Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4545

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
ROT 16/6256
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2019:3731, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

dagloon zw,

De rechtbank stelt allereerst vast, evenals verweerder deed, dat de dienstbetrekkingen van eiser bij [werkgever II] . en [werkgever] niet als één inkomstenverhouding in de zin van artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit aangemerkt kunnen worden. De rechtbank acht hierbij van doorslaggevend belang dat het gaat om twee verschillende werkgevers en dat beide dienstbetrekkingen in de loonaangifte niet als één inkomstenverhouding zijn aangemerkt. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat sprake is van twee verschillende loonheffingsnummers. Wat eiser primair heeft aangevoerd, wordt om deze reden dan ook niet gevolgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 16/6256

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (vestiging Zwolle).

Procesverloop

Bij besluit van 4 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 1 augustus 2016 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Bij besluit van 24 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 17 maart 2017 heeft de rechtbank partijen schriftelijk vragen gesteld. Daarop heeft verweerder bij brief van 24 maart 2017 geantwoord onder overlegging van een aantal overzichten uit de polisadministratie (Suwinet). Bij brief van 31 maart 2017 heeft de gemachtigde van eiser de gronden van beroep aangevuld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.L. Swartjes.

Overwegingen

1.1

Eiser is in de periode van 18 september 2014 tot 1 augustus 2015 werkzaam geweest bij [werkgever] op basis van een 0-urencontract. Eiser heeft daarnaast in de periode 1 januari 2015 tot en met 31 juli 2015 via het detacheringsbedrijf [werkgever II] gewerkt voor SOPOH. Vanaf 1 augustus 2015 had eiser een aanstelling bij [werkgever] voor onbepaalde tijd als leerkracht basisonderwijs. Deze dienstbetrekking is op 15 april 2016 opgezegd en geëindigd op 31 juli 2016.

1.2

Eiser is met ingang van 8 september 2015 vanuit de dienstbetrekking met [werkgever] ziekgemeld en heeft op 31 juli 2016 een aanvraag voor een ZW-uitkering ingediend.

1.3

Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen. Het dagloon is vastgesteld op € 48,82.

1.4

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt voor zover dat ziet op de hoogte van het dagloon.

1.5

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Volgens verweerder is eiser op 8 september 2015 arbeidsongeschikt geworden en hanteert [werkgever] een aangiftetijdvak per maand. Daarom loopt de referteperiode van 1 augustus 2014 tot en met 31 juli 2015. Op basis van het loon vanuit de dienstbetrekking bij [werkgever] is het dagloon vastgesteld op € 47,89 (de rechtbank leest daarvoor in de plaats € 48,82, nu verweerder het primaire besluit handhaaft).

2. In beroep heeft eiser zijn standpunt gehandhaafd dat het dagloon te laag is vastgesteld. Primair heeft eiser aangevoerd dat de dienstbetrekkingen bij [werkgever II] en [werkgever] als één inkomstenverhouding/dienstbetrekking in de zin van artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) moeten worden aangemerkt en dat al het loon dat [werkgever] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 juli 2015 – al dan niet door tussenkomst van [werkgever II] . – heeft betaald, dient te worden meegenomen bij het vaststellen van de hoogte van het dagloon. In dit verband heeft eiser benadrukt dat hij in de periode van 1 december 2014 tot 1 augustus 2015,naast zijn werkzaamheden gedurende twee dagen per week voortkomend uit het 0-urencontract bij [werkgever] , nog drie dagen per week via [werkgever II] voor [werkgever] werkzaam was.

Subsidiair heeft eiser aangevoerd dat vanaf 1 augustus 2015 sprake is geweest van een nieuwe dienstbetrekking bij [werkgever] en dat daarom op grond van artikel 12e, zevende lid, van het Dagloonbesluit een hoger dagloon vastgesteld dient te worden. Tot slot heeft eiser erop gewezen dat het dagloon dat per 7 oktober 2016 is vastgesteld in het kader van de Werkloosheidswet (WW) € 147,64 bedraagt en dat dit veel hoger is dan het ZW-dagloon.

3. Verweerder heeft de rechtbank in het verweerschrift verzocht het beroep ongegrond te verklaren. Volgens verweerder dient uitsluitend te worden uitgegaan van het loon vanuit de dienstbetrekking bij [werkgever] . Het loon vanuit de dienstbetrekking bij Roler Personeelsdiensten I B.V. kan niet in de berekening van het dagloon worden meegenomen. Deze dienstbetrekking kan volgens verweerder niet als een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit kan worden aangemerkt, omdat eiser niet uit deze dienstbetrekking ziek is geworden. Bovendien worden de dienstbetrekkingen bij [werkgever II] en [werkgever] in de loonaangifte niet als één inkomstenverhouding aangemerkt.

4.1

Op grond van artikel 14, eerste lid, van de ZW verstaat deze wet onder loon, het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).

Op grond van artikel 15, eerste lid van de ZW wordt voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet recht bestaat als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het tijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, is ingetreden, verdiende in de dienstbetrekking waaruit hij door ziekte ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Wfsv, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

Op grond van het tweede lid van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur, onder meer wanneer de dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid, korter heeft geduurd dan het jaar, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.

4.2

Deze regels zijn neergelegd in het Dagloonbesluit.

Op grond van artikel 12b, eerste lid, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang,

wordt onder referteperiode verstaan de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte is ingetreden.

Op grond van artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, wordt onder loon tevens verstaan de som van het loon, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien de werknemer bij één werkgever als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, meer elkaar opvolgende dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 691 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, heeft gehad en deze dienstbetrekkingen in de loonaangifte vanaf de aanvang van de eerste dienstbetrekking worden aangemerkt als één inkomstenverhouding.

Op grond van artikel 12e, zevende lid, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, is, indien het aantal dagloondagen nul is, het dagloon, in afwijking van het eerste lid, de uitkomst van de volgende berekening:

E/F

waarbij:

E staat voor het overeengekomen loon in het aangiftetijdvak waarin de ziekte is ingetreden; en

F staat voor het aantal dagloondagen in het aangiftetijdvak waarin de ziekte is ingetreden dan wel, indien het een aangiftetijdvak van een maand betreft, voor 21,75.

5. Beoordeling door de rechtbank.

5.1

Verweerder heeft de referteperiode correct vastgesteld, nu eiser op 8 september 2015 ziek is geworden vanuit de dienstbetrekking met SOPOH die op 1 augustus 2015 is aangevangen. Op grond van artikel 15 van de ZW loopt de referteperiode van 1 augustus 2014 tot en met 31 juli 2015.

5.2

De rechtbank stelt allereerst vast, evenals verweerder deed, dat de dienstbetrekkingen van eiser bij [werkgever II] . en [werkgever] niet als één inkomstenverhouding in de zin van artikel 12c, derde lid, van het Dagloonbesluit aangemerkt kunnen worden. De rechtbank acht hierbij van doorslaggevend belang dat het gaat om twee verschillende werkgevers en dat beide dienstbetrekkingen in de loonaangifte niet als één inkomstenverhouding zijn aangemerkt. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat sprake is van twee verschillende loonheffingsnummers. Wat eiser primair heeft aangevoerd, wordt om deze reden dan ook niet gevolgd.

5.3

Het beroep van eiser op artikel 12e, zevende lid, van het Dagloonbesluit slaagt niet. Nu geen sprake is van nul dagloondagen in de referteperiode is deze bepaling niet op de situatie van eiser van toepassing en kan niet worden uitgegaan van het overeengekomen loon.

5.4

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:631) mag verweerder in beginsel van de juistheid van de gegevens uit de polisadministratie (Suwinet) uitgaan, tenzij eiser aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. Uit de gegevens uit Suwinet blijkt dat het loon vanuit de dienstbetrekking bij [werkgever] in de referteperiode € 10.329,19 bedroeg. Bij de berekening van het dagloon is verweerder uitgegaan van 217 loondagen. Het geïndexeerde dagloon is vervolgens vastgesteld op € 48,82. Eiser heeft geen gegevens overgelegd die maken dat de berekening van verweerder van het dagloon voor onjuist moet worden gehouden en heeft dit evenmin anderszins aangetoond.

5.5

Het betoog van eiser dat zijn dagloon in het kader van de WW per 7 oktober 2016 aanmerkelijk hoger is, maakt niet dat het dagloon in het kader van de ZW onjuist is vastgesteld. De dagloonberekeningen voor de WW en de ZW zijn niet één op één vergelijkbaar, omdat er andere bepalingen voor gelden en ook omdat er, zoals bij eiser het geval is, voor de betreffende berekening een andere referteperiode van toepassing kan zijn.

6. Gelet hierop dient het beroep van eiser ongegrond te worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. D. van der Sluis en

mr. A. Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van mr. H. van der Waal-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.