Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4573

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
10/730060-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 13 mei 2016 is in Rotterdam een krantenbezorgster zwaar gewond op straat aangetroffen. Zij overleed een week later aan haar verwondingen. Er is DNA van de verdachte aangetroffen in bemonsteringen van de nagels en de jas van het slachtoffer en op een deodorantbus die op de plaats delict lag. Daarnaast is DNA van het slachtoffer aangetroffen op een hoody die in de kamer van de verdachte is gevonden.

Enkele minuten voordat de krantenbezorgster werd gevonden, is een man op ongeveer dezelfde plek bijna beroofd door een andere man. Op de plek waar hij bij zijn vest is vastgepakt, is DNA van de verdachte gevonden. Daarnaast kan de telefoon van de verdachte rond het moment dat beide delicten plaatsvinden, geplaatst worden op de plaats delict.

De verdachte wordt veroordeeld voor doodslag en poging tot afpersing. Hij krijgt een gevangenisstraf van tien jaren en tbs met dwangverpleging opgelegd.

De vorderingen van de benadeelde partijen wegens affectieschade worden niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank kan slechts binnen het wettelijke stelsel een vordering toewijzen. Op dit moment is er nog geen wettelijke regeling die vergoeding van affectieschade mogelijk maakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2017, afl. 4, p. 175
PS-Updates.nl 2017-0535
JERF Actueel 2017/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/730060-16

Datum uitspraak: 14 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Haaglanden, locatie Scheveningen, PPC,

raadsman mr. M.C. Bekkering, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 31 mei 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Boender heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Feiten en omstandigheden

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 13 mei 2016 kwam er om 05.14 uur een melding bij de politie binnen van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), die vertelde zojuist op de Pasteursingel te Rotterdam bijna te zijn overvallen door een man. De man had hem bij zijn rechter bovenarm en zijn kraag vastgepakt en gevraagd om geld en sigaretten. Toen [slachtoffer 2] zei niets bij zich te hebben, had de man hem losgelaten. Daarop is [slachtoffer 2] de Grieksestraat, een zijstraat van de Pasteursingel, ingelopen. Toen hij daar liep, hoorde hij een geluid alsof er een fiets viel en hoorde hij tegelijkertijd een vrouw gillen. Hierop heeft [slachtoffer 2] 0900-8844 gebeld.

Om 05.16 uur kwam er nog een melding binnen bij de meldkamer, te weten van getuige [getuige 1] . Hij vertelde aan de politie dat er een vrouw op straat lag op de Pasteursingel en dat hij veel bloed zag.

Om 05.20 uur kwam de politie ter plaatse op de Pasteursingel. Daar troffen zij een zwaargewonde vrouw aan. Deze vrouw bleek later [slachtoffer 1] te zijn. Zij was krantenbezorgster in de omgeving van de Pasteursingel en die ochtend aan het werk. Op 20 mei 2016 is zij in het Erasmus Medisch Centrum overleden.

Bij onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 1] heeft arts en patholoog V. Soerdjbalie-Maikoe zeven letsels aangetroffen, die het intreden van de dood verklaren. De letsels bestaan onder andere uit:

- een snij-/steekletsel van 9,5 centimeter over de keel;

- een snij-/steekletsel van 3 centimeter aan het behaarde hoofd achterwaarts/de nek. Het steekkanaal liep door de huid, weke delen aan de nek rechts, de halsspieren rechts, de weke delen tussen het achterhoofdsgat en de eerste halswervel rechts, door het wervelkanaal, met klieving van het ruggenmerg op hals niveau over circa 1,5 cm lengte.

Er is uitgebreid DNA-onderzoek verricht, te weten aan de nagels van [slachtoffer 1] , op goederen aangetroffen op de plaats delict en in de kamerwoning van de verdachte, met onder andere de volgende resultaten.

In de bemonstering van de nagels van [slachtoffer 1] is een DNA-mengprofiel van drie of vier personen aangetroffen. Het DNA-materiaal in dat profiel kan afkomstig zijn van [slachtoffer 1] , van de verdachte en van één of twee onbekende personen. De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn ten minste één miljoen keer waarschijnlijker als het DNA afkomstig is van [slachtoffer 1] , de verdachte en één of twee willekeurige onbekende perso(o)n(en), dan als het afkomstig is van [slachtoffer 1] en twee of drie willekeurige onbekende personen.

Op de plaats delict op de Pasteursingel is een bebloede damesjas aangetroffen, welke toebehoorde aan [slachtoffer 1] . Op de achterzijde van de jas worden, op de bovenzijde van de rechter bovenarm, een afgeleid DNA-profiel van een vrouw en DNA-nevenkenmerken van een man aangetroffen. Uit vergelijkend DNA-onderzoek is gebleken dat het meer dan een miljard keer waarschijnlijker is dat de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer 1] en de verdachte, dan dat het DNA afkomstig is van [slachtoffer 1] en een willekeurige onbekende man.

Daarnaast is op de plaats delict op de Pasteursingel een spuitbus deodorant aangetroffen. Op de drukknop van die spuitbus is een DNA-profiel aangetroffen, dat van de verdachte kan zijn. De matchkans van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Bij de doorzoeking van de kamerwoning van de verdachte is een hoody in beslag genomen, met op de binnenzijde van de onderrand een bloedspoor. Dit bloedspoor is bemonsterd. Uit het DNA-onderzoek volgt dat de bemonstering een afgeleid DNA-hoofdprofiel van een man bevat, dat afkomstig kan zijn van de verdachte. Daarnaast bevat de bemonstering DNA-nevenkenmerken, die afkomstig kunnen zijn van [slachtoffer 1] . Uit aanvullend DNA-onderzoek is gebleken dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met de afgeleide combinatie van DNA-nevenkenmerken kleiner is dan één op één miljard.

Ook het vest, dat [slachtoffer 2] op 13 mei 2016 droeg toen hij werd aangesproken door de man, is onderzocht op DNA-sporen. Een bemonstering van de rechter bovenarm bevatte een DNA-mengprofiel, dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer 2] , de verdachte en minimaal vijf onbekende personen. De bewijskracht met betrekking tot de match met de verdachte kon vanwege het hoge aantal celdonoren in de bemonstering niet betrouwbaar worden bepaald.

Uit de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte is gebleken dat deze telefoon op 13 mei 2016 tussen 01.31.59 uur en 04.39.36 uur gebruik heeft gemaakt van zogenaamde KPN UMTS cellen die ook vanuit de woning van de verdachte aan de [adres 2] te bereiken zijn. Op 13 mei 2016 tussen 04.42.11 uur en 04.50.57 uur maakte de telefoon gebruik van cellen die onder andere te gebruiken zijn vanaf de plaats delict op de Pasteursingel. Uit de metingen is tevens gebleken dat deze laatste cellen niet te gebruiken zijn vanaf de woning van de verdachte.

4.2.

Vrijspraak feit 1 (moord) zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.3.

Bewijswaardering feiten 1 (doodslag) en 2

4.3.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten bewezen zijn.

4.3.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor beide ten laste gelegde feiten. De feiten en omstandigheden zoals genoemd onder 4.1 worden door de verdediging niet betwist, maar de verdediging heeft aangevoerd dat de overdracht van de DNA-sporen ook kan hebben plaatsgevonden door verstoring van de plaats delict. Daarnaast kunnen sporen van de verdachte op een eerder moment dan 13 mei 2016 op [slachtoffer 1] terecht zijn gekomen. Als krantenbezorgster kwam zij geregeld in de wijk waar verdachte woonachtig is. Kortom, de DNA-sporen zijn geen dadersporen. Deze conclusie wordt bovendien ondersteund door het feit dat de getuigen [slachtoffer 2] en [getuige 2] de verdachte niet herkennen van de aan hen getoonde foto van de verdachte en het gegeven dat de verdachte eerder die nacht geheel andere kleding droeg dan door de getuigen is beschreven, aldus de verdediging.

4.3.3.

Beoordeling

Zoals eerder vermeld staat vast dat niet lang voor 05.14 uur een man getracht heeft [slachtoffer 2] te beroven en dat [slachtoffer 1] op 13 mei 2016 even voor 05.16 uur door getuige [getuige 1] zwaargewond op de Pasteursingel werd aangetroffen. Eveneens staat vast dat [slachtoffer 1] op 20 mei 2016 aan de steek- en snijverwondingen is overleden. De vraag is of de verdachte de dader is geweest van beide incidenten. De rechtbank bespreekt daartoe eerst de DNA-bevindingen inzake de verdachte met betrekking tot [slachtoffer 1] en komt daarna toe aan het overig bewijs.

DNA-matches ter zake [slachtoffer 1]

Tijdens het forensisch onderzoek zijn vier DNA-sporen gevonden die de verdachte in verband brengen met [slachtoffer 1] . Het gaat dan om DNA-sporen van de verdachte in de bemonsteringen van de deodorantbus en de jas en de nagels van [slachtoffer 1] . Het vierde DNA-spoor betreft het DNA van [slachtoffer 1] op de hoody die in de kamer van de verdachte is aangetroffen.

Gelet op de door de forensische deskundigen uitgevoerde bewijskrachtberekeningen van de verschillende sporen, zoals die onder 4.1 en in de bewijsmiddelen zijn opgenomen, concludeert de rechtbank dat de DNA-sporen op de deodorantbus, de jas van [slachtoffer 1] en aan de nagels van [slachtoffer 1] biologische sporen zijn, afkomstig van de verdachte. Ook concludeert de rechtbank dat het DNA op de hoody, afkomstig uit de kamerwoning van de verdachte, van [slachtoffer 1] afkomstig is.

Zijn de DNA-sporen ook dadersporen?

De volgende vraag die beantwoord moet worden, is of de vier DNA-sporen op de deodorantbus, de jas, de hoody en aan de nagels van [slachtoffer 1] dadersporen dan wel delictgerelateerd zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het DNA van de verdachte op de jas van [slachtoffer 1] is aangetroffen op de achterzijde van de jas, op de bovenarm. Op de achterzijde van de bovenarm van de jas zijn tevens drie steekbeschadigingen aangetroffen. Op dezelfde locatie zijn op de arm van [slachtoffer 1] drie verwondingen aangetroffen. De rechtbank constateert dat het DNA van de verdachte in de buurt van de steekbeschadigingen is gevonden. Dit spoor zou dus heel goed een daderspoor kunnen zijn.

Hetzelfde geldt voor het DNA van de verdachte dat in de bemonstering van de vingernagels van [slachtoffer 1] is aangetroffen. Aangevallen slachtoffers zullen veelal uit reactie zich proberen te verdedigen met hun handen, met overdracht van DNA tot mogelijk gevolg. Ook dit spoor zou een daderspoor kunnen zijn.

De deodorantbus betreft een verplaatsbaar object waar alleen een DNA-spoor van de verdachte op is aangetroffen. Niet duidelijk is of de deodorantbus gebruikt is bij de aanval op [slachtoffer 1] . Het kan dan ook niet zonder meer als daderspoor worden aangemerkt. Toch is het DNA-spoor in samenhang met de andere DNA-sporen bezien wel van belang, omdat het bijdraagt aan de overtuiging dat de verdachte op de plaats delict is geweest.

De suggestie van de verdediging dat er onbedoeld sporen kunnen zijn overgedragen door verstoring van de plaats delict of dat er vóór 13 mei 2016 sporenoverdracht heeft plaatsgevonden, is slechts zeer summier en in algemene zin naar voren gebracht. Het dossier biedt in elk geval geen enkele ondersteuning voor deze suggestie. Uit niets is gebleken dat de verdachte en [slachtoffer 1] elkaar kenden of elkaar eerder hebben ontmoet, waardoor verklaard kan worden dat er DNA van verdachte terecht is gekomen op de vingernagels van [slachtoffer 1] en op haar jas. Van een verstoring van de plaats delict die, zo begrijpt de rechtbank, zou hebben geleid tot overdracht van het DNA van de verdachte op (kleding van) [slachtoffer 1] , biedt het dossier evenmin een aanknopingspunt.

Verder is in dit verband van belang dat er niet slechts één DNA-spoor van de verdachte op het slachtoffer of op de plaats delict aangetroffen, maar het om drie afzonderlijke DNA-sporen gaat, die ook nog eens op drie verschillende plaatsen zijn gevonden (de nagels, de jas en de deodorantbus). Daar komt bij dat de plaatsen waar deze DNA-sporen zijn aangetroffen veel beter passen in het scenario dat de verdachte de dader is (directe overdracht), dan door indirecte overdracht, zoals is gesteld door de verdediging.

Dat de DNA-sporen van de verdachte op de jas en de nagels van [slachtoffer 1] ook daadwerkelijk dadersporen betreffen, wordt ten slotte ondersteund door het aantreffen van DNA van [slachtoffer 1] op de hoody die in de woning van de verdachte is gevonden. De rechtbank acht de kans dat er door indirecte overdracht zowel DNA van de verdachte op het slachtoffer als DNA van het slachtoffer op kleding afkomstig uit de woning van de verdachte wordt aangetroffen, dermate klein dat het – zonder enig aannemelijk alternatief scenario van directe overdracht – het niet anders kan zijn dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft aangevallen.

Daar komt nog het volgende bij.

Telecomgegevens

De verdachte maakte gebruik van een telefoon met nummer [telefoonnummer] . Uit de TEMS-metingen, zoals hiervoor onder 4.1 besproken, is gebleken dat de telefoon van de verdachte op 13 mei 2016 tussen 04.42 uur en 04.50 uur cellen aanstraalde die wel vanaf de plaats delict op de Pasteursingel, maar niet vanaf de woning van de verdachte te bereiken zijn. Dat maakt het naar het oordeel van de rechtbank zeer wel mogelijk dat de verdachte ook in de korte tijd na 04.50 uur op de Pasteursingel was.

Aangever/Getuige [slachtoffer 2]

Dat de verdachte daadwerkelijk op de plaats delict was die vroege ochtend blijkt ook uit het volgende. [slachtoffer 2] verklaart dat hij slechts enkele minuten voordat hij een fiets hoorde vallen en een vrouw hoorde gillen bijna was overvallen door een man. De plek die hij beschrijft waar dit zou hebben plaatsgevonden betreft slechts zo’n 20 meter van de plaats waar [slachtoffer 1] is aangetroffen. Daarnaast is er uit bemonstering op de rechtermouw van het vest van [slachtoffer 2] een DNA-mengprofiel verkregen waarmee het DNA-profiel van de verdachte matcht. Dat is precies de plek waarover [slachtoffer 2] verklaart dat hij is vastgepakt door de overvaller. Dat er geen bewijskracht voor dit DNA-spoor kan worden berekend vanwege de hoeveelheid aan celdonoren die aan dit DNA-mengprofiel hebben bijgedragen, doet hier voor de rechtbank niet aan af. In samenhang bezien met de DNA-sporen van de verdachte die zijn aangetroffen op [slachtoffer 1] , plaatst dit de verdachte ook in dit verband op de plaats delict.

Ten slotte komt daar nog bij dat het signalement wat door [slachtoffer 2] wordt opgegeven van de overvaller - hoewel op zichzelf niet uitzonderlijk – past bij het signalement van de verdachte.

De verdediging heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 2] de verdachte niet van een foto heeft herkend en dat de verdachte die nacht andere kleding droeg dan door [slachtoffer 2] beschreven, hetgeen ontlastend dient te worden meegewogen. De rechtbank gaat hier aan voorbij. [slachtoffer 2] verklaart immers dat hij het gezicht van de man niet goed heeft kunnen zien. Dat [slachtoffer 2] de verdachte niet heeft herkend van een foto, kan daarom noch in belastende zin, noch in ontlastende zin meewegen.

Dat de verdachte eerder die nacht, te weten tussen 00.16 en 00.36 uur, bij het Marconiplein is gezien op camerabeelden met andere kleding aan dan die [slachtoffer 2] beschrijft, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin als ontlastend worden gezien. Uit de TEMS-metingen blijkt immers dat de verdachte tussentijds nog thuis kan zijn geweest, zodat hij de mogelijkheid heeft gehad om van kleding te wisselen. Ook het gegeven dat een getuige, [getuige 2] , de verdachte niet heeft herkend van een foto acht de rechtbank niet redengevend voor een andere conclusie. [getuige 2] verklaart dat hij op 13 mei 2016 omstreeks 05.00 uur op de Pasteursingel een man heeft gezien, maar niet is komen vast te staan dat deze man de dader van de aanval op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is geweest.

Conclusie

De rechtbank is alles afwegend en samenvattend van oordeel dat de omstandigheden dat:

  • -

    [slachtoffer 2] een paar minuten vóór 05:14 uur is belaagd op de Pasteursingel door een man met een signalement dat past bij de verdachte;

  • -

    [slachtoffer 2] vlak daarna gegil van een vrouw heeft gehoord, waarna hij om 05.14 uur de politie heeft gebeld;

  • -

    [slachtoffer 1] vervolgens door getuige [getuige 1] vóór 05.16 uur zwaargewond is gevonden op de Pasteursingel;

  • -

    er DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen op de nagels en de jas van [slachtoffer 1] , op een deodorantbus op de plaats delict en op het vest van [slachtoffer 2] ;

  • -

    er DNA-sporen van [slachtoffer 1] zijn aangetroffen op een hoody in de woning van de verdachte;

  • -

    de telecomgegevens de telefoon van de verdachte om 04:50 uur plaatsen in de buurt van de plaats delict,

in onderling verband beschouwd en daarmee elkaar versterkend het bewijs leveren dat het de verdachte is geweest die zowel [slachtoffer 2] heeft geprobeerd te beroven als vlak daarna [slachtoffer 1] heeft aangevallen met een mes. Er is geen andere logische verklaring voor de bovenomschreven omstandigheden gebleken uit het politieonderzoek of naar voren gekomen tijdens het onderzoek op de terechtzitting. Meer in het bijzonder ontbreekt een verklaring van de verdachte die een aanknopingspunt zou kunnen bieden dat deze conclusie niet juist is.

De rechtbank acht het onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 13 mei 2016 tot en met 20 mei 2016

te Rotterdam opzettelijk

een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte ,

opzettelijk,

op 13 mei 2016 meermalen, met kracht met een

mes in het hoofd en de nek/hals

van die [slachtoffer 1] gestoken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] op 20 mei 2016 is overleden;

2.

hij op 13 mei 2016 te Rotterdam,

op de openbare weg, te weten de Pasteursingel,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot afgifte van

sigaretten en geld, toebehorende aan [slachtoffer 2] ,

- met kracht een arm en de kleding van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en vervolgens vastgehouden en

- aan die [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft

toegevoegd: "heb je sigaretten, geef sigaretten" en "heb je geld, geef

mij geld

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 Doodslag

2 Poging tot afpersing

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft op zeer gewelddadige wijze het slachtoffer [slachtoffer 1] om het leven gebracht door haar onder meer in de hals en in de nek te steken met een mes. Daarmee heeft de verdachte haar het meest fundamentele recht ontnomen dat haar toekwam, namelijk het recht op leven.

Daarnaast heeft de verdachte de nabestaanden - in het bijzonder de twee zonen van [slachtoffer 1] - onherstelbaar leed aangedaan. Zij zullen hun moeder, bij wie zij nog altijd inwonend waren en op wie zij nog veel steunden, voor altijd moeten missen. De verdachte heeft niet willen verklaren waarom hij [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd en wat er zich die vroege ochtend precies op de Pasteursingel heeft afgespeeld. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij de nabestaanden in het ongewisse laat over deze zaken, nu dit het verwerkingsproces (indien het al mogelijk is om zoiets te boven te komen) enorm zal vertragen.

De verdachte heeft [slachtoffer 1] op straat in de vroege ochtend aangevallen. Uiteraard veroorzaakt dusdanig handelen grote en heftige gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.

De verdachte wordt ook verweten dat hij heeft geprobeerd om slachtoffer [slachtoffer 2] af te persen door hem stevig bij zijn kleding vast te pakken en vast te houden en dwingend geld en sigaretten te eisen. Hij heeft hierbij kennelijk enkel gedacht aan zijn eigen behoeftes, zonder zich af te vragen welke gevolgen zijn handelen zouden kunnen hebben voor het slachtoffer. [slachtoffer 2] heeft zich niet als benadeelde partij gesteld in deze procedure, maar bij hem zullen ongetwijfeld ook voor langere tijd gevoelens van onveiligheid en onrust bestaan door het handelen van de verdachte. Ook dit rekent de rechtbank de verdachte aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 mei 2017, waaruit blijkt dat de verdachte is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder diefstal met geweld en bedreiging. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor levensdelicten.

7.3.2.

Overwegingen ten aanzien van de op te leggen straf

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een lange gevangenisstraf.

Het wettelijk strafmaximum voor doodslag bedraagt 15 jaren gevangenisstraf. Artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat bij samenloop van twee op zichzelf staande strafbare feiten, die meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, één straf wordt opgelegd. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch – voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft – niet meer dan een derde boven het hoogste maximum. In deze zaak betekent dit dat aan de verdachte een gevangenisstraf van ten hoogste 20 jaren kan worden opgelegd. Bij de strafoplegging voor een enkelvoudige doodslag wordt, in beginsel, als uitgangspunt voor de daadwerkelijke strafoplegging een gevangenisstraf van 8 jaren gehanteerd.

Strafverhogende omstandigheden in deze zaak zijn de gewelddadige, wrede wijze waarop de verdachte [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht en het feit dat de verdachte de nabestaanden in het ongewisse heeft gelaten over zijn beweegredenen. Wat zich die bewuste ochtend daadwerkelijk tussen de verdachte en [slachtoffer 1] heeft afgespeeld is onbekend gebleven, maar dat het voor haar heftig, zeer pijnlijk en angstig moet zijn geweest kan worden afgeleid uit haar gillen en de zeer ernstige verwondingen, haar toegebracht.

Verder speelt bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf een rol of de verdachte daarnaast ook nog de maatregel van TBS met dwangverpleging moet krijgen, hetgeen een langdurige intensieve behandeling is die wordt ondergaan in een gesloten kliniek. Dit kan daarom een reden zijn om de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf te verlagen.

Uit het onderzoek door deskundigen van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) – waarover hierna meer – is niet gebleken dat de verdachte de feiten in verminderende mate kunnen worden toegerekend, zodat de rechtbank hier ook geen rekening mee zal houden.

7.3.3.

Overwegingen ten aanzien van de op te leggen maatregel

Door de officier van justitie is naast het opleggen van gevangenisstraf gevorderd dat de maatregel van tbs met dwangverpleging zal worden opgelegd. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

7.3.4.

Rapportages

De verdachte is opgenomen geweest in het PBC. Hiervan is een rapport opgemaakt d.d. 6 maart 2017. De psychiater F.R. Kruisdijk en GZ-psycholoog R. Haveman, hebben hierin gerapporteerd dat de verdachte heeft geweigerd om aan het onderzoek mee te werken, dat ook de referenten niet hebben meegewerkt en dat het niet mogelijk was om relevante informatie over in het verleden ondergane behandelingen in een strafrechtelijk kader te verkrijgen. De deskundigen hebben daarom onvoldoende informatie om een doorwerking van de pathologie in de tenlastegelegde feiten te kunnen onderbouwen en kunnen ook het recidiverisico niet goed inschatten. Er zijn zorgen omtrent betrokkene en er is sprake van ernstige problematiek die in het verleden moeilijk behandelbaar is gebleken. Gelet op de ontbrekende elementen in de forensische analyse is het niet mogelijk een passend juridisch kader en behandeladvies ter vermindering van recidive goed te onderbouwen.

Toch hebben de deskundigen op basis van de informatie waarover zij wel konden beschikken (onder andere uit de stukken die ten grondslag liggen aan de rechterlijke machtigingen, verleend voor verdachte ingevolge de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ)) wel kunnen vaststellen dat de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis, te weten een chronische vorm van psychotische stoornis. Deze stoornis is van structurele aard en was dus ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig.

Hoewel de deskundigen te weinig gegevens hebben kunnen verkrijgen om een volledige risicotaxatie te maken (kans op herhaling), geven zij wel een zogenaamde risico-overweging. Bij de verdachte is in het verleden meerdere malen sprake geweest van verergering van de symptomen van zijn stoornis door het gebruik van cannabis en alcohol, wat resulteerde in agressie. Het geweld was daarbij zowel gericht naar bekenden (familie) als willekeurige onbekenden en personeel (van psychiatrische ziekenhuizen). In het verleden heeft het gebruik van alcohol en cannabis de vorm van verslaving gehad. Voor de toekomst is er volgens de deskundigen daarom genoeg reden om dit goed te volgen als risico verhogende factor voor geweld. Daarnaast kan de zwakke intellectuele ontwikkeling een rol spelen in het niet kunnen overzien van problematische situaties. Tot slot speelt ook mee dat de verdachte niet accepteert dat hij lijdende is aan een stoornis en zich in het verleden meermalen aan behandeling heeft onttrokken.

De deskundigen geven tot slot in overweging mee dat een langdurige klinische (gesloten) behandeling de enige mogelijkheid is om de verdachte, gezien zijn problematiek, te behandelen.

Het Leger des Heils, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 4 april 2017. Zij onthoudt zich van advies omdat zij gelet op het PBC-rapport te weinig aanknopingspunten hebben om een plan van aanpak te kunnen opstellen en te beoordelen binnen welk kader dit dient te geschieden.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank op het voorgaande, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank deze over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Dat niet bekend is geworden of en in hoeverre deze stoornis ook daadwerkelijk heeft bijgedragen aan de feiten is niet van belang, nu volgens vaste jurisprudentie slechts is vereist de gelijktijdigheid van het bestaan van de stoornis en het begaan van de feiten.

Hoewel de deskundigen geen passend juridisch kader en behandeladvies hebben kunnen geven, vindt de rechtbank dat oplegging van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk is. De verdachte is lijdende aan een chronische stoornis, die volgens de deskundigen langdurig behandeld dient te worden in een klinische setting. De verdachte is (naar is gebleken) extreem gevaarlijk. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van de bewezen verklaarde feiten en het gevaar voor herhaling. De rechtbank gaat ervan uit dat de verdachte – gelet op zijn gebrek aan ziekte-inzicht – een langdurige jarenlange behandeling nodig zal hebben.

Vastgesteld wordt dat de bewezen verklaarde feiten, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, misdrijven betreffen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Vastgesteld wordt dat de strafbare feiten ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd misdrijven betreffen die gericht

zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Daartoe zijn de aard en de kwalificatie van de bewezen verklaarde feiten redengevend.

De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Aan de verdachte zal gelet op het voorgaande terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege worden opgelegd.

7.5.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

8 Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1. ten laste gelegde feit. De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een vergoeding van € 885,-- aan materiële schade in verband met de kosten voor een gedenksteen. Daarnaast vorderen zowel [benadeelde partij 1] als [benadeelde partij 2] een vergoeding van € 20.000,-- aan immateriële schade in verband met de door hen geleden affectieschade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel de gevorderde materiële schade als de gevorderde immateriële schade kunnen worden toegewezen. Daarnaast vordert zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft afwijzing van de vorderingen bepleit.

8.3.

Beoordeling

Vordering [benadeelde partij 1] materiële schade

De benadeelde partij is de zoon van het slachtoffer [slachtoffer 1] . Ingevolge het bepaalde in artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan hij aanspraak maken op de kosten die in verband met de lijkbezorging van zijn moeder te zijnen laste zijn gekomen, voor zover die kosten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.

De gevorderde kosten voor een gedenksteen hangen zo zeer samen met de lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108, tweede lid, van het BW, dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum van indiening van de vordering. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 17 mei 2017.

Vordering [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] immateriële schade

Aan de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade is ten grondslag gelegd dat de verdachte jegens de benadeelde partijen, zonen van het slachtoffer, een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW heeft gepleegd. Het overlijden van hun moeder heeft aan de beide zonen veel leed berokkend, waardoor zij affectieschade hebben geleden. Vergoeding van deze schade kan worden gezien als erkenning van het leed dat de benadeelde partijen is aangedaan door het strafbare feit, wat kan bijdragen aan de verwerking van hun leed.

Namens de benadeelde partijen is door hun raadsman mr. Van der Voet het volgende naar voren gebracht op basis waarvan hun vordering tot vergoeding van affectieschade zou moeten worden toegewezen. In de eerste plaats is gewezen op het Wetsvoorstel zorg- en affectieschade (nr. 34.257). Dit wetsvoorstel is op 9 mei 2017 met algemene stemmen door de Tweede Kamer aangenomen en thans aanhangig in de Eerste Kamer. Verder heeft de raadsman gewezen op de ‘Richtlijn 2012/29/EU van 25 oktober 2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ’ (hierna: de Richtlijn). Op grond van deze Richtlijn komt de geleden immateriële schade nu reeds voor een vergoeding in aanmerking, nu de implementatietermijn van deze Richtlijn op 16 november 2015 verstreken is en de Richtlijn daarom sindsdien rechtstreekse werking heeft. Artikel 2, eerste lid, sub a van de Richtlijn bepaalt dat familieleden van een dodelijk slachtoffer zelf ook slachtoffer zijn, aan wie op grond van punt 19 van de preambule van de Richtlijn ook schade kan worden berokkend. Artikel 16, eerste lid, van de Richtlijn bepaalt dat een slachtoffer recht heeft op een beslissing inzake schadevergoeding door de dader in de loop van de strafprocedure, waarbij op grond van punt 46 van de preambule van de Richtlijn betrokken organisaties moeten zorgen voor herstel van de door het slachtoffer geleden schade. Deze bepalingen uit de Richtlijn in samenhang met het gegeven dat inmiddels de Wet schadefonds geweldmisdrijven een vergoeding van affectieschade mogelijk maakt en het gegeven dat eerdergenoemd wetsvoorstel 34.257 met algemene stemmen door de Tweede Kamer is aangenomen, leidt tot de conclusie dat in deze zaak de gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen, aldus de raadsman.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat in deze zaak sprake is van een tragische gebeurtenis die bij de zonen van [slachtoffer 1] zeer veel pijn en verdriet heeft veroorzaakt. Toewijzing van hun vordering tot vergoeding van affectieschade zal inderdaad een zekere erkenning van het door hen ondervonden leed betekenen. Dit kan op zichzelf echter geen grond zijn tot toewijzing van de vordering. Een rechter mag slechts schade toewijzen binnen het stelsel van de wet. Dit volgt uit artikel 6:95 BW.

Het huidige wettelijke stelsel, in het bijzonder de artikelen 6:106 en 6:108 BW, voorziet niet in de mogelijkheid om affectieschade te vergoeden. Mogelijk is dat in de toekomst anders, aangezien wetsvoorstel nr. 34.257, dat onder meer ziet op vergoeding van dergelijke schade, nu aanhangig is bij de Eerste Kamer. Zoals de Hoge Raad echter herhaalde malen heeft gesteld (o.a. in het Taxibusarrest van 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356), heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventuele door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding van schade toe te kennen. Nu de rechter in dit kader terughoudendheid past, zal de rechtbank de raadsman niet volgen in zijn voorstel om te anticiperen op dit wetsvoorstel.

Ook het gedane beroep op de Richtlijn leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of de benadeelde partijen jegens de verdachte rechtstreeks een beroep op de Richtlijn kunnen doen, geeft naar het oordeel van de rechtbank geen van de bepalingen van de Richtlijn aan slachtoffers/nabestaanden een concreet en direct recht op vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade.

Ook het gegeven dat op grond van de Wet schadefonds geweldmisdrijven een vergoeding van affectieschade mogelijk is, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De Wet schadefonds geweldsmisdrijven houdt namelijk geen wettelijke verplichting in tot vergoeding van affectieschade door degene die op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk kan worden gehouden.

Gelet op het bovenstaande kunnen de vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van immateriële schade niet worden toegewezen en zullen deze niet-ontvankelijk worden verklaard.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [benadeelde partij 1] een schadevergoeding betalen van € 885,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Voor het overige wordt de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk verklaard.

De vordering van de benadeelde [benadeelde partij 2] wordt eveneens niet-ontvankelijk verklaard.

Nu de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Nu de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 287 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , te betalen een bedrag van € 885,-- (zegge: achthonderdvijfentachtig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] te betalen € 885,-- (hoofdsom, zegge: achthonderdvijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 885,-- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 17 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. P. van Dijken en J. Holleman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 juni 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 13 mei 2016 tot en met 20 mei 2016

te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk

een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

althans opzettelijk,

(op of omstreeks 13 mei 2016) meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een

mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd en/of de nek/hals,

althans in het lichaam, van die [slachtoffer 1] gestoken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] (op 20 mei 2016) is overleden;

(Artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht)

art 289 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 13 mei 2016 te Rotterdam,

op de openbare weg, te weten de Pasteursingel, althans een openbare weg,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot afgifte van

sigaretten en/of geld, in elke geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen sigaretten

en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen

en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2]

, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden,

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- meermalen, althans éénmaal (met kracht) een/de arm(en), althans het

lichaam, en/of de kleding van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of

vastgegrepen en/of (vervolgens) vastgehouden en/of

- meermalen, althans éénmaal aan die [slachtoffer 2] (dreigend) de woorden heeft

toegevoegd: "heb je sigaretten, geef sigaretten" en/of "heb je geld, geef

mij geld", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking

en/of

- meermalen, althans éénmaal (met kracht) tegen het lichaam van die [slachtoffer 2]

heeft geduwd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Artikel 312/317 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)