voorwaarden in het eerste gesprek niet expliciet zijn genoemd.

Er is wel over de Metaalunie voorwaarden gesproken. Op de eerste factuur die aan Carisma is verstuurd staan de Metaalunie voorwaarden op de achterkant gekopieerd. De heer [y] verwijst in een schikkingsvoorstel dat hij heeft gedaan nadat de schade was ontstaan naar “reparatie onder de voorwaarden van MMS”. Daaruit blijkt mijns inziens dat hij ervan op de hoogte was dat er voorwaarden golden.

Met dit soort werk wordt met iedere nieuwe klant over dit soort voorwaarden gesproken. De verwijzing naar de Metaalunie voorwaarden komt standaard voor in ons eerste algemene praatje waarin ons bedrijf wordt voorgesteld.”

[heer z] , service engineer van MMS, heeft als getuige het volgende verklaard:

“Begin november 2013 ben ik met de heer [x] in de kapiteinshut van de Orion geweest. Wij hebben daar gesproken met de heer [y] . Dit gesprek heeft ongeveer een uur geduurd. Wij hebben ons als bedrijf voorgesteld en wat individuele informatie gegeven. Ik bedoel daarmee dat we ook verteld hebben wat voor werk wij gedaan hebben voordat we met MMS begonnen. We hebben gesproken over de eventueel te verrichten werkzaamheden aan de motor. [heer y] vroeg of er garantie was op de werkzaamheden. De heer [x] heeft toen geantwoord dat wij werken onder toepasselijkheid van de Metaalunie voorwaarden. In mijn beleving heeft de heer [y] dit voor kennisgeving aangenomen. Hij reageerde niet ontkennend of protesterend.

Op een gegeven moment heeft [heer y] gevraagd of er op de niet te openen cilinders garantie werd verstrekt. De heer [x] heeft toen geantwoord dat er geen garantie werd verstrekt over werkzaamheden die wij niet verrichten. Bij mijn weten heeft de heer [x] toen nog een keer verwezen naar de Metaalunie voorwaarden.

Ik blijf bij mijn verklaring van 25 februari 2016.”

[heer y] , gepensioneerd, heeft als getuige het volgende verklaard:

“In november 2013 heb ik MMS gebeld in verband met een koelwaterlekkage aan de motor van de Orion. De heren [x] en [z] zijn toen bij mij aan boord geweest. Zij hebben onderzoek gedaan in de machinekamer maar konden de oorzaak van de koelwaterlekkage niet vinden. Toen is besloten onderzoek daarnaar te doen. Ik heb MMS opdracht gegeven om de koelwaterpomp en de brandstofpomp te repareren. Ik heb met de heren [x] en [z] een plan van aanpak besproken. Dhr. [x] had bij dezelfde rederij gevaren als ik. De Metaalunievoorwaarden zijn in dat gesprek totaal niet genoemd. Ook de opmerking dat ik het over een garantie heb gehad is niet terecht. Er is niet over garanties gesproken. Dat ik de Metaalunievoorwaarden in de aansprakelijkstelling wel genoemd heb komt omdat ik op 13 december 2013 facturen van MMS had gekregen en op de achterkant daarvan de Metaalunievoorwaarden genoemd worden. De eerste factuur van MMS heb ik echter per e-mail ontvangen. De achterkant van de factuur was daarop niet zichtbaar. Bij mijn weten zijn de Metaalunievoorwaarden niet genoemd.”

2.4

Waar [heer y] verklaart dat tijdens het gesprek aan boord van de “Orion” met [heer x] en [heer z] in november 2013 de Metaalunievoorwaarden niet aan de orde zijn gekomen, verklaart zowel [heer x] als [heer z] specifiek en gedetailleerd dat [heer y] tijdens dit gesprek de mededeling van [heer x] over de toepasselijkheid van de Metaalunievoorwaarden voor kennisgeving aannam en tegen deze mededeling niet protesteerde.

Aangezien [heer x] ten tijde van de getuigenverhoren bestuurder was van MMS, moet zijn verklaring worden aangemerkt als die van een partijgetuige in de zin van artikel 164 Rv. Dit geldt niet voor de verklaring van [heer z] , die ten tijde van de getuigenverhoren noch bestuurder was van MMS noch op andere gronden aan de wet of de statuten van MMS bevoegdheid ontleende MMS in rechte te vertegenwoordigen. Zie HR 22 december 1995, NJ 1997, 22 en HR 22 december 1995, NJ 1997, 23. De verklaring van [heer x] strekt echter wél tot aanvullend bewijs op de verklaring van [heer z] in de zin van het tweede lid van artikel 164 Rv, aangezien deze verklaring van [heer x] zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft dat zij om de hierboven in de eerste alinea van rov. 2.4 uiteengezette redenen de verklaring van [heer z] tegenover de verklaring van [heer y] voldoende geloofwaardig maakt. Zie HR 31 maart 2995, NJ 1997, 592. MMS is dan ook geslaagd in haar bewijs dat [heer x] met [heer y] op 1 november 2013 mondeling is overeengekomen dat de Metaalunievoorwaarden van toepassing zouden zijn op de overeenkomst tussen MMS en Carisma.

2.5

Gelet op hetgeen de kantonrechter in rov. 3.7 van het tussenvonnis heeft overwogen, zijn de Metaalunievoorwaarden dan ook van toepassing op de reparatieovereenkomst tussen Carisma en MMS. Carisma is dus overeenkomstig de desbetreffende onderdelen van artikel 17 van de Metaalunievoorwaarden in beginsel rente en incassokosten verschuldigd.

2.6

In haar hiervoor onder 1.1 genoemde conclusie na enquête tevens akte quantificering nevenvordering wijst MMS de rechtbank erop dat de contractuele-rentevoet als genoemd in artikel 17.6 van de in deze zaak toepasselijke versie van de Metaalunievoorwaarden niet 10% bedraagt (rov. 3.6 van het tussenvonnis) maar 12%. Carisma heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank hiervan uitgaat.

2.7

Tot haar verweer tegen deze gevorderde contractuele rente ad 12% doet Carisma een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid en op matiging. Volgens haar is deze in de Metaalunievoorwaarden genoemde rente “exorbitant” en staat deze niet in verhouding tot de eventuele schade die MMS als gevolg van de te late betaling zou kunnen hebben geleden. Dit geldt temeer, aldus Carisma, nu de marktrente over de in het geding zijnde periode beduidend lager lag en voor het overige niets is gesteld over schade die MMS als gevolg van deze te late betaling heeft geleden.

2.8

Voor matiging door de rechter van de overeengekomen rente is ingevolge artikel 6:94 BW slechts plaats indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, met dien verstande dat hij de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet, in het geval van een betalingstekortkoming derhalve de wettelijke (handels)rente. Dit betekent dat de rechter van deze bevoegdheid tot matiging alleen gebruik kan maken als de toepassing van het beding inzake contractuele rente in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt.

2.9

Hier is sprake van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. De hoogte van de hierop toepasselijke wettelijke handelsrente, die MMS subsidiair vordert, bedraagt sinds enige tijd (circa) 8%. De wettelijke rente ex artikel 6:119 BW pleegt aanzienlijk lager te zijn. Hierbij komt dat gesteld noch gebleken is dat MMS door de te late facturenbetaling door Carisma wezenlijke schade heeft geleden. Tegen deze achtergrond is de kantonrechter met Carisma van oordeel dat de gevorderde contractuele rente ad 12% wel zéér hoog is. Daarom zal zij de door Carisma verschuldigde rente matigen tot de subsidiair gevorderde wettelijke handelsrente. Tegen de datum vanaf wanneer rente in rekening is gebracht over de facturen is geen verweer gevoerd.

2.10

Volgens MMS was ten tijde van haar inleidende dagvaarding de hoogte van de overeenkomstig artikel 17.8 van de Metaalunievoorwaarden verschuldigde kosten voor het voeren van een gerechtelijke procedure nog niet bekend en vorderde zij die kosten daarom PM, maar is deze hoogte inmiddels wél bekend, namelijk € 12.354,69. Zie randnummer 5.2 van conclusie na enquête tevens akte quantificering nevenvordering. Voor zover het hier gaat om een eisvermeerdering, althans een eiswijziging, betreft het een eisvermeerdering/eiswijziging waartegen Carisma geen bezwaar heeft gemaakt. Bovendien is deze eisvermeerdering/eiswijziging niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, zodat de rechtbank hierop recht zal doen.

2.11

Terwijl artikel 17.8 van de Metaalunievoorwaarden de verschuldigdheid regelt van kosten die zijn gemaakt voor het voeren van een gerechtelijke procedure, regelt artikel 17.7 van de Metaalunievoorwaarden de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten, waarvoor dit artikel een staffel bevat (rov. 3.6 van het tussenvonnis). Ter zake van deze buitengerechtelijke kosten vordert MMS een bedrag van € 1.287,28. Aangezien vast is komen te staan dat de Metaalunievoorwaarden in deze zaak van toepassing zijn, moet Carisma, gelet op hetgeen de rechtbank onder 2.5 van het tussenvonnis heeft overwogen, geacht worden geen verweer meer te voeren tegen deze buitengerechtelijke kosten. Dat ligt anders wat betreft bovengenoemd bedrag van € 12.354,69 dat MMS vordert als kosten voor het voeren van een gerechtelijke procedure in de zin van artikel 17.8 van de Metaalunievoorwaarden. Ter onderbouwing van deze kosten heeft MMS als productie 15 bij haar conclusie na enquête tevens akte quantificering nevenvordering overzichten in het geding gebracht van deze kosten. Tot haar verweer tegen deze vordering van € 12.354,69 betwist Carisma de juistheid van de in deze productie genoemde bestede tijd en kosten. Daarnaast voert Carisma aan - weergegeven voor zover relevant - dat het niet voor rekening en risico van Carisma komt dat stukken vertaald zijn en dat de kosten waarvan MMS vergoeding vordert niet in oorzakelijk verband staan met de onderhavige kwestie en “exorbitant” zijn.

2.12

Carisma heeft niet uiteengezet waarom de in de gedetailleerde overzichten van MMS genoemde bestede tijd en kosten niet juist zouden zijn. Datzelfde geldt voor haar argumenten dat het niet voor rekening en risico van haarzelf komt dat stukken vertaald zijn en dat de kosten waarvan MMS vergoeding vordert niet in oorzakelijk verband staan met de onderhavige kwestie. Al deze argumenten van Carisma falen derhalve.

2.13

Het staat (zakelijk opererende) partijen vrij binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) afspraken te maken over de hoogte van de verschuldigde proceskosten. In artikel 242 Rv is echter bepaald dat de rechter bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten ambtshalve kan matigen, doch niet tot onder het bedrag van de krachtens de wet te begroten proceskosten. Tot een bedrag dat lager is dan het aan advocaatkosten volgens het liquidtarief toe te wijzen bedrag kan derhalve niet gematigd worden. In het verstekvonnis is aan salaris van de gemachtigde van MMS een bedrag van € 300,-- toegewezen. Tezamen met het salaris van de gemachtigde van MMS in deze verzetprocedure zal het totale salaris van de gemachtigde van MMS dan ook zeker niet uitkomen boven een bedrag van € 1.000,--. MMS heeft met haar bovengenoemde producties aannemelijk gemaakt dat de werkelijk door haar gemaakte kosten voor het voeren van deze gerechtelijke procedure substantieel hoger zijn dan dit bedrag van € 1.000,--. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat niet gematigd dient te worden tót dit bedrag. Dat neemt echter niet weg dat voor matiging wél aanleiding bestaat vanwege de verhouding tussen het geldelijk belang van MMS bij deze procedure van (ongeveer) € 16.716,03 en de gemaakte kosten van (ongeveer) € 12.354,69. De kantonrechter matigt het door Carisma op grond van artikel 17.8 van de Metaalunievoorwaarden verschuldigde bedrag tot een bedrag van € 6.177,35, 50% van het terzake gevorderde bedrag.

2.14

Aangezien een gedeelte van het verstekvonnis niet kan standhouden, wordt uit praktische overwegingen het verstekvonnis in zijn geheel vernietigd en zal de kantonrechter opnieuw recht doen, zoals hierna is vermeld.

2.15

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Carisma in de proceskosten van de verzetprocedure worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van MMS bedragen:

- salaris gemachtigde € 450,00 (1,5 punt x € 300,00)

- totaal € 450,00.

3 De beslissing

De kantonrechter,

in oppositie:

vernietigt het op 5 juni 2015 onder zaaknummer 4146952 \ CV EXPL 15-21449 gewezen verstekvonnis;

veroordeelt Carisma in de proceskosten van de verzetprocedure ten bedrage van € 450,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Suriname Coast Traders N.V. en Carisma hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan MMS tegen kwijting te betalen € 18.003,31, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW over € 16.716,03 vanaf 30 dagen na factuurdatum tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Suriname Coast Traders N.V. en Carisma hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten ten bedrage van € 1.057,84 aan verschotten en
€ 300,00 aan salaris voor de gemachtigde;

veroordeelt Carisma om aan MMS tegen kwijting € 6.177,35 te betalen;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

463/16744