Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:457

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
10/996509-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MEGA Elwood. Vrijspraak van deelname aan een criminele organisatie en valsheid in geschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996509-06

Datum uitspraak: 17 januari 2017

Tegenspraak (art. 279)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[woonplaats] ,

gemachtigde raadslieden mr. B.C.W. van Eijck en raadsvrouw mr. K. Versteeg, advocaten te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 november 2016, 5 december 2016, 8 december 2016 en van 17 januari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. van de Kerkhof heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Geldigheid dagvaarding

4.1.

Standpunt verdediging

Bepleit is dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde nietig dient te worden verklaard. De verdachte wordt verweten het “voorhanden hebben” van valse geschriften, welke terminologie aansluit bij het bepaalde in artikel 225 lid 2 Sr. De vindplaats van de geschriften wordt specifiek genoemd, te weten in de “administratie” van de verdachte. Het opnemen van valse geschriften in een bedrijfsadministratie levert echter op een actieve vervalsingshandeling als bedoeld in artikel 225 lid 1 Sr. Het opnemen van deze twee verschillende verwijten binnen hetzelfde tenlastegelegde feit maakt dat de dagvaarding in zoverre innerlijk tegenstrijdig is.

4.2.

Beoordeling

Het onder 2 primair tenlastegelegde houdt in het verwijt dat de verdachte (in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] (hierna [bedrijf 1] )) valse documenten voorhanden heeft gehad. Het bevat echter niet het verwijt dat de verdachte deze valse documenten in de bedrijfsadministratie heeft opgenomen danwel verwerkt; dat verwijt wordt de verdachte onder 2 subsidiair gemaakt. Anders dan de verdediging heeft bepleit is het dus niet zo dat het onder 2 primair tenlastegelegde delicten als bedoeld in zowel artikel 225 lid 1 Sr als artikel 225 lid 2 omvat. Van enige innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake. De dagvaarding is geldig.

5 Ontvankelijkheid officier van justitie

5.1.

Standpunt verdediging

Namens de verdachte is bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Daartoe zijn de volgende verweren naar voren gebracht:

- tegen de verdachte bestond geen redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering (Sv) bij aanvang van het onderzoek, en voor zover dat er wel zou zijn geweest:

- het strafrecht en daarmee samenhangende strafvorderlijke bevoegdheden zijn ingezet jegens de verdachte terwijl -voor zover aan de orde- uitsluitend bestuursrechtelijke handhaving was toegestaan;

- de officier van justitie heeft de raadsman geweigerd om aanwezig te zijn bij de doorzoeking op de locatie van de verdachte;

- een groot aantal geheimhoudersgesprekken zijn niet tijdig vernietigd;

- er is sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn.

Er zijn aldus tijdens het voorbereidend onderzoek vormen ernstig verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld. Deze vormverzuimen, ieder voor zichzelf maar zeker in onderlinge samenhang bezien, maken dat geen sprake meer kan zijn van een behandeling van deze zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Toepassing van het Zwolsman-criterium, voor zover het betreffende verzuim zich tijdens het voorbereidend onderzoek heeft voorgedaan, maakt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

5.2.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat de door de verdediging gepresenteerde verzuimen, voor zover deze zich al zouden hebben voorgedaan, op zichzelf noch in onderlinge samenhang bezien, haar vervolgingsrecht kunnen aantasten.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Inleiding

Deze strafzaak heeft, dat behoeft welhaast geen betoog, een lange voorgeschiedenis.

Op 30 mei 2006 wordt de verdachte voor het eerst tastbaar geconfronteerd met de inzet van strafvorderlijke bevoegdheden. De eerste (regie)zitting vindt vervolgens plaats op 24 april 2008. Twee weken later maakt de rechtbank haar beslissingen kenbaar omtrent de ingediende onderzoekswensen. Tijdens de daaropvolgende regiezitting van 4 februari 2009 wordt vastgesteld dat de toegewezen onderzoekswensen zijn vervuld zodat een inhoudelijke behandeling kan worden ingepland. Zover komt het niet. Er ontstaan vermoedens dat vormvoorschriften rondom het vernietigen van geheimhoudersgesprekken niet zijn nageleefd. Om die reden wordt op 28 september 2009 een regiezitting ingelast en worden nieuwe onderzoekswensen gepresenteerd. Op 15 oktober 2009 beslist de rechtbank dat een aantal getuigen moeten worden gehoord. Tijdens de (regie)zitting van 18 februari 2011 worden nieuwe onderzoekswensen ingebracht. Deze worden op 17 maart 2011 allemaal afgewezen.

Tijdens de zitting van 8 december 2011 voert de verdediging preliminair verweer. Bij eindvonnis van 12 januari 2012 wordt het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. Kort gezegd (een en ander wordt hieronder nog uitvoeriger besproken) wegens de niet-naleving van de voorschriften rondom de vernietiging van geheimhoudersgesprekken.

Het openbaar ministerie gaat tegen dit vonnis in hoger beroep. De uitspraak van 12 januari 2012 wordt door het Hof Den Haag bij arrest van 16 oktober 2013 vernietigd. Het Hof stelt vast dat het niet tijdig vernietigen van de geheimhoudersgesprekken een onherstelbaar vormverzuim oplevert maar dat dit verzuim uiteindelijk niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Dat oordeel wordt gehandhaafd ook na de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. De zaak wordt terugverwezen naar deze rechtbank.

Tegen dit arrest wordt door de verdediging cassatie ingesteld. Bij arrest van 13 mei 2014 wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het beroep omdat geen cassatieschriftuur was ingediend.

Op 3 mei 2016 en 31 mei 2016 vinden regiezittingen plaats bij deze rechtbank. De zaak is vanaf 28 november 2016 inhoudelijk behandeld.

De rechtbank wijst heden, 17 januari 2017, vonnis.

5.3.2.

Overschrijding van de redelijke termijn

Zowel de officier van justitie als de verdediging stellen zich op het standpunt dat in dit onderzoek de redelijke termijn in forse mate is overschreden. Gelet op het hierboven geschetste tijdsverloop komt de rechtbank tot diezelfde vaststelling. Dat kan ook niet anders: ruim tien en een half jaar na 30 mei 2006 is de rechtbank nu tot een eindvonnis gekomen.

Anders dan de verdediging voorstaat kan dat het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie echter niet aantasten. De Hoge Raad heeft immers bij haar arrest van 17 juni 2008 (NJ 2008, 358) geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Dit is sindsdien bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad (zie ook: HR 8 september 2015; NJ 2016, 40).

De rechtbank acht geen termen aanwezig om hiervan af te wijken. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Wel is het zo dat de nadelige gevolgen van dit verzuim dienen te worden gecompenseerd. Indien de rechtbank daar aan toe zou komen, zal dat bij het bepalen van de strafmaat aan de orde komen.

5.3.3.

Rechtmatigheid van de inzet van het strafrecht

De verdediging heeft betoogd dat het strafrecht niet had mogen worden ingezet. De rechtbank legt de twee daartoe strekkende verweren als volgt uit. Primair was bij aanvang van het onderzoek geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld en subsidiair had niet het strafrecht maar het bestuursrecht moeten worden ingezet.

Enkele achtergronden moeten bij de beoordeling van deze verweren worden betrokken.

Op 8 oktober 2001 heeft een controle plaatsgevonden bij [bedrijf 1] . Deze werd uitgevoerd door het Westland Interventie Team (WIT) om na te gaan of aldaar tewerk waren gesteld –kort gezegd- illegalen en/of vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning. Na deze actie heeft het WIT een rapportage opgesteld. Daaruit blijkt het navolgende. Er zijn 146 personen gecontroleerd. Van hen waren 100 niet gerechtigd om te werken omdat voor hen geen tewerkstellingsvergunning was afgegeven. Van die 100 waren 96 illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen; de overige 4 waren wel legaal in Nederland maar mochten niet werken. Uit de administratie van [bedrijf 1] blijkt onder meer dat via [bedrijf 2] personeel door [uitzendbureau] ( [uitzendbureau] ) beschikbaar was gesteld. De urenlijst van [uitzendbureau] betrekking hebbende op week 41 van 2001 is onderzocht. Vast is gesteld dat die urenlijst vermoedelijk valselijk was opgemaakt. Zo is gebleken dat een aantal op die lijst genoemde personen feitelijk niet had gewerkt.

[uitzendbureau] is de oude statutaire naam (13 juni 2000 tot en met 25 januari 2001) en de oude handelsnaam (13 juni 2000 tot en met 17 november 2003) van [Uitzendbureau 2] geweest. [Uitzendbureau 2] is de eenmanszaak die sinds 9 oktober 2000 wordt gedreven voor rekening van (medeverdachte) [medeverdachte] .

Op 30 november 2004 ontving de SIOD een fraudemelding van de CIE Rotterdam-Rijnmond. De inhoud van deze CIE-melding is als volgt:

Bij het [bedrijf 1] , gevestigd [vestigingsplaats] werken iedere avond ongeveer 20 personen. Het gaat om illegalen en zwartwerkers, meestal Turken en Bulgaren die omstreeks 18:00 worden gebracht en om ongeveer 5:00 uur worden opgehaald. [medeverdachte] is de koppelbaas die deze mensen levert en hij zorgt dat zij gebracht en gehaald worden. [medeverdachte] heeft geen uitzendbureau en maakt gebruik van het telefoonnummer 06-53424837. De eigenaar weet dat de werknemers illegaal zijn of zwart werken want hij betaalt voor deze werknemers een laag uurloon. Bij het bedrijf werken ook mensen "wit" maar die werken in de ochtenduren.

Vervolgens werd nader onderzoek verricht naar “ [medeverdachte] ”. Het in de melding genoemde telefoonnummer bood daarbij uitkomst. Dit nummer stond op naam van [Uitzendbureau 2] , zijnde zoals hierboven al opgemerkt, de eenmanszaak van (medeverdachte) [medeverdachte] .

Maar er is meer. De hierboven geschetste bevindingen van de WIT zijn vervolgens ook betrokken bij het bepalen of er een voldoende vermoeden van schuld jegens de verdachte bestond. De inhoud van de CIE-melding, de identificatie van de daarin genoemde “ [medeverdachte] ” als zijnde [medeverdachte] en de bevindingen van de WIT moeten in onderlinge samenhang worden bezien. Op grond daarvan kon worden vermoed dat [medeverdachte] in 2004 net als in 2001, toen middels [uitzendbureau] , personeel aan [bedrijf 1] leverde dat niet gerechtigd was om te werken en dat ter verhulling daarvan documenten werden vervalst. Daardoor kon redelijkerwijs worden vermoed dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan strafbare feiten, in elk geval te weten: overtreding van artikel 197b (illegale vreemdeling arbeid laten verrichten) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 225 Sr (valsheid in geschrift).

Op 17 december 2004 werd op basis van dit vermoeden de eerste strafvorderlijke bevoegdheid ingezet. Dat was, gelet op het bovenstaande, toegestaan.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat de bevindingen van de WIT niet hadden mogen worden betrokken bij de beoordeling of jegens de verdachte een redelijk vermoeden van schuld terzake enig strafbaar feit bestond. Anders dan de verdediging stelt, was dat toegestaan. Dat op dat moment een strafzaak liep jegens de verdachte, waarvan genoemde bevindingen deel uitmaakten, vormt in deze geen beletsel.

Uiteindelijk is de verdachte bij vonnis van 22 december 2005 vrijgesproken, welk vonnis twee weken later onherroepelijk is geworden. Volgens de verdediging had in elk geval vanaf dat moment de inzet van strafvorderlijke bevoegdheden jegens de verdachte moeten worden gestaakt; de bevindingen van de WIT waren onderdeel van die strafzaak en konden dus vanaf dat moment niet (meer) bijdragen tot het oordeel dat sprake zou zijn van een redelijk vermoeden van schuld.

De rechtbank kan de verdediging hierin niet volgen.

De verdenkingen jegens de verdachte waren voor het einde van 2005 alleen maar sterker geworden. Kortheidshalve wordt gewezen op:

- de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken tussen medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte 2] in de periode van 9 november 2005 tot en met 7 december 2005;

- de CIE-melding van 10 maart 2005 en 12 december 2005;

- de bevindingen volgende uit de stelselmatige observatie op de locatie van [bedrijf 1] in de periode van 25 mei 2005 tot en met 9 juni 2005.

Wellicht ten overvloede kan gelden dat de rechtbank in genoemde vrijspraak geen oordeel heeft gevormd omtrent de onregelmatigheden die de WIT in 2001 had vastgesteld. Reden van de vrijspraak was namelijk dat niet kon worden vastgesteld voor welke bedrijfsentiteit (de besloten vennootschap of de vennootschap onder firma) de gewraakte personen werkzaam waren.

Gelet op al het bovenstaande wordt het primaire onderdeel van het verweer verworpen.

Ten aanzien van het subsidiaire onderdeel geldt het volgende.

Ervan uitgaande dat de verdenking jegens de verdachte uitsluitend betrof het tewerkstellen van illegale vreemdelingen, had volgens de verdediging uitsluitend het bestuursrecht ter handhaving mogen worden ingezet. Dit was volgens de verdediging ook de bedoeling van de wetgever met de inwerkingtreding per 1 januari 2005 van de Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen. Het komt er op neer dat artikel 2 van de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV) in dat geval dient te prevaleren boven de strafbepaling in artikel 197b Sr.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Allereerst, zo is hierboven vastgesteld, was de verdenking niet beperkt tot de overtreding van het bepaalde in artikel 197b Sr. De verdenking strekte zich namelijk ook uit tot artikel 225 Sr. De premisse die aan het verweer ten grondslag ligt is dus onjuist.

Voorts betrof de verdenking jegens de verdachte niet enkel de illegale tewerkstelling van vreemdelingen, waar de WAV op ziet, maar – zo volgt uit de CIE-melding van 30 november 2004 – betrof de verdenking ook de tewerkstelling van ‘illegalen’, waarop artikel 197b Sr specifiek ziet.

Tot slot wordt in verband met voorgaande erop gewezen dat artikel 197b Sr en artikel 2 WAV dienen ter bescherming van verschillende belangen. De in artikel 197b Sr omschreven misdrijven betreffen vergrijpen die het beleid om illegaal verblijf in Nederland tegen te gaan frustreren en een acute gevaarzetting opleveren voor de publieke kas. Artikel 2 WAV strekt tot het tegengaan van verdringing van legaal arbeidsaanbod, overtreding van normen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en concurrentievervalsing (HR 9 februari 2016; NJ 2016, 143).

5.3.4.

Weigering aanwezigheid raadsman bij de doorzoeking

Op 30 mei 2006 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het bedrijfsterrein van [bedrijf 1] . De verdediging stelt dat zij, in de persoon van mr. Van Eijck, de zaaksofficier van justitie mr. Appels had gebeld om zich te stellen als raadsman en om vervolgens een van zijn “kantoorgenoten” toegang te laten verlenen tot de doorzoeking. Volgens de verdediging werd dat door de officier van justitie geweigerd met de mededeling dat de “kantoorgenoot” door de aanwezige ME zou worden “tegengehouden”. Mr. Appels heeft een andere lezing omtrent de gebeurtenissen. Volgens hem had mr. Van Eijck niet gespecificeerd dat het ging om een “kantoorgenoot” in de zin van een advocaat maar om “twee medewerkers”, reden voor hem om mede te delen dat er geen toegang zou worden verleend.

De exacte toedracht valt niet te reconstrueren. Feit is wel dat na het telefoongesprek met de officier van justitie de raadsman, dan wel diens waarnemer, besloten heeft om niet (alsnog) ter plekke te verschijnen.

Ingevolge artikel 99a Sv is de verdachte bevoegd zich tijdens de doorzoeking te laten bijstaan door een raadsman. Deze bevoegdheid impliceert geen recht op aanwezigheid. Echter, indien vast zou komen te staan dat de officier van justitie -op onterechte gronden- de raadsman de toegang tot de doorzoeking heeft belet levert dat een vormverzuim op. Evenwel is niet is gebleken van enig concreet nadeel dat de verdachte daardoor heeft ondervonden. De verdediging heeft nog gesteld dat ontlastend materiaal ter plekke aan de politie had kunnen worden verstrekt. Dit verweer treft geen doel. Het bedoelde document, een door de verdachte aan de WIT en Belastingdienst toegezonden draaiboek, is immers op een later moment door de verdediging gevoegd aan het dossier.

Dit tot niet-ontvankelijkheid strekkende verweer wordt verworpen.

5.3.5.

Ontijdige vernietiging geheimhoudersgesprekken

Het staat vast dat in dit onderzoek geheimhoudersgesprekken niet tijdig zijn vernietigd. Het Hof Den Haag heeft in haar arrest van 16 oktober 2013 daarover het volgende bevonden. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 126aa Sv is geschonden en dat levert een onherstelbaar vormverzuim op. Het Hof heeft echter beslist dat zulks in deze zaak niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 423 lid 2 Sv aan dit oordeel gebonden.

5.3.6.

Conclusie

Zowel de forse termijnoverschrijding alsmede de ontijdige vernietiging van de geheimhoudersgesprekken kunnen, ook in onderlinge samenhang bezien, niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Nu er evenmin andere gronden zijn die de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan, is zij ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

6 Vrijspraak

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

7 Waardering van het bewijs

7.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van al het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Daartoe is het navolgende aangevoerd.

Voor zover al sprake zou zijn geweest van een criminele organisatie (feit 1) beoogde deze hoogstens vervulling van het misdrijf valsheid in geschrift. De verdachte heeft echter niet deelgenomen aan die organisatie. Voor zover dat toch zou zijn te bewijzen heeft te gelden dat de pleegperiode aanzienlijk korter dient te zijn dan is tenlastegelegd.

Als al vast zou kunnen worden gesteld dat strafbare gedragingen zijn verricht, hetgeen niet het geval is, kunnen deze in elk geval niet aan [bedrijf 1] worden toegerekend. Voor zover dat anders zou zijn heeft de verdachte, zijnde bestuurder van [bedrijf 1] , daar geen feitelijke leiding danwel opdracht aan gegeven.

Erkend wordt dat medeverdachte [medeverdachte 3] belastend jegens de verdachte heeft verklaard maar betoogd is dat aan zijn verklaringen wegens onbetrouwbaarheid geen bewijswaarde mag worden toegekend. In elk geval kan niet aan de hand van zijn verklaringen worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de vermeende strafbare handelingen; op dat onderdeel is onvoldoende steunbewijs voorhanden.

7.2.

Vaststaande feiten

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvragen.

In de ten laste gelegde periode van 1 januari 2003 tot en met 30 mei 2006 hield [bedrijf 1] zich – kort gezegd – bezig met het uitoefenen van een tuinbouw-en kwekerijbedrijf. Om de door haar gekweekte tomaten te plukken, te verwerken en te verpakken huurde zij personeel in via verschillende uitzendbureaus waaronder [Uitzendbureau 3] ( [Uitzendbureau 3] ) en [Uitzendbureau 4] [Uitzendbureau 3] werkte in dit verband samen met de eenmanszaak [Uitzendbureau 2] , die – kort gezegd – belast was met het werven, vervoeren en uitbetalen van het door [Uitzendbureau 3] uitgeleende personeel.

De verdachte en [medeverdachte 4] waren destijds directeuren van/verantwoordelijken voor [bedrijf 1] . Voor [bedrijf 1] waren verder – voor zover hier van belang – werkzaam [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . [medeverdachte 3] was sinds 1 juni 2003 bestuurder en vanaf 24 november 2004 tevens enig aandeelhouder van [Uitzendbureau 3] . [medeverdachte] was eigenaar van [Uitzendbureau 2] . Zijn zoon, [medeverdachte 2] , werkte mee in het bedrijf van zijn vader. [medeverdachte 7] was (indirect) bestuurder van [Uitzendbureau 4] . [Getuige] was werkzaam voor [Uitzendbureau 4] . [medeverdachte 8] , mede-eigenaar van het accountantskantoor [bedrijf 3] , verzorgde de boekhouding van [Uitzendbureau 3] en [Uitzendbureau 4] .

Het registreren van de namen en de gewerkte uren van werknemers die namens [Uitzendbureau 3] / [Uitzendbureau 2] werkzaam waren bij [bedrijf 1] ging als volgt. De namen en de gewerkte uren van werknemers werden op lijsten geschreven door voormannen van [Uitzendbureau 2] . Dit waren de handgeschreven urenlijsten. Deze handgeschreven urenlijsten werden gecontroleerd door [medeverdachte 6] , waarna hij de totalen aan gewerkte uren invulde. Vervolgens werden deze handgeschreven urenlijsten vanaf een kantoor bij [bedrijf 1] per fax verzonden naar [medeverdachte 3] . Aan de hand van de gegevens maakte [medeverdachte 3] op zijn computer weekoverzichten. Vervolgens bewerkte [medeverdachte 3] de inhoud van deze weekoverzichten. Daartoe gebruikte hij het computerprogramma “Puzzle” dat aan hem geleverd was door het softwarebedrijf [bedrijf 4] , waarvan [medeverdachte 8] mede-aandeelhouder en directeur was. [medeverdachte 3] bewerkte de lijsten door in voorkomende gevallen onder andere het aantal uren dat per werknemer was gewerkt te wijzigen en de namen van werknemers te wijzigen. Er zijn namen en/of uren van personen die wel gewerkt hadden weggehaald en uren weggeschreven op personen die feitelijk niet werkzaam zijn geweest. De laatste categorie personen betreft de zogenaamde “boekers”. De nieuw gegenereerde gegevens werden vervolgens door [medeverdachte 3] overgenomen in het programma “Uren”. Het resultaat van deze verwerking werden de manurenstaten genoemd. Door [medeverdachte 3] werd per week een factuur opgemaakt naar aanleiding van de door hemzelf opgestelde urenlijsten en werd een afschrift van deze door hem opgestelde urenlijst, genaamd bijlage manurenstaten, bij de desbetreffende factuur gezonden naar [bedrijf 1] . De werknemers die daadwerkelijk hadden gewerkt, werden aan de hand van de gegevens op de handgeschreven urenlijsten uitbetaald door [medeverdachte] en/of [medeverdachte 2] .


De SIOD heeft de inhoud van de handgeschreven urenlijsten vergeleken met de uiteindelijke manurenstaten. Gebleken is dat de inhoud van de handgeschreven urenlijsten sterk afwijkt van de manurenstaten die voor de betreffende week door [Uitzendbureau 3] aan [bedrijf 1] zijn verzonden. Gebleken is dat in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 mei 2006 de wijze waarop de bij [bedrijf 1] namens [Uitzendbureau 3] werkzame personen uiteindelijk werd geadministreerd op grote schaal niet overeenkwam met de werkelijkheid (welke geacht wordt te zijn vertegenwoordigd in de handgeschreven urenlijsten).

Het registreren van de namen en de gewerkte uren van werknemers die namens [Uitzendbureau 4] werkzaam waren bij [bedrijf 1] ging als volgt. De namen en de gewerkte uren van werknemers werden op handgeschreven urenlijsten bijgehouden door voormannen van [Uitzendbureau 4] . Deze lijsten werden door [medeverdachte 7] of [Getuige] opgehaald bij [bedrijf 1] . [Getuige] maakte vervolgens de uiteindelijke manurenstaten op en verstuurde die naar [medeverdachte 6] . Bij [Uitzendbureau 4] is ook het programma Puzzle op een computer aangetroffen.

Als verdachten in dit onderzoek zijn, naast de verdachte, aangemerkt [bedrijf 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] . Aan ieder van hen is ten laste gelegd dat zij/hij met de andere verdachten heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had – kort gezegd – het tewerkstellen van illegale vreemdelingen in de zin van artikel 197b Sr, het plegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk niet dan wel onjuist doen van belastingaangifte. Tevens is aan ieder van hen, met uitzondering van [medeverdachte 8] , ten laste gelegd dat zij/hij zich – in voorkomend geval als feitelijk leidinggevende van de desbetreffende vennootschap – met anderen heeft schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift.

Eerder zijn ook als verdachten aangemerkt onder meer [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [Getuige] .

Naast het verhoren van alle hiervoor genoemde verdachten bestaat het onderzoek Elwood onder meer uit een onderzoek naar de administratie van de hiervoor genoemde ondernemingen, onderzoek en analyse van afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken

en het verhoren van een groot aantal getuigen.

7.3.

Verklaringen medeverdachten

In het dossier zijn door meerdere medeverdachten verklaringen afgelegd. In sommige gevallen hebben deze medeverdachten zichzelf maar ook anderen belast. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat behoedzaam en met enige terughoudendheid met deze verklaringen dient te worden omgegaan. Medeverdachten kunnen immers – ook als ze tevens zichzelf belasten – een belang hebben om hun eigen rol kleiner te maken en de rol van andere medeverdachten groter.

Gelet hierop zal de rechtbank ervan uitgaan dat de namens de verdachte betwiste delen van de verklaring van een medeverdachte slechts dan voor het bewijs bruikbaar zijn als daarvoor steunbewijs uit een andere bron aanwezig is. Dit kunnen de verklaringen van één of meer andere medeverdachten zijn, maar ook verklaringen van getuigen, de inhoud van een tapgesprek of ander schriftelijk bewijs. Tevens kan uit een samenstel van omstandigheden in sommige gevallen worden afgeleid dat het niet anders kan dan dat een betwist deel van een verklaring van een medeverdachte, die niet direct wordt ondersteund door ander bewijs, toch juist is. Ook in die gevallen acht de rechtbank dat deel van die verklaring bruikbaar voor het bewijs.

Anders dan de verdediging voorstaat zullen onderdelen van hetgeen medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard worden gebezigd voor het bewijs. Aan de verdediging moet worden toegegeven dat [medeverdachte 3] op momenten wisselend en soms ook tegenstrijdig heeft verklaard. Daar staat tegenover dat de bepleite bewijsuitsluiting van al hetgeen hij heeft verklaard niet aan de orde is. Een aantal essentiële onderdelen in zijn afgelegde verklaringen vinden namelijk steun in andere bewijsmiddelen. Kortheidshalve wordt gewezen op: de wijze waarop hij daadwerkelijk gewerkte uren manipuleerde, de daaraan ten grondslag liggende handgeschreven urenlijsten welke vanaf een kantoor van [bedrijf 1] werden gefaxt en de intensieve contacten tussen hem en [medeverdachte 5] op de werkvloer bij [bedrijf 1] .

7.4.

Feit 1: deelname aan criminele organisatie

Onder 1 is aan de verdachte ten laste gelegd het (als oprichter en/of bestuurder en/of leidinggever) deelnemen aan een criminele organisatie. Voor deelneming is vereist dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De rechtbank acht die wetenschap bij de verdachte niet wettig en overtuigend bewezen. Weliswaar verklaart medeverdachte [medeverdachte 3] dat de verdachte wetenschap zou hebben gehad van de gepleegde strafbare feiten, maar op dit punt vindt de verklaring van [medeverdachte 3] alleen steunbewijs in de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] . Echter, zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 2] zijn medeverdachten, zodat deze verklaringen met de nodige behoedzaamheid moeten worden beoordeeld, terwijl [medeverdachte 2] bovendien slechts zeer summier verklaart over de wetenschap van de verdachte. Nu er verder geen steunbewijs is voor de wetenschap van de verdachte en de verdachte deze wetenschap ontkent, komt de rechtbank tot de slotsom dat de wetenschap van de verdachte niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

7.5.

Feit 2 subsidiair: opdracht of feitelijke leiding geven

Onder 2 subsidiair is aan de verdachte ten laste gelegd het opdracht geven dan wel feitelijke leiding geven aan valsheid in geschrift gepleegd door [bedrijf 1] .

Opdracht geven of feitelijke leiding geven

Volgens vaste rechtspraak zou eerst dienen te worden vastgesteld of [bedrijf 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde strafbare feit, alvorens wordt toegekomen aan de beantwoording van de vraag of de verdachte als opdrachtgever of als feitelijke leidinggever van de strafbare gedraging kan worden aangemerkt. De rechtbank zal evenwel direct overgaan tot de beantwoording van de vraag of de verdachte als opdrachtgever dan wel leidinggever kan worden aangemerkt, nu hieruit reeds blijkt dat dit – zelfs indien zou worden vastgesteld dat [bedrijf 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 subsidiair ten laste gelegde strafbare feit – niet het geval is en de verdachte reeds op grond hiervan dient te worden vrijgesproken.

Van feitelijke leiding geven aan verboden gedragingen kan onder omstandigheden sprake zijn indien de desbetreffende functionaris – hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden –maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. In deze situatie wordt de functionaris geacht opzettelijk de verboden gedragingen te bevorderen.

In beginsel kan echter slechts worden aangenomen dat iemand feitelijke leiding heeft gegeven aan een verboden gedraging, indien hij van die gedraging op de hoogte was. Hierboven is al vastgesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op de hoogte was van de ten laste gelegde verboden gedraging. Dit brengt overigens ook met zich dat het ‘opdracht geven tot’ niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans in het kader van feitelijke leiding geven kan zich voordoen, indien hetgeen de verdachte bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de ten laste gelegde verboden gedraging of indien hij bekend was met het regelmatig begaan van soortgelijke strafbare feiten. Ook kan voldaan zijn aan het opzetvereiste indien een leidinggever de werkzaamheden zo organiseert dat hij er rekening mee moet houden dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten. Van geen van voornoemde omstandigheden is in dit onderzoek ten aanzien van de verdachte gebleken. In dit verband stelt de rechtbank nog vast dat uit het dossier blijkt dat na een inval in 2001 bij het bedrijf van de verdachte, een procedure is ingesteld in de vorm van een draaiboek voor de controle en toelating van werknemers van uitzendbureaus c.q derden, die werkzaam zijn voor het bedrijf van de verdachte. Dit wijst juist eerder in de richting van het trachten te voorkomen van strafbare feiten in de sfeer van arbeid en personeel dan op het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat deze strafbare feiten zich zullen voordoen. Ook overigens kan uit het onderzoek niet worden opgemaakt dat bij de verdachte sprake is geweest van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat het ten laste gelegde feit zich zou voordoen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat ook het onder 2 subsidiair tenlastegelegde niet kan worden bewezen, zodat de verdachte ook daarvan zal worden vrijgesproken.

8 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

9 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.W. van Lottum, voorzitter,

en mrs. B.A. Cnossen en M.M. Koevoets, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.E.G. Busemeijer genaamd Lagemann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 januari 2017.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij,

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot

en met 30 mei 2006, te Poeldijk, gemeente Westland, en/of te De Lier, gemeente

Westland, en/of te Monster en/of te Vlaardingen, in elk geval in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit een

samenwerkingsverband tussen

verdachte en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte] en/of [medeverdachte 2]

en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 7] ,

in elk geval uit een of meer medeverdachte(n) en/of een of meer (andere)

(rechts)perso(o)n(en),

welke organisatie(s) (telkens) tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te

weten

- het een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in

Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen

verrichten, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat

de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is (artikel 197b Sr) en/of

- van het in artikel 197b sr omschreven feit een beroep of gewoonte maken (art

197c Sr) en/of

- het valselijk opmaken en/of vervalsen van (een) geschrift(en) dat/die

bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen (art 225 lid 1 Sr),

en/of

- het opzettelijk gebruik maken van valse of vervalste geschriften, als ware

deze echt en onvervalst, dan wel opzetttelijk zodanige geschriften afleveren

of voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat

deze geschriften bestemd zijn voor zodanig gebruik (art 225 lid 2 Sr) en/of

- het opzettelijk niet danwel onjuist en/of onvolledig doen van een of meer

bij de belastingwet voorziene aangifte(n) (art 69 Awr),

zulks terwijl hij, verdachte, (mede)oprichter en/of bestuurder en/of

leidinggever binnen die organisatie was;

artikel 140 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

[bedrijf 1] ,

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en

met 30 mei 2006

te De Lier, gemeente Westland, althans elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk (in de administratie van [bedrijf 1]

) voorhanden heeft gehad,

(telkens) (een) valse en/of vervalste (man)urenlijst(en) betrekking hebbende

op [bedrijf 1]

onder meer betreffende:

- week 14 van het jaar 2003 (DOC/024-131), en/of

- week 18 van het jaar 2006 (DOC/024-2087)

-(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen-,

terwijl [bedrijf 1] en/of zijn mededader(s) (telkens)

wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze geschriften

bestemd is/zijn voor gebruik, als ware het (telkens) echt en onvervalst,

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) (telkens) hierin dat

(telkens) valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

op die (man)urenlijst(en) (een) werknemer(s) was/waren vermeld die in

werkelijkheid niet, in elk geval niet het op die urenlijsten vermelde aantal

uren, hadden gewerkt

immers

op de (man)urenlijst betreffende week 14 van het jaar 2003

als werknemer(s) was/waren vermeld

[getuige 2] (totaal 36 uren), en/of

[getuige 3] (totaal 20 uren),

terwijl in werkelijkheid genoemde werknemer(s) in genoemde week niet, in elk

geval niet het totaal vermelde aantal uren, had(den) gewerkt,

(bijlage DOC/024-131)

en/of

op de (man)urenlijst betreffende week 18 van het jaar 2006

als werknemer was/waren vermeld

[getuige 4] (totaal 39,50 uren), en/of

[getuige 5] (totaal 40 uren), en/of

[getuige 6] (totaal 40 uren)

[getuige 7] (totaal 36,75 uren),

terwijl in werkelijkheid genoemde werknemer(s) in genoemde week niet, in elk

geval niet het totaal vermelde aantal uren, had(den) gewerkt,

(bijlage DOC/024-2087)

tot het plegen van welk(e) bovengeschreven strafbare feit(en) verdachte,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovengeschreven verboden

gedraging(en) verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) feitelijke leiding

heeft/hebben gegeven;

artikel 51 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijf 1] ,

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 mei 2006

te De Lier, gemeente Westland, althans elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) de administratie van [bedrijf 1] ,

zijnde een (samenstel van) geschrift(en) dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of doen vervalsen,

immers heeft/hebben [bedrijf 1] , en/of haar mededader(s),

telkens opzettelijk valselijk, immers in strijd met de waarheid,

(zakelijk weergegeven)

in haar/die administratie,

(een) valse en/of vervalste (man)urenlijst(en) betrekking hebbende

op [bedrijf 1]

betreffende:

- week 14 van het jaar 2003 (DOC/024-131), en/of

- week 18 van het jaar 2006 (DOC/024-2087)

opgenomen en/of verwerkt,

bestaande de valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) van die (man)urenlijst(en) (telkens) hierin dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid

-zakelijk weergegeven-

op die (man)urenlijst(en) (een) werknemer(s) was/waren vermeld die in

werkelijkheid niet, in elk geval niet het op die urenlijsten vermelde aantal

uren hadden gewerkt

immers was/waren

op de (man)urenlijst betreffende week 14 van het jaar 2003 als werknemer(s) vermeld

- [getuige 2] (totaal 36 uren), en/of

- [getuige 3] (totaal 20 uren)

terwijl in werkelijkheid genoemde werknemer(s) in genoemde week niet, in elk

geval niet het totaal vermelde aantal uren, had(den) gewerkt,

(bijlage DOC/024-131)

en/of

op de (man)urenlijst betreffende week 18 van het jaar 2006 als werknemer vermeld

- [getuige 4] (totaal 39,50 uren), en/of

- [getuige 5] (totaal 40 uren), en/of

- [getuige 6] (totaal 40 uren),

- [getuige 7] (totaal 36,75 uren)

terwijl in werkelijkheid genoemde werknemer(s) in genoemde week niet, in elk

geval niet het totaal vermelde aantal uren, had(den) gewerkt,

(bijlage DOC/024-2087);

(telkens) met het oogmerk om voornoemd(e) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

tot het plegen van welk(e) bovengeschreven strafbare feit(en) verdachte,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovengeschreven verboden

gedraging(en) verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) feitelijk leiding

heeft/hebben gegeven;