Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4582

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
10/741073-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanwezig hebben 2 kilo heroïne en een grote hoeveelheid versnijdingsmiddelen en andere goederen in de woning in Rotterdam, ten behoeve van het op grote schaal (tientallen kilo’s) bewerken/versnijden van harddrugs. Tevens strafbare voorbereidingshandelingen voor de productie en verkoop van grotere hoeveelheden (kilo’s) harddrugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/741073-17

Datum uitspraak: 6 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Rijnmond, De Schie, locatie Rotterdam,

raadsvrouw mr. S. Splinter, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 mei 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Tiebosch heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat vrijspraak dient te volgen voor het onder 1 ten laste gelegde feit en dat partiële vrijspraak dient te volgen voor het onder 2 ten laste gelegde feit ten aanzien van de 127 kilo versnijdingsmiddelen. Volgens de verdediging had de verdachte geen wetenschap van en beschikkingsmacht over de aanwezige drugs in zijn huis en ook geen wetenschap van de grote hoeveelheid versnijdingsmiddelen. Hiertoe voert zij aan dat de verdachte niet in dezelfde kamer als de verdovende middelen is aangetroffen, [naam medeverdachte 1] een sleutel had van die kamer en deze afsloot en er geen dacty- of DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen op de verdovende middelen. Volgens de raadsvrouw is [naam medeverdachte 1] de initiator geweest en wordt dit ondersteund door de verklaringen van de moeder en de dochter van de verdachte.

4.2.2.

Beoordeling

Op 10 februari 2017 wordt, in het kader van een preventieve fouilleringsactie, een onderzoek ingesteld in een auto waarin zich, naast anderen, [naam medeverdachte 1] bevond. In de kofferbak van deze auto wordt een vuilniszak gevonden met daarin een grote hoeveelheid poeder. Dit poeder lijkt op harddrugs (heroïne) dan wel een versnijdingsmiddel. De politie onderzoekt de zaak verder, en legt een verband tussen [naam medeverdachte 1] en een woning gelegen aan de [adres delict] te Rotterdam. In deze woning wordt een onderzoek ingesteld, onder andere bestaand uit een doorzoeking. In een van de kamers (verder ook aan te duiden als: de werkruimte) op de verdieping worden materialen (o.a. zeven/schalen/bakken, pannen, mixers en een weegschaal) en chemische stoffen aangetroffen die in verband gebracht kunnen worden met het bereiden van versnijdingsmiddel voor harddrugs/heroïne. Ook wordt in deze ruimte een (relatief) kleine hoeveelheid heroïne aangetroffen. Deze werkruimte is op dat moment niet afgesloten en de sleutel zit in het slot, op de deur. Verdachte heeft verklaard dat deze kamer ook op andere momenten niet is afgesloten en dat de sleutel altijd in het slot zit. Voorts heeft hij verklaard dat [naam medeverdachte 1] sinds maanden een sleutel heeft van de woning en de werkruimte geregeld en op allerlei momenten gebruikt. Elders in de woning wordt een “drugspers” aangetroffen die eveneens in verband kan worden gebracht met de bewerking van (versneden) harddrugs. In een niet afgesloten bergkast/bergruimte wordt een aanzienlijke hoeveelheid heroïne aangetroffen, naast een grote hoeveelheid cafeïne en/of paracetamol. Bovenop een keukenkastje treft de politie een aldaar verborgen vuurwapen aan met afzonderlijk verpakte, bijbehorende, munitie. Getuige [naam getuige] verklaart dat haar partner (verdachte) en haar neef (medeverdachte [naam medeverdachte 1] ) beiden gebruik maken van de werkruimte waar de versnijdingsmiddelen werden bereid. Over [naam medeverdachte 1] wordt verder verklaard dat hij vuilniszakken met inhoud de woning heeft binnengebracht. Ook de “drugspers” (ook wel aangeduid als “het zware ding in de gang”) is volgens twee van de getuigen van [naam medeverdachte 1] . Ten aanzien van deze pers verklaart verdachte dat [naam medeverdachte 1] er voor zou zorgen dat de pers uit de woning zou worden opgehaald.

Verdachte heeft verder verklaard dat hij grote hoeveelheden “mix” maakte, een mengsel van cafeïne en paracetamol/aspirine, waaraan hij een hoeveelheid kleurstof toevoegde. In zijn verklaring ten overstaan van de politie heeft verdachte verklaard dat hij (in totaal) ruim 250 kilo “mix” heeft gemengd. In zijn verklaring ter zitting verklaart hij in totaal 9 kilo “mix” te hebben gemaakt. De rechtbank houdt verdachte op dit punt aan zijn verklaring bij de politie. De door de politie gestelde vragen zijn eenvoudig en begrijpelijk van inhoud en verdachte antwoordt telkens in duidelijke taal. Ook blijkt dat verdachte bij zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris geen bijstand van een tolk heeft (nodig) gehad. Ter zitting heeft verdachte weliswaar bijstand gehad van een tolk in de Turkse taal, maar hij heeft zich op meerdere momenten tijdens de behandeling zeer begrijpelijk uitgedrukt in het Nederlands. Met name is niet aangevoerd, of anderszins gebleken, dat verdachte zich niet juist in het Nederlands kan uitdrukken waar het gaat om getallen en hoeveelheden.

De kamer waarin (een deel van) de bewerking/verwerking van de versnijdingsmiddelen is uitgevoerd, was niet afgesloten. In een andere niet afgesloten ruimte is een grote hoeveelheid stoffen aangetroffen die, onderling gemengd, een veel gebruikt versnijdingsmiddel van heroïne opleveren. In die bergruimte is ook een grote hoeveelheid heroïne aangetroffen, een hoeveelheid die een aanzienlijke geldwaarde vertegenwoordigd. Deze omstandigheden wijzen erop dat , in elk geval, verdachten [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] deze ruimte gebruikten en dat het geen probleem was dat andere bewoners van deze woning kennis droegen van hetgeen zich afspeelde in de werkruimte. Evenmin was het voor beide verdachten een bezwaar dat versnijdingsmiddelen en gereedschap hiervoor als ook heroïne zelf elders in de woning waren opgeborgen. De verdere inrichting van de werkruimte en het aantreffen van de pers laten zien dat er in de woning niet alleen op grote schaal versnijdingsmiddelen zijn gemaakt, maar ook dat er versneden heroïne is (of ten minste kon) worden bewerkt/verwerkt. Ook het aantreffen van een aanzienlijke hoeveelheid heroïne wijst daarop.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachten [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] beiden opzettelijk de in de dagvaarding genoemde hoeveelheden heroïne en cocaïne opzettelijk aanwezig hebben gehad. Ook hebben beiden zich schuldig gemaakt aan, kort gezegd, strafbare voorbereidingshandelingen met betrekking tot middelen van lijst I van de Opiumwet.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

Primair

hij op 10 februari 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ( in totaal) ongeveer 2.052,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en

- ongeveer 0,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne

zijnde heroïne en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

Primair

hij op 10 februari 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne

en cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden

- 136 kilogram versnijdingsmiddelen, en

- een pers, en/of

- een mixer, en

- een of meer zeven,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader wist(en) dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

2.

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachten, [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] hebben zich samen schuldig gemaakt aan het bezit van een grote hoeveelheid versnijdingsmiddelen en een hoeveelheid heroïne/cocaïne. In het huis waarin de middelen zijn aangetroffen, zijn ook veel andere goederen aangetroffen die bestemd zijn om grote hoeveelheden harddrugs mee te bereiden. In combinatie met de grote hoeveelheden versnijdingsmiddelen en de drugs kan geconcludeerd worden dat zich in het huis een professioneel ingerichte productielijn voor (het versnijden van) heroïne bevond. Derhalve zijn de verdachten ook schuldig bevonden aan voorbereidingshandelingen ten behoeve van de productie en verkoop van harddrugs.

Door dit handelen hebben de verdachten zich begeven op het terrein van de omvangrijke handel in verdovende middelen. Ze hebben aldus een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door de verspreiding en het gebruik van harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Ten slotte leidt handel in en gebruik van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. De verdachten hebben hiervoor geen oog gehad en waren kennelijk slechts uit op eigen financieel voordeel.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 april 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclassering Nederland, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 25 april 2017. Dit rapport houdt – onder meer - het volgende in.

De ontkenning van de verdachte maakt dat de reclassering in concluderende zin geen goede inschatting kan maken van wat er mogelijk ten grondslag heeft gelegen aan de feiten, wel kan worden vastgesteld dat er problemen zijn op financieel gebied. Vanwege een bedrijfsongeval heeft de verdachte blijvend letsel aan zijn been overgehouden, waardoor hij een WAO-uitkering ontvangt. Hij zit al geruime tijd zonder dagbesteding, maar hij geeft aan via zijn neef werk te hebben geregeld bij een gezondheidscentrum. Positief is dat hij beschikt over huisvesting en een steunend netwerk heeft, zijn gezin.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (groten)deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer vergelijkbare soortgelijke zaken zijn opgelegd.

De straf zoals geëist door de officier van justitie, doet recht aan ernst en omvang van de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank acht die straf daarom passend en geboden, en zal die straf dus ook opleggen. Het voorwaardelijk gedeelte van de straf dient mede om verdachte er in de proeftijd van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a van de Opiumwet.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden,

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en G.P. van de Beek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.A. Verkerk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 10 februari 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ( in totaal) ongeveer 2.052,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of

- ongeveer 0,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 750 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde heroïne en/of cocaïne en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair

[naam medeverdachte 1] en/of een of meer (tot op heden) onbekend gebleven anderen op of omstreeks 10 februari 2017 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ( in totaal) ongeveer 2.052,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of

- ongeveer 0,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 750 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 10 februari 2017 te Rotterdam, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door aan die [naam medeverdachte 1] en/of een of meer onbekend gebleven anderen een kamer en/of een kast van zijn, verdachtes, woning ter

beschikking te stellen;

2.

Primair

hij op of omstreeks 10 februari 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van

Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne

en/of cocaïne en/of amfetamine, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of amfetamine

(een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen

- 136 kilogram versnijdingsmiddelen, en/of

- een pers, en/of - een of meer mixers, en/of

- een of meer zeven,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

Subsidiair

hij op of omstreeks 10 februari 2017 te Rotterdam om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne en/of amfetamine, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte aan [naam medeverdachte 1] en/of een of meer onbekend gebleven anderen een kamer van zijn, verdachtes, woning ter

beschikking gesteld;

3.

hij op of omstreeks 10 februari 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een revolver van het merk Amadeo, type Rossi, kaliber .38 special, en/of 5 (bijbehorende) kogelpatronen, voorhanden heeft gehad;