Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:458

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
10/993200-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MEGA Elwood. Veroordeling voor deelname aan een criminele organisatie en valsheid in geschrift. Toerekening aan de rechtspersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/993200-07

Datum uitspraak: 17 januari 2017

Tegenspraak (art. 279)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:

[verdachte] , voorheen [verdachte] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gemachtigde raadslieden mr. B.C.W. van Eijck, mr. K. Versteeg en mr. A.S. ten Doesschate, advocaten te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 november 2016, 5 december 2016, 8 december 2016 en van 17 januari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte rechtspersoon is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 31 mei 2016, respectievelijk 28 november 2016 overeenkomstig de vorderingen van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. van de Kerkhof heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete ter hoogte van € 100.000,- .

4 Geldigheid dagvaarding

4.1.

Standpunt verdediging

Bepleit is dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde nietig dient te worden verklaard. [verdachte] (hierna: [verdachte] /de verdachte) wordt verweten het “voorhanden hebben” van valse geschriften, welke terminologie aansluit bij het bepaalde in artikel 225 lid 2 Sr. De vindplaats van de geschriften wordt specifiek genoemd, te weten in de “administratie” van de verdachte. Het opnemen van valse geschriften in een bedrijfsadministratie levert echter op een actieve vervalsingshandeling als bedoeld in artikel 225 lid 1 Sr. Het opnemen van deze twee verschillende verwijten binnen hetzelfde tenlastegelegde feit maakt dat de dagvaarding in zoverre innerlijk tegenstrijdig is.

4.2.

Beoordeling

Het onder 2 primair tenlastegelegde houdt in het verwijt dat de verdachte (in diens bedrijfsadministratie) valse documenten voorhanden heeft gehad. Het bevat echter niet het verwijt dat de verdachte deze valse documenten in haar bedrijfsadministratie heeft opgenomen danwel verwerkt; dat verwijt wordt de verdachte onder 2 subsidiair gemaakt. Anders dan de verdediging heeft bepleit is het dus niet zo dat het onder 2 primair tenlastegelegde delicten als bedoeld in zowel artikel 225 lid 1 Sr als artikel 225 lid 2 omvat. Van enige innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake. De dagvaarding is geldig.

5 Ontvankelijkheid openbaar ministerie

5.1.

Standpunt verdediging

Namens de verdachte is bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Daartoe zijn de volgende verweren naar voren gebracht:

- tegen de verdachte bestond geen redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering (Sv) bij aanvang van het onderzoek, en voor zover dat er wel zou zijn geweest:

- het strafrecht en daarmee samenhangende strafvorderlijke bevoegdheden zijn ingezet jegens de verdachte terwijl -voor zover aan de orde- uitsluitend bestuursrechtelijke handhaving was toegestaan;

- de officier van justitie heeft de raadsman geweigerd om aanwezig te zijn bij de doorzoeking op de locatie van de verdachte;

- een groot aantal geheimhoudersgesprekken zijn niet tijdig vernietigd;

- er is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn.

Er zijn aldus tijdens het voorbereidend onderzoek vormen ernstig verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld. Deze vormverzuimen, ieder voor zichzelf maar zeker in onderlinge samenhang bezien, maken dat geen sprake meer kan zijn van een behandeling van deze zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Toepassing van het Zwolsman-criterium, voor zover het betreffende verzuim zich tijdens het voorbereidend onderzoek heeft voorgedaan, maakt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

5.2.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat de door de verdediging gepresenteerde verzuimen, voor zover deze zich al zouden hebben voorgedaan, op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien, haar vervolgingsrecht kunnen aantasten.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Inleiding

Deze strafzaak heeft, dat behoeft welhaast geen betoog, een lange voorgeschiedenis.

Op 30 mei 2006 wordt de verdachte voor het eerst tastbaar geconfronteerd met de inzet van strafvorderlijke bevoegdheden. De eerste (regie)zitting vindt vervolgens plaats op 24 april 2008. Twee weken later maakt de rechtbank haar beslissingen kenbaar omtrent de ingediende onderzoekswensen. Tijdens de daaropvolgende regiezitting van 4 februari 2009 wordt vastgesteld dat de toegewezen onderzoekswensen zijn vervuld zodat een inhoudelijke behandeling kan worden ingepland. Zover komt het niet. Er ontstaan vermoedens dat vormvoorschriften rondom het vernietigen van geheimhoudersgesprekken niet zijn nageleefd. Om die reden wordt op 28 september 2009 een regiezitting ingelast en worden nieuwe onderzoekswensen gepresenteerd. Op 15 oktober 2009 beslist de rechtbank dat een aantal getuigen moeten worden gehoord. Tijdens de (regie)zitting van 18 februari 2011 worden nieuwe onderzoekswensen ingebracht. Deze worden op 17 maart 2011 allemaal afgewezen.

Tijdens de zitting van 8 december 2011 voert de verdediging preliminair verweer. Bij eindvonnis van 12 januari 2012 wordt het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. Kort gezegd (een en ander wordt hieronder nog uitvoeriger besproken) wegens de niet-naleving van de voorschriften rondom de vernietiging van geheimhoudersgesprekken.

Het openbaar ministerie gaat tegen dit vonnis in hoger beroep. De uitspraak van 12 januari 2012 wordt door het Hof Den Haag bij arrest van 16 oktober 2013 vernietigd. Het Hof stelt vast dat het niet tijdig vernietigen van de geheimhoudersgesprekken een onherstelbaar vormverzuim oplevert maar dat dit verzuim uiteindelijk niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Dat oordeel wordt gehandhaafd ook na de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. De zaak wordt terugverwezen naar deze rechtbank.

Tegen dit arrest wordt door de verdediging cassatie ingesteld. Bij arrest van 13 mei 2014 wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het beroep omdat geen cassatieschriftuur was ingediend.

Op 3 mei 2016 en 31 mei 2016 vinden regiezittingen plaats bij deze rechtbank. De zaak is vanaf 28 november 2016 inhoudelijk behandeld.

De rechtbank wijst heden, 17 januari 2017, vonnis.

5.3.2.

Overschrijding van de redelijke termijn

Zowel de officier van justitie als de verdediging stellen zich op het standpunt dat in dit onderzoek de redelijke termijn in forse mate is overschreden. Gelet op het hierboven geschetste tijdsverloop komt de rechtbank tot diezelfde vaststelling. Dat kan ook niet anders: ruim tien en een half jaar na 30 mei 2006 is de rechtbank nu tot een eindvonnis gekomen.

Anders dan de verdediging voorstaat kan dat het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie echter niet aantasten. De Hoge Raad heeft immers bij haar arrest van 17 juni 2008 (NJ 2008, 358) geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Dit is sindsdien bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie ook: HR 8 september 2015; NJ 2016, 40).

De rechtbank acht geen termen aanwezig om hiervan af te wijken. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Wel is het zo dat de nadelige gevolgen van dit verzuim dienen te worden gecompenseerd. Indien de rechtbank daar aan toe zou komen, zal dat bij het bepalen van de strafmaat aan de orde komen.

5.3.3.

Rechtmatigheid van de inzet van het strafrecht

De verdediging heeft betoogd dat het strafrecht niet had mogen worden ingezet. De rechtbank legt de twee daartoe strekkende verweren als volgt uit. Primair was bij aanvang van het onderzoek geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld en subsidiair had niet het strafrecht maar het bestuursrecht moeten worden ingezet.

Enkele achtergronden moeten bij de beoordeling van deze verweren worden betrokken.

Op 8 oktober 2001 heeft een controle plaatsgevonden bij de verdachte. Deze werd uitgevoerd door het Westland Interventie Team (WIT) om na te gaan of aldaar tewerk waren gesteld –kort gezegd- illegalen en/of vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning (twv). Na deze actie heeft het WIT een rapportage opgesteld. Daaruit blijkt het navolgende. Er zijn 146 personen gecontroleerd. Van hen waren 100 niet gerechtigd om te werken omdat voor hen geen tewerkstellingsvergunning was afgegeven. Van die 100 waren 96 illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen; de overige 4 waren wel legaal in Nederland maar mochten niet werken. Uit de administratie van de verdachte blijkt onder meer dat via [bedrijf 1] personeel door [Uitzendbureau 1] ( [Uitzendbureau 1] ) beschikbaar was gesteld. De urenlijst van [Uitzendbureau 1] betrekking hebbende op week 41 van 2001 is onderzocht. Vast is gesteld dat die urenlijst vermoedelijk valselijk was opgemaakt. Zo is gebleken dat een aantal op die lijst genoemde personen feitelijk niet had gewerkt.

[Uitzendbureau 1] is de oude statutaire naam (13 juni 2000 tot en met 25 januari 2001) en de oude handelsnaam (13 juni 2000 tot en met 17 november 2003) van [Uitzendbureau 2] geweest. [Uitzendbureau 2] is de eenmanszaak die sinds 9 oktober 2000 wordt gedreven voor rekening van (medeverdachte) [medeverdachte 1] .

Op 30 november 2004 ontving de SIOD een fraudemelding van de CIE Rotterdam-Rijnmond. De inhoud van deze CIE-melding is als volgt:

Bij het bedrijf [verdachte] , gevestigd aan de [vestigingsplaats] werken iedere avond ongeveer 20 personen. Het gaat om illegalen en zwartwerkers, meestal Turken en Bulgaren die omstreeks 18:00 worden gebracht en om ongeveer 5:00 uur worden opgehaald. [medeverdachte 1] is de koppelbaas die deze mensen levert en hij zorgt dat zij gebracht en gehaald worden. [medeverdachte 1] heeft geen uitzendbureau en maakt gebruik van het telefoonnummer 06-53424837. De eigenaar weet dat de werknemers illegaal zijn of zwart werken want hij betaalt voor deze werknemers een laag uurloon. Bij het bedrijf werken ook mensen "wit" maar die werken in de ochtenduren.

Vervolgens werd nader onderzoek verricht naar “ [medeverdachte 1] ”. Het in de melding genoemde telefoonnummer bood daarbij uitkomst. Dit nummer stond op naam van [Uitzendbureau 2] , zijnde zoals hierboven al opgemerkt, de eenmanszaak van (medeverdachte) [medeverdachte 1] .

Maar er is meer. De hierboven geschetste bevindingen van de WIT zijn vervolgens ook betrokken bij het bepalen of er een voldoende vermoeden van schuld jegens de verdachte bestond. De inhoud van de CIE-melding, de identificatie van de daarin genoemde “ [medeverdachte 1] ” als zijnde [medeverdachte 1] en de bevindingen van de WIT moeten in onderlinge samenhang worden bezien. Op grond daarvan kon worden vermoed dat [medeverdachte 1] in 2004 net als in 2001, toen middels [Uitzendbureau 1] , personeel aan de verdachte leverde dat niet gerechtigd was om te werken en dat ter verhulling daarvan documenten werden vervalst. Daardoor kon redelijkerwijs worden vermoed dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan strafbare feiten, in elk geval te weten: overtreding van artikel 197b (illegale vreemdeling arbeid laten verrichten) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 225 Sr (valsheid in geschrift).

Op 17 december 2004 werd op basis van dit vermoeden de eerste strafvorderlijke bevoegdheid ingezet. Dat was, gelet op het bovenstaande, toegestaan.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat de bevindingen van de WIT niet hadden mogen worden betrokken bij de beoordeling of jegens de verdachte een redelijk vermoeden van schuld terzake enig strafbaar feit bestond. Anders dan de verdediging stelt, was dat toegestaan. Dat op dat moment een strafzaak liep jegens de verdachte, waarvan genoemde bevindingen deel uitmaakten, vormt in deze geen beletsel.

Uiteindelijk is de verdachte bij vonnis van 22 december 2005 vrijgesproken, welk vonnis twee weken later onherroepelijk is geworden. Volgens de verdediging had in elk geval vanaf dat moment de inzet van strafvorderlijke bevoegdheden jegens verdachte moeten worden gestaakt; de bevindingen van de WIT waren onderdeel van die strafzaak en konden dus vanaf dat moment niet (meer) bijdragen tot het oordeel dat sprake zou zijn van een redelijk vermoeden van schuld.

De rechtbank kan de verdediging hierin niet volgen.

De verdenkingen jegens de verdachte waren voor het einde van 2005 alleen maar sterker geworden. Kortheidshalve wordt gewezen op:

- de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de periode van 9 november 2005 tot en met 7 december 2005;

- de CIE-melding van 10 maart 2005 en 12 december 2005;

- de bevindingen volgende uit de stelselmatige observatie op de locatie van de verdachte in de periode van 25 mei 2005 tot en met 9 juni 2005.

Wellicht ten overvloede kan gelden dat de rechtbank in genoemde vrijspraak geen oordeel heeft gevormd omtrent de onregelmatigheden die de WIT in 2001 had vastgesteld. Reden van de vrijspraak was namelijk dat niet kon worden vastgesteld voor welke bedrijfsentiteit (de besloten vennootschap of de vennootschap onder firma) de gewraakte personen werkzaam waren.

Gelet op al het bovenstaande wordt het primaire onderdeel van het verweer verworpen.

Ten aanzien van het subsidiaire onderdeel geldt het volgende.

Ervan uitgaande dat de verdenking jegens de verdachte uitsluitend betrof het tewerkstellen van illegale vreemdelingen, had volgens de verdediging uitsluitend het bestuursrecht ter handhaving mogen worden ingezet. Dit was volgens de verdediging ook de bedoeling van de wetgever met de inwerkingtreding per 1 januari 2005 van de Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen. Het komt er op neer dat artikel 2 van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) in dat geval dient te prevaleren boven de strafbepaling in artikel 197b Sr.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Allereerst, zo is hierboven vastgesteld, was de verdenking niet beperkt tot de overtreding van het bepaalde in artikel 197b Sr. De verdenking strekte zich namelijk ook uit tot artikel 225 Sr. De premisse die aan het verweer ten grondslag ligt is dus onjuist.

Voorts betrof de verdenking jegens de verdachte niet enkel de illegale tewerkstelling van vreemdelingen, waar de WAV op ziet, maar – zo volgt uit de CIE-melding van 30 november 2004 – betrof de verdenking ook de tewerkstelling van ‘illegalen’, waarop artikel 197b Sr specifiek ziet.

Tot slot wordt in verband met voorgaande erop gewezen dat artikel 197b Sr en artikel 2 WAV dienen ter bescherming van verschillende belangen. De in artikel 197b Sr omschreven misdrijven betreffen vergrijpen die het beleid om illegaal verblijf in Nederland tegen te gaan frustreren en een acute gevaarzetting opleveren voor de publieke kas. Artikel 2 WAV strekt tot het tegengaan van verdringing van legaal arbeidsaanbod, overtreding van normen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en concurrentievervalsing (HR 9 februari 2016; NJ 2016, 143).

5.3.4.

Weigering aanwezigheid raadsman bij de doorzoeking

Op 30 mei 2006 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het bedrijfsterrein van de verdachte. De verdediging stelt dat zij, in de persoon van mr. Van Eijck, de zaaksofficier van justitie mr. Appels had gebeld om zich te stellen als raadsman en om vervolgens een van zijn “kantoorgenoten” toegang te laten verlenen tot de doorzoeking. Volgens de verdediging werd dat door de officier van justitie geweigerd met de mededeling dat de “kantoorgenoot” door de aanwezige ME zou worden “tegengehouden”. Mr. Appels heeft een andere lezing omtrent de gebeurtenissen. Volgens hem had mr. Van Eijck niet gespecificeerd dat het ging om een “kantoorgenoot” in de zin van een advocaat maar om “twee medewerkers”, reden voor hem om mede te delen dat er geen toegang zou worden verleend.

De exacte toedracht valt niet te reconstrueren. Feit is wel dat na het telefoongesprek met de officier van justitie de raadsman, dan wel diens waarnemer, besloten heeft om niet (alsnog) ter plekke te verschijnen.

Ingevolge artikel 99a Sv is de verdachte bevoegd zich tijdens de doorzoeking te laten bijstaan door een raadsman. Deze bevoegdheid impliceert geen recht op aanwezigheid. Echter, indien vast zou komen te staan dat de officier van justitie -op onterechte gronden- de raadsman de toegang tot de doorzoeking heeft belet levert dat een vormverzuim op. Evenwel is niet is gebleken van enig concreet nadeel dat de verdachte daardoor heeft ondervonden. De verdediging heeft nog gesteld dat ontlastend materiaal ter plekke aan de politie had kunnen worden verstrekt. Dit verweer treft geen doel. Het bedoelde document, een door de verdachte aan de WIT en Belastingdienst toegezonden draaiboek, is immers op een later moment door de verdediging gevoegd aan het dossier.

Dit tot niet-ontvankelijkheid strekkende verweer wordt verworpen.

5.3.5.

Ontijdige vernietiging geheimhoudersgesprekken

Het staat vast dat in dit onderzoek geheimhoudersgesprekken niet tijdig zijn vernietigd. Het Hof Den Haag heeft in haar arrest van 16 oktober 2013 daarover het volgende bevonden. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 126aa Sv is geschonden en dat levert een onherstelbaar vormverzuim op. Het Hof heeft echter beslist dat zulks in deze zaak niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 423 lid 2 Sv aan dit oordeel gebonden.

5.3.6.

Conclusie

Zowel de forse termijnoverschrijding alsmede de ontijdige vernietiging van de geheimhoudersgesprekken kunnen, ook in onderlinge samenhang bezien, niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Nu er evenmin andere gronden zijn die de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan, is zij ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

6 Vrijspraak

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

7 De bewezenverklaring

7.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben bepleit dat de verdachte, zijnde een rechtspersoon, dient te worden vrijgesproken van al het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Daartoe is het navolgende aangevoerd.

Voor zover al sprake zou zijn geweest van een criminele organisatie (feit 1) beoogde deze hoogstens vervulling van het misdrijf valsheid in geschrift. De verdachte heeft echter niet deelgenomen aan die organisatie. Voor zover dat toch zou zijn te bewijzen heeft te gelden dat de pleegperiode aanzienlijk korter dient te zijn dan is tenlastegelegd.

Er is onvoldoende bewijs voorhanden dat een of meerdere werknemers van de verdachte zich schuldig zouden hebben gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift (feit 2). Voor zover dat anders zou zijn kan die strafbare gedraging niet aan de verdachte worden toegerekend.

Erkend wordt dat medeverdachte [medeverdachte 3] belastend jegens medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] heeft verklaard maar betoogd is dat aan zijn verklaringen wegens onbetrouwbaarheid geen bewijswaarde mag worden toegekend.

7.2.

De vaststaande feiten

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvragen.

In de ten laste gelegde periode van 1 januari 2003 tot en met 30 mei 2006 hield de verdachte zich – kort gezegd – bezig met het uitoefenen van een tuinbouw-en kwekerijbedrijf. Om de door haar gekweekte tomaten te plukken, te verwerken en te verpakken huurde zij personeel in via verschillende uitzendbureaus waaronder [Uitzendbureau 3] ( [Uitzendbureau 3] ) en [Uitzendbureau 4] [Uitzendbureau 3] werkte in dit verband samen met de eenmanszaak [Uitzendbureau 2] , die – kort gezegd – belast was met het werven, vervoeren en uitbetalen van het door [Uitzendbureau 3] uitgeleende personeel.

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] waren destijds directeuren van/verantwoordelijken voor de verdachte. Voor de verdachte waren verder – voor zover hier van belang – werkzaam [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . [medeverdachte 3] was sinds 1 juni 2003 bestuurder en vanaf 24 november 2004 tevens enig aandeelhouder van [Uitzendbureau 3] . [medeverdachte 1] was eigenaar van [Uitzendbureau 2] . Zijn zoon, [medeverdachte 2] , werkte mee in het bedrijf van zijn vader. [medeverdachte 6] was (indirect) bestuurder van [Uitzendbureau 4] . [getuige 1] was werkzaam voor [Uitzendbureau 4] . [medeverdachte 7] , mede-eigenaar van het accountantskantoor [Bedrijf] , verzorgde de boekhouding van [Uitzendbureau 3] en [Uitzendbureau 4] .

Het registreren van de namen en de gewerkte uren van werknemers die namens [Uitzendbureau 3] / [Uitzendbureau 2] werkzaam waren bij de verdachte ging als volgt. De namen en de gewerkte uren van werknemers werden op lijsten geschreven door voormannen van [Uitzendbureau 2] . Dit waren de handgeschreven urenlijsten. Deze handgeschreven urenlijsten werden gecontroleerd door [betrokkene 2] , waarna hij de totalen aan gewerkte uren invulde. Vervolgens werden deze handgeschreven urenlijsten vanaf een kantoor bij de verdachte per fax verzonden naar [medeverdachte 3] . Aan de hand van de gegevens maakte [medeverdachte 3] op zijn computer weekoverzichten. Vervolgens bewerkte [medeverdachte 3] de inhoud van deze weekoverzichten. Daartoe gebruikte hij het computerprogramma “Puzzle” dat aan hem geleverd was door het softwarebedrijf [Bedrijf 2] , waarvan [medeverdachte 7] mede-aandeelhouder en directeur was. [medeverdachte 3] bewerkte de lijsten door in voorkomende gevallen onder andere het aantal uren dat per werknemer was gewerkt te wijzigen en de namen van werknemers te wijzigen. Er zijn namen en/of uren van personen die wel gewerkt hadden weggehaald en uren weggeschreven op personen die feitelijk niet werkzaam zijn geweest. De laatste categorie personen betreft de zogenaamde “boekers”. De nieuw gegenereerde gegevens werden vervolgens door [medeverdachte 3] overgenomen in het programma “Uren”. Het resultaat van deze verwerking werden de manurenstaten genoemd. Door [medeverdachte 3] werd per week een factuur opgemaakt naar aanleiding van de door hemzelf opgestelde urenlijsten en werd een afschrift van deze door hem opgestelde urenlijst, genaamd bijlage manurenstaten, bij de desbetreffende factuur gezonden naar de verdachte. De werknemers die daadwerkelijk hadden gewerkt, werden aan de hand van de gegevens op de handgeschreven urenlijsten uitbetaald door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] .


De SIOD heeft de inhoud van de handgeschreven urenlijsten vergeleken met de uiteindelijke manurenstaten. Gebleken is dat de inhoud van de handgeschreven urenlijsten sterk afwijkt van de manurenstaten die voor de betreffende week door [Uitzendbureau 3] aan de verdachte zijn verzonden. Gebleken is dat in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 mei 2006 de wijze waarop de bij de verdachte namens [Uitzendbureau 3] werkzame personen uiteindelijk werd geadministreerd op grote schaal niet overeenkwam met de werkelijkheid (welke geacht wordt te zijn vertegenwoordigd in de handgeschreven urenlijsten).

Het registreren van de namen en de gewerkte uren van werknemers die namens [Uitzendbureau 4] werkzaam waren bij de verdachte ging als volgt. De namen en de gewerkte uren van werknemers werden op handgeschreven urenlijsten bijgehouden door voormannen van [Uitzendbureau 4] . Deze lijsten werden door [medeverdachte 6] of [getuige 1] opgehaald bij de verdachte. [getuige 1] maakte vervolgens de uiteindelijke manurenstaten op en verstuurde die naar [betrokkene 2] . Bij [Uitzendbureau 4] is ook het programma Puzzle op een computer aangetroffen.

Als verdachten in dit onderzoek zijn, naast de verdachte, aangemerkt [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] . Aan ieder van hen is ten laste gelegd dat zij/hij met de andere verdachten heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had – kort gezegd – het tewerkstellen van illegale vreemdelingen in de zin van artikel 197b Sr, het plegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk niet dan wel onjuist doen van belastingaangifte. Tevens is aan ieder van hen, met uitzondering van [medeverdachte 7] , ten laste gelegd dat zij/hij zich – in voorkomend geval als feitelijk leidinggevende van de desbetreffende vennootschap – met anderen heeft schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift.

Eerder zijn ook als verdachten aangemerkt onder meer [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [getuige 1] .

Naast het verhoren van alle hiervoor genoemde verdachten bestaat het onderzoek Elwood onder meer uit een onderzoek naar de administratie van de hiervoor genoemde ondernemingen, onderzoek en analyse van afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken

en het verhoren van een groot aantal getuigen.

7.3.

Verklaringen medeverdachten

In het dossier zijn door meerdere medeverdachten verklaringen afgelegd. In sommige gevallen hebben deze medeverdachten zichzelf maar ook anderen belast. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat behoedzaam en met enige terughoudendheid met deze verklaringen dient te worden omgegaan. Medeverdachten kunnen immers – ook als ze tevens zichzelf belasten – een belang hebben om hun eigen rol kleiner te maken en de rol van andere medeverdachten groter.

Gelet hierop zal de rechtbank ervan uitgaan dat de namens de verdachte betwiste delen van de verklaring van een medeverdachte slechts dan voor het bewijs bruikbaar zijn als daarvoor steunbewijs uit een andere bron aanwezig is. Dit kunnen de verklaringen van één of meer andere medeverdachten zijn, maar ook verklaringen van getuigen, de inhoud van een tapgesprek of ander schriftelijk bewijs. Tevens kan uit een samenstel van omstandigheden in sommige gevallen worden afgeleid dat het niet anders kan dan dat een betwist deel van een verklaring van een medeverdachte, die niet direct wordt ondersteund door ander bewijs, toch juist is. Ook in die gevallen acht de rechtbank dat deel van die verklaring bruikbaar voor het bewijs.

Anders dan de verdediging voorstaat zullen onderdelen van hetgeen medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard worden gebezigd voor het bewijs. Aan de verdediging moet worden toegegeven dat [medeverdachte 3] op momenten wisselend en soms ook tegenstrijdig heeft verklaard. Daar staat tegenover dat de bepleite bewijsuitsluiting van al hetgeen hij heeft verklaard niet aan de orde is. Een aantal essentiële onderdelen in zijn afgelegde verklaringen vinden namelijk steun in andere bewijsmiddelen. Kortheidshalve wordt gewezen op: de wijze waarop hij daadwerkelijk gewerkte uren manipuleerde, de daaraan ten grondslag liggende handgeschreven urenlijsten welke vanaf een kantoor van de verdachte werden gefaxt en de intensieve contacten tussen hem en [betrokkene 1] op de werkvloer bij de verdachte.

7.4.

Criminele organisatie (feit 1)

Onder organisatie, als bedoeld in artikel 140 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht wordt verstaan een samenwerkingsverband van tenminste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is in het algemeen vereist dat de verdachte tot deze organisatie behoort en dat de verdachte een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het hebben van een aandeel in en het ondersteuning geven aan die gedragingen veronderstellen opzet. Niet is vereist dat komt vast te staan dat de verdachte heeft samengewerkt, althans bekend is geweest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin is vereist dat de verdachte wetenschap heeft van een of meer concrete misdrijven.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt een beeld naar voren van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband van een aantal personen uit de omgeving van het Westland dat zich in de jaren 2003 tot en met 30 mei 2006 heeft bezig gehouden met – kort gezegd - het valselijk opmaken van diverse documenten.

Ook de verdachte heeft, zo zal hieronder nader uiteen worden gezet, deelgenomen aan deze criminele organisatie doordat de hieronder nog te beschrijven strafbare gedragingen verricht door haar medewerker [betrokkene 1] aan haar toe te rekenen valt.

De organisatie had tot oogmerk het plegen van valsheid in geschrift. Nu de wijze waarop de bij de verdachte vanuit de uitzendbureaus werkzame personen uiteindelijk werden geadministreerd niet overeenkwam met de werkelijkheid, bestond het oogmerk van de organisatie tevens uit het opzettelijk niet dan wel onjuist en/of onvolledig doen van de bij de belastingwet voorziene aangiftes.

Niet wettig en overtuigend is bewezen dat dit samenwerkingsverband tot oogmerk had het tewerk stellen van personen die niet rechtmatig in Nederland verbleven, als bedoeld in artikel 197b Sr. De enkele tapgesprekken waarin door de verdachte of anderen in enige vorm over “illegalen” wordt gesproken zijn in dit verband onvoldoende om tot een bewezenverklaring van dit punt te komen. In die gesprekken zouden met die aanduiding immers ook personen kunnen worden bedoeld die wel in Nederland mochten verblijven, maar niet mochten werken. Voor laatstgenoemde uitleg is steun te vinden in de verklaringen van medeverdachten. Ander bewijs waaruit blijkt dat sprake was van het tewerk stellen van personen als bedoeld in artikel 197b Sr ontbreekt.

7.5.

Toerekening aan de rechtspersoon (feit 1 en 2 subsidiair)

Teneinde de vraag te kunnen beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de strafbare feiten zoals ten laste gelegd onder 1 en 2 subsidiair, dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van een strafbare gedraging van een natuurlijk persoon, waarmee wordt voldaan aan de ten laste gelegde strafbare feiten en die kan worden toegerekend aan de verdachte als rechtspersoon. Met andere woorden, kan de verdachte als rechtspersoon als functioneel dader van deze strafbare feiten worden aangemerkt?

Functioneel daderschap rechtspersoon

Uit de wetsgeschiedenis en vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  1. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  2. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon;

  3. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening;

  4. e rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend.

De concrete omstandigheden van dit geval I

Zoals hiervoor omschreven bestonden de strafbare gedragingen uit het valselijk opmaken van urenstaten door [Uitzendbureau 3] en [Uitzendbureau 4] , met betrekking tot uitzendkrachten die werkzaam waren bij de verdachte, en welke urenstaten in de administratie van de verdachte werden opgenomen. Hiervoor is in dit kader al vastgesteld dat sprake was van een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van valsheid in geschrift en het handelen in strijd met artikel 69 AWR.

De strafbare feiten vonden dus plaats met betrekking tot de bij de verdachte tewerkgestelde uitzendkrachten. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verantwoordelijkheid voor de ingeleende uitzendkrachten binnen de organisatie van de verdachte volledig bij [betrokkene 1] lag. [betrokkene 1] was een algemeen bedrijfsleider binnen het concern [verdachte] en het bedrijfsonderdeel ‘Arbeid’ was nagenoeg volledig aan hem gedelegeerd. [betrokkene 1] was sinds november 2003 Hoofd Arbeid, Personeel en Organisatie en was in die hoedanigheid verantwoordelijk voor het personeel dat werkte in de tuin en de pluk, maar ook voor het personeel dat werkte in de inpak (dus bij de verdachte). In hiërarchie van het bedrijf viel hij direct onder de twee eigenaren [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en was hij in die zin eindverantwoordelijk. Hij was bevoegd mensen aan te nemen en te ontslaan en maakte de voorstellen om zakelijke relaties aan te gaan met de uitzendbureaus. [betrokkene 1] was verantwoordelijk voor de contacten met de uitzendbureaus en voor de gehele procedure rond de controle en betaalbaarstelling van de facturen van de uitzendbureaus.

Niet alleen in hiërarchisch en functioneel opzicht was [betrokkene 1] eindverantwoordelijk voor het (ingeleende) personeel, ook in de dagelijkse feitelijke gang van zaken was hij binnen de organisatie van verdachte eindverantwoordelijk voor het ingeleende personeel. Per afdeling was er een afdelingshoofd die iedere ochtend van al het personeel het paspoort innam, welke dan aan [betrokkene 1] werden gegeven die ze bewaarde. De paspoorten werden de eerste keer gecontroleerd op echtheid. De paspoorten werden door [betrokkene 1] bewaard en als hun werktijd erop zat, kregen de (ingeleende) werknemers hun paspoort (via de afdelingshoofden) weer terug. [betrokkene 1] controleerde zelf een paar keer per dag of het ingeleende personeel ook nog aan het werk was door zelf te gaan kijken.

[betrokkene 1] was ook direct betrokken bij het opstellen van de presentie-/urenlijsten van het ingeleende personeel. Samen met [betrokkene 2] (en soms [betrokkene 3] ) noteerde hij dagelijks aan de hand van de ingeleverde paspoorten de namen van het ingeleende personeel op een lijst in het programma Excel. Op deze ‘presentielijsten’ werden de begintijden genoteerd, waarna ze werden uitgeprint en aan het eind van de dag werden op deze lijsten met de hand de eindtijden ingevuld, waarna ze werden geparafeerd en in een map werden gedaan. [betrokkene 1] controleerde iedere dag of de geregistreerde uren klopten. Aan de hand van deze daglijsten werden in Excel weeklijsten gemaakt, met daarop de namen en gewerkte uren van de uitzendkrachten. [betrokkene 1] controleerde de urenlijsten die bij de facturen van de uitzendbureaus waren gevoegd persoonlijk met deze eigen lijsten. Indien het klopte, parafeerde hij de facturen, zodat deze betaalbaar konden worden gesteld. Hij was als enige bevoegd de facturen te paraferen.

Tot slot blijkt uit het dossier dat [betrokkene 1] op de hoogte was van het feit dat de urenlijsten van [Uitzendbureau 3] niet klopten, in die zin dat hij wist dat er een traject liep waarin de uren van de mensen die via [Uitzendbureau 3] bij de verdachte werkten werden gewijzigd. [betrokkene 1] kreeg door dat het aantal uitzendkrachten dat daadwerkelijk had gewerkt bij de verdachte niet overeenkwam met de betreffende urenlijsten die bij de facturen van [Uitzendbureau 3] zaten. [betrokkene 1] verklaarde bij de SIOD dat hij er bewust voor koos om zijn kop in het zand te steken, aangezien het personeel van [Uitzendbureau 3] nodig was in de hal en hij daarom niet zo maar met de samenwerking met [Uitzendbureau 3] kon stoppen.

Functioneel daderschap van de verdachte en toerekening van het opzet

Gelet op vorenomschreven rol van [betrokkene 1] is de conclusie dat bij [betrokkene 1] sprake was van een ‘beschikken en aanvaarden’ ten aanzien van de ten laste gelegde strafbare feiten. Hij was immers degene binnen de organisatie van de verdachte die de bevoegdheid gedelegeerd had gekregen om in te grijpen, maar die hiervan geen gebruik maakte en het een en ander op zijn beloop liet. Bovendien kan de conclusie niet anders zijn dan dat bij [betrokkene 1] in dit kader sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de ten laste gelegde strafbare feiten. [betrokkene 1] heeft met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat urenlijsten die niet conform de werkelijkheid waren, in de administratie van de verdachte zouden worden opgenomen en op grond hiervan mogelijk onjuiste of onvolledige aangiften bij de Belastingdienst zouden kunnen worden gedaan.

Gelet op de aard van de strafbare gedragingen, namelijk gedragingen in de sfeer van personeel en arbeid, alsmede gelet op de indeling van de organisatie van de verdachte, waarbij juist het onderdeel ‘personeel en arbeid’ – waaronder de contacten met de uitzendbureaus – nagenoeg volledig was gedelegeerd aan [betrokkene 1] , kan worden vastgesteld dat de strafbare gedragingen van [betrokkene 1] alsmede het voorwaardelijk opzet van [betrokkene 1] op deze gedragingen, die immers handelde in de uitvoering van zijn functie als Hoofd Arbeid, Personeel en Organisatie, in de sfeer van de verdachte plaatsvonden en in redelijkheid aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

De concrete omstandigheden van dit geval II

Hierboven is reeds vastgesteld dat de door [betrokkene 1] gepleegde strafbare gedragingen aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Daaronder is in elk geval inbegrepen het door hem opzettelijk opnemen van – kort gezegd – valse urenlijsten in de bedrijfsadministratie.

Onder feit 2 subsidiair wordt dat handelen gespecificeerd met het benoemen van een tweetal urenlijsten die de valsheid in geschrift in de ten laste gelegde periode moeten illustreren. Het gaat dan om urenlijsten die betrekking hebben op week 14 van 2003 (DOC/024-131) respectievelijk week 18 van 2006 (DOC/024-2087).

Ten aanzien van eerstgenoemde urenlijst moet de verdachte worden vrijgesproken. Het staat namelijk vast dat [betrokkene 1] daarbij niet betrokken kan zijn geweest. Hij is immers pas vanaf november 2003 werkzaam bij de verdachte. Dat is dus in elk geval niet eerder dan week 45 van dat jaar geweest.

Dat ligt anders als het gaat om de urenlijst die ziet op week 18 van 2006. Deze urenlijst is inbeslaggenomen op de locatie van de verdachte in de “kantoor-serverruimte” op de begane grond in “Tuin 1”. Anders dan de verdediging voorstaat is dit document wel degelijk in de bedrijfsadministratie van de verdachte aangetroffen. Uit de op genoemde ruimte betrekking hebbende beslaglijst blijkt dat een drietal ordners “ [Uitzendbureau 3] Dag/man uren 2006” aldaar in beslag zijn genomen. De betreffende urenlijst heeft in een van die ordners gezeten. Het document is namelijk geperforeerd en “losliggende” urenlijsten zijn, blijkens genoemde beslaglijst, niet aangetroffen. Daarnaast zijn in dat kantoor nog meer ordners in beslag genomen, welke gelet op de omschrijving op de kaften, ook zien op administratieve bescheiden. Gewezen wordt bijvoorbeeld op ordners aangaande: dag/man uren 2006 van [Uitzendbureau 4] en [Uitzendbureau 5] , ID bewijzen 2006 van [Uitzendbureau 4] , dag/man uren 2006 van [Uitzendbureau 5] en namen en nummers [Uitzendbureau 6] . Al deze ordners zijn op dezelfde plek, zo volgt uit de volgnummering op genoemde beslaglijst, in dat kantoor aangetroffen te weten een plank boven een bureau. Al met al kan deze hoeveelheid aan bescheiden en de wijze waarop deze zijn gerubriceerd bezwaarlijk anders worden gezien als zijnde een (onderdeel) van de bedrijfsadministratie van de verdachte.

De stelling van de verdediging dat een willekeurig persoon, mogelijk zelfs iemand die niet bij de verdachte in dienst was, genoemde urenlijsten betreffende uitzendkrachten van [Uitzendbureau 3] zou voegen in de daartoe bestemde ordners is op zichzelf al onaannemelijk. [betrokkene 1] heeft overigens verklaard dat hij deze urenlijsten steeds uit de map haalde om de door [medeverdachte 3] ingediende urenlijsten te controleren.

De rechtbank gaat er van uit dat [betrokkene 1] al snel na zijn indiensttreding als Hoofd Arbeid, Personeel en Organisatie ervan op de hoogte is geraakt dat de inhoud van de urenlijsten in de onder zijn verantwoordelijkheid vallende bedrijfsadministratie niet overeenkwam met de werkelijkheid en daarmee vals was. Dat volgt allereerst uit hetgeen [medeverdachte 3] daaromtrent heeft verklaard. De juistheid daarvan vindt steun in hetgeen [betrokkene 1] zelf daarover heeft verklaard. Tijdens zijn vijfde verhoor bij de SIOD heeft hij in dit kader onder meer het navolgende verklaard. Hij kreeg in de gaten dat er dingen niet klopten in de hal, dat er soms minder mensen hadden rondgelopen dan dat er op de factuur van [Uitzendbureau 3] vermeld werden; hij kreeg door dat de manurenlijsten welke bij de facturen van [Uitzendbureau 3] zaten niet klopten; de manurenverantwoording binnen het bedrijf klopte niet helemaal. Dat [betrokkene 1] , zoals hij heeft verklaard, pas “rond” 2005 zich dit realiseerde is niet aannemelijk. Moeilijk voor te stellen is dat hij -mede gelet op zijn functie en daarbij behorende verantwoordelijkheden en werkzaamheden- pas na zo een lange tijd na zijn indiensttreden zou hebben gemerkt dat de op de werkvloer werkzame personen niet overeenkwam met de factuur-bijlagen van [Uitzendbureau 3] . Daar komt bij dat zijn volharding dat hij geen kennis had van de vanuit zijn eigen kantoor aan [Uitzendbureau 3] gefaxte handgeschreven urenlijsten ongeloofwaardig is. Het gaat om een groot aantal lijsten en deze zijn zo goed als allemaal tijdens de werktijden van [betrokkene 1] gefaxt.

Het bovenstaande leidt tot de vaststelling dat de door [betrokkene 1] verrichte strafbare handelingen vanaf week 45 van 2003 aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

7.6.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de slotsom het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

8 Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003

tot en met 30 mei 2006, te Poeldijk, gemeente Westland, en/of te De Lier,

gemeente Westland, en/of te Monster en/of te Vlaardingen, in elk geval in

Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een

samenwerkingsverband tussen

verdachte en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]

en [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] ,

en/of een of meer (andere)

(rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie (telkens) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te

weten

- het valselijk opmaken en/of vervalsen van geschriften die

bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen (art 225 lid 1 Sr),

en

- het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste geschriften, als ware

deze echt en onvervalst, dan wel opzettelijk zodanige geschriften afleveren

of voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat

deze geschriften bestemd zijn voor zodanig gebruik (art 225 lid 2 Sr) en/of

- het opzettelijk niet danwel onjuist en/of onvolledig doen van een of meer

bij de belastingwet voorziene aangifte(n) (art 69 Awr).

2 subsidiair

zij

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 mei 2006

te De Lier, gemeente Westland, althans elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen,

(telkens) de administratie van [verdachte] ,

zijnde een (samenstel van) geschriften dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken,

immers heeft zij en/of haar mededaders,

telkens opzettelijk valselijk, immers in strijd met de waarheid,

(zakelijk weergegeven)

in haar administratie,

valse manurenlijsten betrekking hebbende

op [verdachte]

betreffende:

- week 18 van het jaar 2006 (DOC/024-2087)

opgenomen en verwerkt,

bestaande de valsheden van die manurenlijsten telkens hierin dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

op die manurenlijstenwerknemerswaren vermeld die in

werkelijkheid niet, in elk geval niet het op die urenlijsten vermelde aantal

uren hadden gewerkt

immers was

op de manurenlijst betreffende week 18 van het jaar 2006 als werknemer vermeld

- [getuige 2] (totaal 39,50 uren), en

- [getuige 3] (totaal 40 uren), en

- [getuige 4] (totaal 40 uren),

- [getuige 5] (totaal 36,75 uren)

terwijl in werkelijkheid genoemde werknemers in genoemde week niet, in elk

geval niet het totaal vermelde aantal uren, had(den) gewerkt,

(bijlage DOC/024-2087);

(telkens) met het oogmerk om voornoemde geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

9 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven begaan door een rechtspersoon;

2 subsidiair.

medeplegen van valsheid in geschrift begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

10 Strafbaarheid verdachte rechtspersoon

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

11 Motivering straf

11.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

11.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft gedurende enkele jaren deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van valsheid in geschrift en het handelen in strijd met artikel 69 AWR. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift, doordat de valse urenlijsten van [Uitzendbureau 3] en [Uitzendbureau 4] met betrekking tot de bij de rechtspersoon tewerkgestelde uitzendkrachten in haar administratie werden opgenomen.

Dit zijn ernstige feiten. Door aldus te handelen heeft de verdachte ertoe bijgedragen dat de overheid (mogelijk) te weinig inkomsten uit belastingen heeft genoten. Bovendien wordt het algemeen vertrouwen in het belastingsysteem, waarbinnen sprake zou moeten zijn van eerlijke lastenverdeling, door dergelijk handelen geschaad. Voor het systeem van belastingheffing is het van essentieel belang dat de Belastingdienst vertrouwen kan stellen in de juistheid van bepaalde geschriften.

Bovendien heeft de verdachte door aldus te handelen voor de uitzendkrachten de mogelijkheid gecreëerd om misbruik te maken van het sociale zekerheidsstelsel zoals dat in Nederland bestaat. De uitzendkrachten die wel gewerkt hadden, maar niet in de administratie werden opgenomen, waren niet bekend bij de Belastingdienst en konden daardoor onder meer een uitkering behouden. Daarnaast werden uitzendkrachten opgenomen in de administratie die in werkelijkheid niet hadden gewerkt. Op grond van een gefingeerd dienstverband konden bijvoorbeeld hypotheken of leningen worden aangevraagd, maar bijvoorbeeld ook werkloosheidsuitkeringen worden aangevraagd waarop nu juist geen recht bestond. Een uitkering is bedoeld om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een minimum inkomen. Misbruik van sociale voorzieningen doet afbreuk aan de solidariteit en ondermijnt het sociale stelsel. Hiervan worden uiteindelijk de mensen die op dit stelsel zijn aangewezen de dupe.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 april 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Vormverzuim en redelijke termijn

In het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 16 oktober 2013 is bepaald dat in de onderhavige zaak sprake is van een onherstelbaar vormverzuim vanwege de niet-naleving van de voorschriften rondom de vernietiging van geheimhoudersgesprekken.

Voor de verdachte geldt dat de redelijke termijn is gaan lopen op de dag van de inverzekeringstelling van de bestuurders [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , te weten op 30 mei 2006, zodat er in de onderhavige zaak sprake is van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank zal met de voornoemde omstandigheden in strafmatigende zin rekening houden.

11.3.

De straf; een geldboete

De rechtbank houdt bij de straftoemeting rekening met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en is van oordeel dat voor afdoening van de bewezenverklaarde feiten in beginsel niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke geldboete van na te noemen hoogte. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de ernst van de feiten en de andere bovenstaande omstandigheden.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 23, 24c, 47, 51, 57, 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

13 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

14 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 100.000,- (honderdduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.W. van Lottum, voorzitter,

en mrs. B.A. Cnossen en M.M. Koevoets, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E.G. Busemeijer genaamd Lagemann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 januari 2017.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003

tot en met 30 mei 2006, te Poeldijk, gemeente Westland, en/of te De Lier,

gemeente Westland, en/of te Monster en/of te Vlaardingen, in elk geval in

Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een

samenwerkingsverband tussen

verdachte en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]

en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 6] ,

in elk geval uit een of meer medeverdachte(n) en/of een of meer (andere)

(rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie(s) (telkens) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te

weten

- het een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in

Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen

verrichten, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat

de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is (artikel 197b Sr) en/of

- van het in artikel 197b Sr omschreven feit een beroep of gewoonte maken (art

197c Sr) en/of

- het valselijk opmaken en/of vervalsen van (een) geschrift(en) dat/die

bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen (art 225 lid 1 Sr),

en/of

- het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste geschriften, als ware

deze echt en onvervalst, dan wel opzetttelijk zodanige geschriften afleveren

of voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat

deze geschriften bestemd zijn voor zodanig gebruik (art 225 lid 2 Sr) en/of

- het opzettelijk niet danwel onjuist en/of onvolledig doen van een of meer

bij de belastingwet voorziene aangifte(n) (art 69 Awr);

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003

tot en met 30 mei 2006 te De Lier, gemeente Westland, althans elders in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk (in de administratie van [verdachte]

) voorhanden heeft gehad,

(telkens) (een) valse en/of vervalste (man)urenlijst(en) betrekking hebbende

op [verdachte]

onder meer betreffende:

- week 14 van het jaar 2003 (DOC/024-131), en/of

- week 18 van het jaar 2006 (DOC/024-2087)

-(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen-,

terwijl zij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of

redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschriften bestemd is/zijn

voor gebruik, als ware(n) het/zij (telkens) echt en onvervalst,

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin dat

(telkens) valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

op die (man)urenlijst(en) (een) werknemer(s) was/waren vermeld die in

werkelijkheid niet, in elk geval niet het op die urenlijsten vermelde aantal

uren hadden gewerkt

immers

op de (man)urenlijst betreffende week 14 van het jaar 2003

als werknemer(s) was/waren vermeld

[getuige 6] (totaal 36 uren), en/of

[getuige 7] (totaal 20 uren)

terwijl in werkelijkheid genoemde werknemer(s) in genoemde week niet, in elk

geval niet het totaal vermelde aantal uren, had(den) gewerkt,

(bijlage DOC/024-131)

en/of

op de (man)urenlijst betreffende week 18 van het jaar 2006

als werknemer was/waren vermeld

[getuige 2] (totaal 39,50 uren), en/of

[getuige 3] (totaal 40 uren), en/of

[getuige 4] (totaal 40 uren)

[getuige 5] (totaal 36,75 uren)

terwijl in werkelijkheid genoemde werknemer(s) in genoemde week niet, in elk

geval niet het totaal vermelde aantal uren, had(den) gewerkt,

(bijlage DOC/024-2087);

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 mei 2006

te De Lier, gemeente Westland, althans elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) de administratie van [verdachte] ,

zijnde een (samenstel van) geschrift(en) dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of doen vervalsen,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s),

telkens opzettelijk valselijk, immers in strijd met de waarheid,

(zakelijk weergegeven)

in haar/die administratie,

(een) valse en/of vervalste (man)urenlijst(en) betrekking hebbende

op [verdachte]

betreffende:

- week 14 van het jaar 2003 (DOC/024-131), en/of

- week 18 van het jaar 2006 (DOC/024-2087)

opgenomen en/of verwerkt,

bestaande de valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) van die (man)urenlijst(en) (telkens) hierin dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

op die (man)urenlijst(en) (een) werknemer(s) was/waren vermeld die in

werkelijkheid niet, in elk geval niet het op die urenlijsten vermelde aantal

uren hadden gewerkt

immers was/waren

op de (man)urenlijst betreffende week 14 van het jaar 2003 als werknemer(s) vermeld

- [getuige 6] (totaal 36 uren), en/of

- [getuige 7] (totaal 20 uren)

terwijl in werkelijkheid genoemde werknemer(s) in genoemde week niet, in elk

geval niet het totaal vermelde aantal uren, had(den) gewerkt,

(bijlage DOC/024-131)

en/of

op de (man)urenlijst betreffende week 18 van het jaar 2006 als werknemer vermeld

- [getuige 2] (totaal 39,50 uren), en/of

- [getuige 3] (totaal 40 uren), en/of

- [getuige 4] (totaal 40 uren),

- [getuige 5] (totaal 36,75 uren)

terwijl in werkelijkheid genoemde werknemer(s) in genoemde week niet, in elk

geval niet het totaal vermelde aantal uren, had(den) gewerkt,

(bijlage DOC/024-2087);

(telkens) met het oogmerk om voornoemd(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;