Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4694

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
10/702110-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/702110-16

Datum uitspraak: 15 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. Ö. Saki, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 juni 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. H.A. van Wijk, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 uren, te vervangen door 45 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat het niet aan de schuld van de verdachte te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, gelet op de omstandigheden waaronder haar gedragingen in het verkeer hebben plaatsgevonden.

De auto die door de verdachte is ingehaald stond drie à vier minuten stil alvorens zij haar inhaalmanoeuvre inzette. De verdachte heeft eerst nog getoeterd naar de stilstaande auto waarop niet werd gereageerd en zij heeft nog een sigaretje opgestoken waarna de verdachte haar richtingaanwijzer aandeed en de auto stapvoets inhaalde. Volgens de verdachte reed ze niet harder dan 10 à 15 kilometer per uur. Ondanks de ontstoken straatverlichting, heeft de verdachte het slachtoffer niet op de voetgangersoversteekplaats zien lopen. Het was een winterdag, het was vroeg in de ochtend en nog donker. Bovendien regende het. Wellicht heeft de verdachte het slachtoffer ook niet gezien door haar donkere huidskleur en omdat zij gekleed was in donkere kleding. Doordat de verdachte het slachtoffer niet heeft gezien, heeft zij niet kunnen afremmen.

4.1.2.

Beoordeling

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822). Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van genoemde bepaling. Voorts kan niet reeds uit de aard van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte vlak voor de voetgangersoversteekplaats, gelegen kort vóór een voor haar bekende voorrangskruising bij regenachtig weer in het donker een auto heeft ingehaald. Vervolgens heeft zij het slachtoffer - die zich bevond op de voetgangersoversteekplaats gelegen kort na de voorrangskruising, geen voorrang verleend. Zij heeft het slachtoffer aangereden, ten gevolge waarvan ij het slachtoffer letsel is ontstaan.

Gelet op de ontstoken straatverlichting nabij de betreffende voetgangersoversteekplaats had de verdachte het slachtoffer moeten zien. Dat de door de verdachte ingehaalde auto drie à vier minuten stil stond, dat de verdachte naar deze auto heeft getoeterd en een sigaretje heeft opgestoken alvorens de auto in te halen, acht de rechtbank niet aannemelijk en vindt geen steun in andere bewijsmiddelen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Het ongeval is dan ook aan verdachtes schuld is te wijten. De verdachte had anders kunnen en moeten handelen. Zij is in aanmerkelijke mate tekort geschoten in de zorgvuldigheid die van haar als bestuurder mocht worden verwacht. Door de gevolgen van deze aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft de verdachte de voetganger aangereden, waardoor laatstgenoemde letsel (een gebroken knieschijf) is bekomen, waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

4.1.3.

Conclusie

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op of omstreeks 15 januari 2016 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict 1] , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar, terwijl zij haar aandacht niet (voortdurend) op de weg en/of het verkeer en/of voetgangers vóór haar heeft gehad

-een personenauto die vóór de kruising van die [plaats delict 1] met de [plaats delict 2] , op of ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats, (kort) stilstond links heeft ingehaald en/of

-(daarbij) haar snelheid niet zodanig heeft aangepast dat zij haar voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

-(na die kruising rechtdoor te zijn overgestoken) de voetgangersoversteekplaats, gelegen ná genoemde kruising, is opgereden op het moment dat een voetganger doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en die oversteekplaats inmiddels voor een groot gedeelte was overgestoken en/of

-die voetganger niet heeft opgemerkt en die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of

-(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger, die als gevolg daarvan ten val is gekomen,

waardoor die voetganger, genaamd [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken knieschijf) of zodanig lichamelijk letsel (te weten een gebroken knieschijf) werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft vlak voor een voetgangersoversteekplaats een stilstaande auto ingehaald op een voorrangskruising bij regenachtig weer terwijl het donker was. Zij heeft hierbij een voetganger, die op een voetgangersoversteekplaats liep, over het hoofd gezien en aangereden. Dientengevolge heeft de verdachte bij de voetganger lichamelijk leed en ongemak veroorzaakt, te weten een gebroken knieschijf.

Door “redelijk hard” te rijden, zoals door het slachtoffer verklaard, en niet af te remmen vóór een voetgangersoversteekplaats heeft de verdachte zich onvoldoende bekommerd om de veiligheid en het welzijn van haar medeweggebruikers en heeft de verdachte in aanzienlijke mate de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 mei 2017 op naam van verdachte, waaruit volgt dat zij niet eerder is veroordeeld.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

De rechtbank komt tot de volgende conclusies.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Het oriëntatiepunt voor overtreding van artikel 6 WVW, waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld met lichamelijk letsel tot gevolg, is een boete van € 1.000,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden. De vraag is of er in dit geval aanleiding is om van dit vertrekpunt af te wijken. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de financiële situatie van de verdachte en de gevolgen die een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de verdachte zou hebben. De verdachte bevindt zich momenteel in een echtscheidingsprocedure. De rechtbank acht aannemelijk dat de verdachte, die als alleenstaande ouder de zorg heeft voor de opvoeding van drie kinderen, afhankelijk is van het bezit van een rijbewijs.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 (twee) jaren, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Putters, voorzitter,

en mrs. J. Bergen en H.M. Dunsbergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

primair

zij op of omstreeks 15 januari 2016 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict 1] , welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar, terwijl zij haar aandacht niet (voortdurend) op de weg en/of het verkeer en/of voetgangers vóór haar heeft gehad

-een personenauto die vóór de kruising van die [plaats delict 1] met de [plaats delict 2] , op of ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats, (kort) stilstond links heeft ingehaald en/of

-(daarbij) haar snelheid niet zodanig heeft aangepast dat zij haar voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

-(na die kruising rechtdoor te zijn overgestoken) de voetgangersoversteekplaats, gelegen ná genoemde kruising, is opgereden op het moment dat een voetganger doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en die oversteekplaats inmiddels voor een groot gedeelte was overgestoken en/of

-die voetganger niet heeft opgemerkt en die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of

-(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger, die als gevolg daarvan ten val is gekomen,

waardoor die voetganger, genaamd [naam slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken knieschijf) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

subsidiair

zij op of omstreeks 15 januari 2016 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [plaats delict 1] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar, terwijl zij haar aandacht niet (voortdurend) op de weg en/of het verkeer en/of voetgangers vóór haar heeft gehad

-een personenauto die vóór de kruising van die [plaats delict 1] met de [plaats delict 2] , op of ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats, (kort) stilstond links heeft ingehaald en/of

-(daarbij) haar snelheid niet zodanig heeft aangepast dat zij haar voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

-(na die kruising rechtdoor te zijn overgestoken) de voetgangersoversteekplaats, gelegen ná genoemde kruising, is opgereden op het moment dat een voetganger doende was die voetgangersoversteekplaats over te steken en die oversteekplaats inmiddels voor een groot gedeelte was overgestoken en/of

-die voetganger niet heeft opgemerkt en die voetganger niet heeft laten voorgaan en/of

-(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger.