Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4624

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
26-06-2017
Zaaknummer
16/8129
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Boete vanwege overtreding rusttijd binnenvaart. Verweerder heeft ten onrechte tachograafgegevens niet betrokken bij de vaststelling. In artikel 3.13, vijfde lid van het RSP is bepaald dat de naleving van de rusttijden kan worden aangetoond met een tachograaf. Onzorgvuldig onderzoek. Gegrond beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 16/8129

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. H.A. Bravenboer,

en

de Minister van Infrastructuur en Milieu, Inspectie Leefomgeving en Transport, verweerder,

gemachtigde: mr. G.H.H. Bisschoff.

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een bestuurlijke boete opgelegd van € 31.800,- voor overtreding van de bepalingen inzake rusttijd.

Bij besluit van 7 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard voor één overtreding en voor het overige ongegrond. De boete is verlaagd naar € 30.000,-.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2017. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij brief van 24 november 2015 heeft een inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport het onderzoek aangekondigd naar de naleving van de Arbeidstijdenwet (Atw) en het Arbeidstijdenbesluit vervoer (Atwv) bij eiseres. Het betrof het binnenvaartschip [naam] in de periode van 22 september 2015 tot en met 22 oktober 2015. Er zijn 24 overtredingen vastgesteld van de bepalingen inzake de rusttijd. Van het onderzoek is een boeterapport opgemaakt met de datum van 5 januari 2016.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit de boete gehandhaafd voor het 23 maal overtreden van de artikelen 5:12, tweede lid van de Atw en artikel 5.5.3, eerste lid van het Atwv.

3.1.

Eiseres betwist dat de rusttijden zijn overtreden. In de eerste plaats voert zij aan dat de regelgeving verouderd en arbitrair is. Niet de lengte van een schip zou bepalend moeten zijn voor de vraag welk regime van toepassing is maar de activiteiten waarvoor het schip wordt ingezet. De specifieke bunkerwerkzaamheden leiden er in dit geval toe dat de bemanning tijdens de vaart feitelijk wel toekomt aan een ononderbroken rusttijd zoals voorgeschreven in de Arbeidstijdenwet en de Binnenvaartwet. Bovendien vaart het schip nooit onderbemand maar overbemand met drie man aan boord, waardoor één bemanningslid kan rusten terwijl de andere bemanningsleden varen of bunkeren.

3.2.

De rechtbank overweegt dat het recht moet worden toegepast dat geldt ten tijde van de overtreding. Dat eiseres het recht verouderd acht of arbitrair kan daaraan niet afdoen. De sterkte van de bemanning moet worden vastgesteld aan de hand van artikel 5.6. van de Binnenvaartregeling. Daarin is verwezen naar artikel 3.15 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (RSP). Daarin is per exploitatiewijze aangegeven welke bemanning er aan boord moet zijn. De exploitatiewijze van het binnenvaartschip Aladin is A1.

Op grond van artikel 5.5:3, eerste lid, van het Arbeidstijdenbesluit, Exploitatiewijze A1, organiseren de werkgever en de gezagvoerend schipper de arbeid zodanig, dat een bemanningslid dat arbeid verricht bij exploitatiewijze A1 een ononderbroken rusttijd heeft van ten minste 8 uren in een aaneengesloten tijdruimte van 24 uren, te rekenen vanaf het einde van iedere ononderbroken rusttijd van ten minste 8 uren.

Op grond van het tweede lid is de in het eerste lid bedoelde rusttijd gelegen buiten de vaartijd.

Gelet daarop kan er bij exploitatiewijze A1 geen sprake zijn van rusttijd tijdens de vaart. De omstandigheid dat er meer bemanning aanwezig is dan noodzakelijk doet niet af aan de regels voor deze exploitatiewijze.

4.1.

Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte de tachograafgegevens niet bij de beoordeling heeft betrokken. Zij verwijst naar artikel 3.13, vijfde lid, van het RSP.

4.2

Op grond van artikel 3.13, eerste lid, van het RSP moet zich aan boord van een schip zoals dat van eiseres in de stuurhut een vaartijdenboek bevinden overeenkomstig het model van bijlage A1. Dit boek dient te worden bijgehouden overeenkomstig de daarin vervatte aanwijzingen. De schipper is verantwoordelijk voor de aanwezigheid van het vaartijdenboek en de aantekeningen die daarin moeten worden gemaakt. Het eerste vaartijdenboek, waarop het nummer 1, de naam van het schip en het uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) of het officiële scheepsnummer dienen te staan, moet worden afgegeven door een bevoegde autoriteit van een Rijnoeverstaat of België op vertoon van een geldig binnenvaartcertificaat.

Op grond van het vijfde lid van dit artikel kan de naleving van de rusttijden bovendien door een tachograaf worden aangetoond, die voldoet aan de technische vereisten van bijlage A3 van dit reglement. De registraties van de tachograaf moeten gedurende zes maanden na de laatste registratie aan boord worden bewaard.

4.3.

Verweerder heeft de tachograafgegevens niet in zijn beoordeling betrokken. Daartoe verwijst hij naar de toelichting van de toezichthouder J. Tergouw in de e-mail van 27 januari 2016 dat de gegevens van de tachograaf buiten beschouwing zijn gelaten, omdat daarmee niet exact kan worden vastgesteld wat de vaartijd is. Onbekend is of de tachograaf op tijd stond. Als het schip stilligt bij stroming dan kan de tachograaf toch schroefbewegingen registeren.

De toezichthouder zegt de tachograafgegevens alleen te gebruiken als er twijfel bestaat over de in het vaartijdenboek vermelde rusttijden. Bijvoorbeeld als er volgens het vaartijdenboek niet gevaren zou zijn, terwijl er wel vaartijd op de uitdraai staat.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat de tachograaf een door artikel 3.13, vijfde lid, van het RSP toegestaan bewijsmiddel is. Dat het vaartijdenboek volgens de formulering in het eerste lid moet worden bijgehouden en de naleving van de rusttijden door een tachograaf kan worden aangetoond, maakt niet dat de gegevens van de tachograaf, als daarop een beroep wordt gedaan, zonder meer buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Op andere plaatsen in de regelgeving is er wel een beslissende rol voor de tachograaf weggelegd. In exploitatiewijze A1 is het onder bepaalde voorwaarden bijvoorbeeld buiten de vaartijden toegestaan door te varen, mits een goedwerkende tachograaf aanwezig is (op grond van artikel 3.10 RSP). Niet valt in te zien waarom aan de gegevens van de tachograaf in dit geval geheel geen gewicht toekomt. De toelichting van de toezichthouder is daarvoor onvoldoende. Niet is gebleken dat onderzocht is of de tijd goed stond. Bij een controle had dat kunnen worden vastgesteld. Er zijn door verweerder geen aanwijzingen naar voren gebracht op grond waarvan hij mocht veronderstellen dat de tijdsinstelling onjuist was. Het argument dat de tachograaf bij stilliggen in de stroom ook schroefbewegingen kan registeren, zou in het nadeel van eiseres zijn, omdat dat meer vaartijd oplevert dan daadwerkelijk is gevaren. In dit geval is de stelling van eiseres juist dat minder is gevaren dan is aangetekend in het vaartijdenboek. Dat argument kan dus niet dienen om de gegevens van de tachograaf niet bij de beoordeling te betrekken.

Daar komt bij dat bij sommige door verweerder vastgestelde overtredingen kan worden getwijfeld aan de juistheid van de notering in het vaartijdenboek. Zoals bijvoorbeeld ter zitting aan de orde is gekomen, bij de gestelde overtreding op 3 oktober 2015, waarbij volgens het vaartijdenboek van 12.00 uur tot 24.00 uur van Amsterdam naar Amsterdam is gevaren. In een dergelijk geval zouden de tachograafgegevens meer inzicht kunnen geven over de daadwerkelijke vaartijd.

4.5.

Nu bij het opleggen van een boete de bewijslast op verweerder rust, en verweerder de gegevens van de tachograaf zonder goede reden categorisch heeft uitgesloten, acht de rechtbank het boetebesluit onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen, en is het besluit niet deugdelijk onderbouwd.

4.6.

Verweerder zal opnieuw, mede aan de hand van de tachograafgegevens, moeten vaststellen in hoeverre er in ieder geval afzonderlijk sprake is van een overtreding. Daartoe zal eiseres de ontbrekende tachograafgegevens dienen over te leggen. Gelet op de aard van dit onderzoek ziet de rechtbank geen mogelijkheid tot finale geschillenbeslechting.

4.7.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 7.12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.8.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

4.9.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 334,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, voorzitter, en mr. T. Boesman en mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.L.J. Spierings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.