Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4561

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
5615571
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Aanzegvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3800
AR-Updates.nl 2017-0914
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5615571 VZ VERZ 16-24795

uitspraak: 24 februari 2017

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [plaatsnaam],

verzoekster,

tevens verweerster in het zelfstandig verzoek,

gemachtigde: mr. R.J. Michielsen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Oral Care Center B.V.,

gevestigd te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

verweerster,

tevens verzoekster in het zelfstandig verzoek,

gemachtigde: mr. D.F. Lansbergen.

Partijen worden hierna aangeduid als “[verzoekster]” en “Oral Care”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

• het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 27 december 2016;

• het verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen ter griffie op 23 januari 2016.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 januari 2017. [verzoekster] is ter zitting verschenen, bijgestaan door de gemachtigde mr. R.J. Michielsen. Namens Oral Care zijn verschenen dhr. [S.] en dhr. [V.], bijgestaan door de gemachtigde

mr. D.F. Lansbergen. Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten (nader) toegelicht. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gehouden.

1.3

De beschikking is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

In de onderhavige procedure zal worden uitgegaan van de navolgende vaststaande feiten.

2.1

[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1989 is op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zeven maanden per 1 april 2016 bij Oral Care in dienst getreden in de functie van tandartsassistente. De arbeidsovereenkomst is op 1 november 2016 geëindigd.

2.2

Het laatstverdiende salaris van [verzoekster] bedraagt € 1.836,52 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag, op basis van (laatstelijk) een arbeidsomvang van 34 uur per week.

2.3

In artikel 10.2 van de arbeidsovereenkomst is een studiekostenbeding opgenomen dat

- voor zover van belang - luidt als volgt:

“Werkgever betaalt de kosten van elke met de werknemer schriftelijk overeengekomen opleiding. In geval van beëindiging van het dienstverband door werknemer tijdens de studie of indien het dienstverband wordt beëindigd tijdens de studie wegens een reden die voor rekening van werknemer komt (…), is de werknemer gehouden de in verband met de studie gemaakte kosten direct en volledig terug te betalen. Hetzelfde geldt indien de werknemer de studie voortijdig afbreekt of (…) deze niet met goed gevolg afrondt binnen de daarvoor gestelde termijn.

2.4

Artikel 10.3 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

“In geval van beëindiging van het dienstverband na het afronden van de studie luidt de terugbetalingsregeling als volgt:

a. a) bij beëindiging binnen 1 jaar na beëindiging van de opleiding: 100% van de opleidingskosten;

b) bij beëindiging tussen 1 en 2 jaar na beëindiging van de opleiding: 66% van de opleidingskosten:

c) bij beëindiging tussen 2 en 3 jaar na beëindiging van de opleiding 33% van de opleidingskosten.

De terugbetalingsverplichting vervalt 3 jaar na beëindiging van de opleiding. Onder opleidingskosten wordt onder meer, doch niet uitsluitend verstaan reiskosten, uren vrijaf, studiemateriaal en cursusgeld.

Het op grond van voorgaande leden terug te betalen bedrag is onmiddellijk opeisbaar zodra de genoemde situatie zich voordoet en kan worden verrekend met het salaris en/of de eindafrekening”.

2.5

De e-mail van 21 oktober 2016 van Oral Care aan [verzoekster] luidt als volgt:

(…) “Zoals afgesproken, je ontvangt nu 2de contract van ons, Deze voorwaarden zijn door ons aangeboden, gelieve i.v.m. agendaplanning tot volgende week Donderdag 27-10-2016 per mail aan ons laten weten dat deze wordt geaccepteerd, als je niet van plan bent om deze contract te aanvaarden, graag doorgeven dan kunnen wij op tijd jou agenda blokkeren om patienten te overbelasten” (…)

2.6

[verzoekster] heeft in reactie op de contractverlenging per e-mail van 24 oktober 2016 een aantal punten voor wijziging, waaronder de duur van het contract (18 maanden in plaats van 15 maanden), de functieomschrijving (preventie-implantologie assistente in plaats van preventie-assistente), de opzegtermijn en de salarisschaal aangedragen.

2.7

Op 31 oktober 2016 heeft een gesprek tussen Oral Care en [verzoekster] plaatsgevonden, waarbij partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen over verlenging van de arbeidsovereenkomst.

2.8

Oral Care heeft per e-mail van 1 november 2016 en de daarbij gevoegde brief, gedateerd op 31 oktober 2016, aan [verzoekster] medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die duurt tot 1 november 2016, van rechtswege zal eindigen en niet zal worden verlengd.

3 Het geschil

ten aanzien van de verzoeken van [verzoekster]

3.1

heeft verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Oral Care te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 1.508,32 netto aan aanzegvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2016, het saldo aan vakantiegeld en vakantiedagen, zulks onder toezending van een deugdelijke bruto/netto specificatie en een bedrag van € 101,34 netto ter zake van bedrijfskleding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2016., met veroordeling van Oral Care in de kosten van het geding.

3.2

Ter onderbouwing van haar verzoek heeft [verzoekster] - kort en zakelijk weergegeven -

het volgende naar voren gebracht.

3.2.1

Oral Care heeft [verzoekster] per e-mail van 1 november 2016, dat wil zeggen na het verstrijken van de duur van de arbeidsovereenkomst, geïnformeerd over het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. [verzoekster] maakt dan ook aanspraak op het maximum van de wettelijke vergoeding ex artikel 7:668 lid 3 BW tot een bedrag van € 1.508,32 netto.

Nadat Oral Care op 21 oktober 2016 aan [verzoekster] een nieuw contract heeft aangeboden heeft [verzoekster] er op mogen vertrouwen dat partijen overeenstemming zouden bereiken. [verzoekster] heeft enkel per e-mail van 24 oktober 2016 enkele kanttekeningen willen plaatsen en haar werd tijdens het gesprek tussen partijen op 31 oktober 2016 zonder enige omhaal te verstaan gegeven dat het dienstverband niet verlengd zou worden.

3.2.2

Oral Care weigert voorts ten onrechte om over te gaan tot een behoorlijke eindafrekening van vakantiegeld en vakantiedagen. [verzoekster] maakt dan ook aanspraak op vergoeding van het vakantiegeld en het saldo vakantiedagen.

3.2.3

[verzoekster] heeft daarnaast bij haar indiensttreding in april 2016 in opdracht van de directie bedrijfskleding aangeschaft tot een bedrag van € 101,34. De bedrijfskleding was bestemd voor de uitoefening van haar werkzaamheden en dient door Oral Care vergoed te worden.

3.3

Het verweer van Oral Care strekt tot afwijzing van het verzoek van [verzoekster],

Door Oral Care is daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

3.3.1

Oral Care is geen aanzegvergoeding aan [verzoekster] verschuldigd, nu [verzoekster] ruimschoots voor 1 oktober 2016 (expliciet) op de hoogte was van het feit dat haar arbeidsovereenkomst zou worden verlengd. Met [verzoekster] zijn meerdere gesprekken gevoerd die gelijk dienen te worden gesteld met de bedoelde mededeling in artikel 7:668 lid 1 BW.

Oral Care heeft enkele weken na indiensttreding de arbeidsduur van [verzoekster] aangepast van 36 uur naar 34 uur, waarbij het salaris niet is aangepast, hetgeen feitelijk neerkomt op een loonsverhoging. Reeds in september 2016, dan wel begin oktober 2016 is mondeling aan [verzoekster] toegezegd dat haar contract verlengd zou worden, zij het zonder nieuwe salarisverhoging, omdat Oral Care veel in de opleiding van [verzoekster] heeft geïnvesteerd en zij reeds een salarisverhoging had gekregen. [verzoekster] heeft met dit voorstel mondeling ingestemd. Tot ontsteltenis van Oral Care heeft [verzoekster] in oktober 2016 de verhoudingen op scherp gezet door middel van het stellen van onredelijke eisen. Oral Care heeft uiteindelijk het aanbod van de nieuwe arbeidsovereenkomst ingetrokken, omdat [verzoekster] klaarblijkelijk dit aanbod, waarop zij eerder mondeling akkoord had gegeven, niet wilde aanvaarden.

Gelet op de onredelijke eisen van [verzoekster], die voor Oral Care niet acceptabel waren en het feit dat [verzoekster] zelf het aanbod van de nieuwe arbeidsovereenkomst heeft geweigerd, is Oral Care de aanzegvergoeding niet verschuldigd. Tenslotte stelt Oral Care dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijk onaanvaardbaar is dat zij aanzegvergoeding verschuldigd is, omdat [verzoekster] al voor 1 oktober 2016 op de hoogte was van het feit dat de arbeidsovereenkomst verlengd zou worden en [verzoekster] het aanbod zelf niet heeft geaccepteerd. Voor zover Oral Care de aanzegvergoeding verschuldigd is, verzoekt zij matiging daarvan. Oral Care heeft immers op 21 oktober 2016 schriftelijk een nieuwe arbeidsovereenkomst aan [verzoekster] voorgelegd.

3.3.2

Oral Care stelt voorts dat zij reeds eerder is overgegaan tot een deugdelijke eindafrekening. Oral heeft de opgebouwde vakantietoeslag aan [verzoekster] voldaan in december 2016.

3.3.3

Voorts betwist Oral Care de verschuldigdheid van de bedrijfskleding. Volgens het interne protocol dient de bedrijfskleding door Oral Care te worden aangeschaft. De aanschaf

van de bedrijfskleding wordt vervolgens afgeschreven en de werknemer dient bij een vertrek binnen drie jaar de bedrijfskleding te vergoeden. Nu [verzoekster] de bedrijfskleding niet op de reguliere wijze heeft besteld, acht Oral Care zich niet gehouden de nota van de kleding te voldoen.

ten aanzien van de verzoeken van Oral Care

3.4

Oral Care heeft verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verzoekster] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 94,28 netto uit hoofde van teveel genoten vakantie uren en een bedrag van € 821,52 netto aan studiekosten, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het geding.

3.5

Oral Care heeft aan haar verzoek - kort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

[verzoekster] heeft teveel vrije uren genoten bij het einde van de arbeidsovereenkomst en dient deze uren aan Oral Care terug te betalen. [verzoekster] dient voorts op grond van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst haar studiekosten terug te betalen. [verzoekster] heeft gedurende haar dienstverband diverse opleidingen gevolgd en heeft onder werktijd totaal 61 uren studie gevolgd, hetgeen correspondeert met een bedrag van € 821,52 bruto.

4 De beoordeling

ten aanzien van de verzoeken van [verzoekster]

4.1

Het verzoek van [verzoekster] heeft in eerste instantie betrekking op de aanzegverplichting zoals bedoeld in artikel 7:668 lid 1 BW. Uit hoofde van die bepaling is de werkgever verplicht de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van zes maanden of langer van rechtswege eindigt, schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten ervan. Indien de werkgever deze aanzegverplichting in het geheel niet is nagekomen, is de werkgever krachtens het derde lid van genoemd artikel een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het loon voor één maand. Is de werkgever die verplichting niet tijdig nagekomen, dan is hij aan de werknemer een vergoeding naar rato verschuldigd.

4.2

[verzoekster] heeft het voorliggende verzoek tijdig ingediend, binnen de in artikel 7:686a lid 4 onderdeel e BW genoemde termijn van drie maanden na de dag waarop de verplichting voor Oral Care op grond van artikel 7:668 lid 1 BW is ontstaan.

4.3

Voorop wordt gesteld dat de wet nadrukkelijk verlangt dat de werkgever de werknemer schriftelijk informeert. Ten aanzien van de schriftelijkheid van de aanzegverplichting blijkt uit de wetsgeschiedenis (vide de MvA Kamerstukken I 2013/14, 33818, C, p. 79) onder meer het volgende:

“Om de positie van de werknemer te versterken, wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat de mondelinge toezegging van de werkgever op dit punt wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht. Zo wordt voorkomen dat een werkgever weliswaar aan een werknemer toezegt om de arbeidsovereenkomst voort te zetten, maar deze toezegging vervolgens niet nakomt. Zonder deze aanzegplicht kan het ook voorkomen dat een werkgever zo lang mogelijk wacht met de mededeling dat er geen vervolgcontract zal worden aangeboden. Dit, veelal uit angst dat een dergelijke mededeling ten koste zal gaan van de inzet van de

desbetreffende werknemer. Met de introductie van de aanzegplicht in artikel 7:668 BW is dat financieel niet meer aantrekkelijk voor de werkgever, aangezien de

werkgever bij niet naleving van de aanzegplicht aan de werknemer een vergoeding

verschuldigd is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon voor een maand en bij niet tijdige nakoming een vergoeding naar rato. Ten slotte merkt de regering op dat ook deze maatregel past in het streven de werkzekerheid van werknemers te bevorderen. Als zij op de hoogte zijn van het feit dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd, kunnen zij tijdig omzien naar een andere baan.”

4.4

Uit de wetsgeschiedenis blijkt derhalve dat de wetgever de eis van de schriftelijke aanzegging heeft gesteld ter bescherming van de werknemer. In zoverre dringt de vergelijking met de schriftelijkheid van het concurrentie- en proeftijdbeding zich op.

Ook ten aanzien van die bedingen geldt dat er geen concurrentie - of proeftijdbeding van toepassing is, indien het beding niet schriftelijk is aangegaan, ook al erkent de werknemer dat hij een dergelijk beding is aangegaan met de werkgever. Ten aanzien van die bedingen geldt de schriftelijkheid als constitutief vereiste. Gezien de wetsgeschiedenis van de WWZ heeft de wetgever ook bij de aanzegvergoeding gekozen voor een dergelijk systeem, waarbij geldt dat alleen door een schriftelijke aanzegging voldaan kan worden aan de aanzegplicht van artikel 7:668 lid 1 BW.

4.5

De kantonrechter volgt Oral Care dan ook niet in haar standpunt dat haar mondelinge toezeggingen aan [verzoekster] om de arbeidsovereenkomst te verlengen, die ruim voor 1 oktober 2016 door haar zouden zijn gedaan, gelijk dienen te worden gesteld met de bedoelde mededeling zoals bedoeld in artikel 7:668 lid 1 BW. Op grond van vorenstaande overwegingen moet geconcludeerd worden dat aan de mondelinge aanzeggingen van Oral Care geen betekenis toekomt. Voor het betrachten van enige soepelheid met betrekking tot het wettelijk schriftelijkheidsvereiste, omdat [verzoekster] volgens Oral Care al voor 1 oktober 2016 wist waar zij aan toe was en het mondelinge aanbod om de arbeidsovereenkomst voort te zetten zou hebben geaccepteerd, biedt artikel 7:668 lid 1 BW geen ruimte.

4.6

In de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] is onder meer het volgende opgenomen: “Werknemer treedt met ingang van [01-04-2016] in dienst voor bepaalde tijd van 7 maanden. De overeenkomst eindigt van rechtswege op 01-11-2016 zonder dat hiervoor een opzeggingshandeling noodzakelijk is”.

4.7

Vaststaat dat Oral Care [verzoekster] eerst per e-mail van 21 oktober 2016 een aanbod heeft gedaan om de arbeidsovereenkomst vanaf 1 november 2016 te verlengen voor de duur van vijftien maanden, eindigend van rechtswege op 1 februari 2018. Nu door Oral Care, gelet op de overgelegde arbeidsovereenkomst, daarbij ook de voorwaarden waaronder de overeenkomst zal worden voortgezet, heeft geschetst heeft zij pas op 21 oktober 2016 voldaan aan de aanzegverplichting als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 BW. Nu voorts vaststaat dat in de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] geen aanzegging bij voorbaat is opgenomen, moet worden geconcludeerd dat Oral Care niet tijdig heeft voldaan aan haar aanzegverplichting. Ingevolge genoemde wetsbepaling dient de werkgever de werknemer immers uiterlijk een maand voor de expiratiedatum van de arbeidsovereenkomst schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsrelatie en ingeval de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet over de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

4.8

Voor wat betreft de gang van zaken tijdens het gesprek tussen partijen op 31 oktober 2016 geven partijen ieder een andere lezing van de feiten. [verzoekster] stelt dat zij de intentie had om tijdens het gesprek op 31 oktober 2016 het contract te “vervolmaken” en dat de inhoud

van de e-mail van 24 oktober 2016 niet opgevat diende te worden als nieuwe eisen, maar als nadere vraagstellingen. Oral Care heeft zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat zij niet op de in de e-mail van 24 oktober 2016 genoemde eisen van [verzoekster], die voor haar volstrekt onredelijk en onacceptabel waren, kon en wilde ingaan en uiteindelijk het aanbod

van de nieuwe arbeidsovereenkomst heeft ingetrokken, omdat [verzoekster] het aanbod, alhoewel zij daarmee eerder mondeling akkoord was gegaan, niet wilde aanvaarden. Niet Oral Care, zo stelt zij, heeft “de stekker eruit getrokken”, maar [verzoekster] heeft in haar ogen zelf ontslag genomen. Wel is door [verzoekster] tijdens de mondeling behandeling als onweersproken gesteld dat zij tijdens het gesprek dat op haar laatste werkdag aan het einde van de middag plaatsvond, van Oral Care direct een beëindigingsformulier overhandigd heeft gekregen, dat zij weigerde te ondertekenen. Door Oral Care is bovendien ook ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat de in de e-mail van 24 oktober 2016 genoemde eisen van [verzoekster], waaronder de verzochte salarisverhoging, die de kantonrechter overigens op zichzelf niet onredelijk voorkomen, haar volstrekt in het verkeerde keelgat zijn geschoten. Nu niet gebleken is dat aan [verzoekster] nog een reële mogelijkheid is gegeven om de aangeboden arbeidsovereenkomst, desnoods met een “take it or leave it”, alsnog te accepteren en Oral Care ook na afloop van het gesprek op 31 oktober 2016 op 1 november 2016 het einde van de arbeidsovereenkomst schriftelijk heeft aangezegd, stelt de kantonrechter vast dat het Oral Care is geweest die heeft besloten lopende de gesprekken over haar aanbod de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Ook al is door Oral Care op 21 oktober 2016 aanvankelijk te kennen gegeven dat zij de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] wenste voort te zetten, door het intrekken van haar aanbod is de arbeidsovereenkomst niet daadwerkelijk voortgezet en heeft Oral Care achteraf beschouwd met het aanbieden van het contract op 21 oktober 2016 niet aan haar aanzegplicht voldaan. De aanzegverplichting is immers door de wetgever opgenomen om te zorgen dat de werknemer in een vroegtijdig stadium weet of het contract al dan niet verlengd zal worden en zich derhalve in een vroegtijdig stadium zo nodig kan oriënteren op de arbeidsmarkt.

4.9

De volgende aanzegging van Oral Care heeft [verzoekster] vervolgens op 1 november 2016 bereikt en de arbeidsovereenkomst is ook op 1 november 2016 van rechtswege geëindigd. Dit betekent dat Oral Care [verzoekster] ook met deze schriftelijke aanzegging niet tijdig (dat wil zeggen: uiterlijk één maand voor het aflopen van het contract voor bepaalde tijd) heeft geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Oral Care is daarmee op grond van artikel 7:668 lid 3 BW de aanzegvergoeding verschuldigd geworden ter hoogte van één maandsalaris. Het beroep van Oral Care op de redelijkheid en billijkheid zal worden gepasseerd. Door Oral Care zijn onvoldoende zwaarwegende feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat aan [verzoekster] de aanzegvergoeding wordt toegekend.

Het is vaste jurisprudentie dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dit geldt evenzeer voor het buiten toepassing laten van een dwingendrechtelijke bepaling. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat voor het matigen van de aanzegvergoeding tot 20/31e van het maandsalaris, een en ander zoals door Oral Care is verzocht, evenmin grond.

4.10

Vervolgens dient beoordeeld te worden welk bedrag toewijsbaar is. In lid 6 van artikel 7:668 BW is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald wordt wat voor de toepassing van lid 3 van genoemd artikel onder loon moet worden verstaan.

Ter uitvoering daarvan geldt het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding alsmede de regeling van de Minister van Sociale Zaken en

Werkgelegenheid tot vaststelling van regels over de berekening van de arbeidsduur en aanwijzing van vaste en variabele looncomponenten op grond van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding (Regeling looncomponenten en arbeidsduur). Ingevolge die regelingen is voor de berekening van de aanzegvergoeding bepalend het bruto uurloon vermenigvuldigd met de overeengekomen arbeidsduur per maand of indien een wisselende arbeidsduur is overeengekomen het bruto uurloon vermenigvuldigd met het gemiddelde aantal gewerkte uren per maand in de maximaal twaalf maanden voorafgaand aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

4.11

Partijen zijn het er over eens dat het gemiddelde maandsalaris van [verzoekster] € 1.836,52 bruto per maand heeft bedragen, exclusief 8% vakantietoeslag. Het door [verzoekster] verzochte netto equivalent van € 1.508,32 is dan ook toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover op de wijze zoals in het dictum vermeld.

vakantiegeld en vakantiedagen

4.12

[verzoekster] heeft haar verzoek ten aanzien van het vakantiegeld ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ingetrokken, zodat dit geen nadere bespreking en beoordeling meer behoeft. Na intrekking van het verzoek van Oral Care tot terugbetaling van zeven (min)uren (op 1 november 2016) maakt [verzoekster] nog aanspraak op uitbetaling van anderhalf uur aan vakantiedagen, zulks onder toezending van een deugdelijke bruto/netto specificatie.

Nu dit openstaande saldo niet langer door Oral Care is weersproken is, rekening houdend met een uurtarief van € 12,47 bruto, een bedrag van € 18,71 bruto toewijsbaar.

vergoeding bedrijfskleding

4.13

Ten aanzien van de vergoeding van de bedrijfskleding heeft [verzoekster] verwezen naar de haar overgelegde factuur van Clinic Dress van 4 april 2016 tot een bedrag van € 101,34. Vaststaat dat ten aanzien van de vergoeding van bedrijfskleding geen bepalingen zijn opgenomen in de arbeidsovereenkomst. Uit het door Oral Care overgelegde protocol (“verklaring kleding”) kan wel worden afgeleid dat de aangeschafte bedrijfskleding gedurende drie jaar wordt afgeschreven, maar dit protocol is niet door [verzoekster] ondertekend en de toepasselijkheid daarvan is door haar stellig betwist. Voor zover uit de door Oral Care in het geding gebrachte verklaringen van twee medewerkers (Hasic en Van IJzendoorn) al kan worden afgeleid dat [verzoekster] met dit protocol bekend was, heeft [verzoekster] bovendien een andere grondslag gesteld, in die zin dat zij de broeken niet op de reguliere wijze, maar met toestemming van de directie van Oral Care heeft besteld. Nu door Oral Care op zichzelf niet is weersproken dat [verzoekster] met toestemming de broeken mocht bestellen, kon [verzoekster] dit naar het oordeel van de kantonrechter niet anders begrijpen dat dat ze de factuur daarvoor later mocht indienen en dat Oral Care de kosten daarvan zou vergoeden. Een bedrag van € 101,34 is dan ook toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals in het dictum vermeld.

ten aanzien van de verzoeken van Oral Care

4.14

Oral Care heeft ter gelegenheid van de mondeling behandeling haar verzoek ten aanzien van de veel door [verzoekster] genoten vakantie uren niet langer gehandhaafd, zodat dit geen nadere beoordeling en bespreking meer behoeft.

studiekostenbeding

4.15

Oral Care heeft de terugbetaling van de studiekosten tot een bedrag van € 821,52 bruto, de totaal 61 uur maal € 12,47 bruto per uur, te vermeerderen met vakantietoeslag gegrond

op het studiekostenbeding, zoals opgenomen in artikel 10.2 van de arbeidsovereenkomst en

de terugbetalingsregeling zoals opgenomen in artikel 10.3 van de arbeidsovereenkomst.

Voor wat betreft de 61 uur heeft Oral Care verwezen naar het door haar opgestelde overzicht zoals overgelegd bij productie 12 van het verweerschrift. Door [verzoekster] is ten aanzien van deze uren een andere omschrijving gegeven, in die zin dat daarbij steeds sprake was van “lunch en learn”. Met [verzoekster] is de kantonrechter van oordeel dat voor de

toepasselijkheid van het studiekostenbeding en de terugbetalingsregeling sprake moet zijn van een “schriftelijk overeengekomen opleiding”. Nu door [verzoekster] is betwist dat met haar schriftelijk een opleiding is overeengekomen en Oral Care op dit punt haar stellingen niet

nader heeft onderbouwd, zal ervan worden uitgegaan dat Oral Care niet aan dit schriftelijkheidsvereiste heeft voldaan. Evenmin is gebleken dat partijen de hoogte van de opleidingskosten vooraf schriftelijk zijn overeengekomen. De in het overzicht gevolgde cursussen lijken bovendien enkel verband te houden met de interne opleiding van [verzoekster]

“on the job” en niet gesteld of gebleken is dat door Oral Care aparte kosten zijn gemaakt.

De conclusie luidt dat het verzoek tot terugbetaling van de studiekosten wegens gebrek aan grondslag zal worden afgewezen.

in alle verzoeken

4.16

Als de in het ongelijk gestelde partij dient Oral Care veroordeeld te worden in de kosten van het geding. Nu aan [verzoekster] een toevoeging is verstrekt in het kader van de Wet op de rechtsbijstand, dienen die proceskosten door Oral Care voldaan te worden, zoals hierna in het dictum vermeld.

5 De beslissing

de kantonrechter:

in het verzoek van [verzoekster]:

veroordeelt Oral Care om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoekster] te voldoen een bedrag van € 1.508,32 netto aan aanzegvergoeding als bedoeld in artikel 7:668 lid 3 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW over dit bedrag te rekenen vanaf 14 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Oral Care om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoekster] te voldoen een bedrag van € 18,71 bruto aan saldo vakantiedagen, een en ander onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

veroordeelt Oral Care om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoekster] te voldoen een bedrag van € 101,34 ter zake van bedrijfskleding, te vermeerderen met de wettelijke rente

ex artikel 6:119 BW te rekenen vanaf 14 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

in het verzoek van Oral Care

wijst af het verzoek;

in alle verzoeken

veroordeelt Oral Care in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op:

€ 300,00 aan salaris voor haar gemachtigde,

€ 79,00 voor het door [verzoekster] verschuldigde en door haar gemachtigde betaalde griffierecht, van welke bedragen het totaal rechtstreeks aan die gemachtigde dient te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.L. van Zetten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

829