Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:453

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
5569226 VZ VERZ 16-23319
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding op verzoek werknemer wegens ernstig verwijtbaar handelen en nalaten werkgever, artikel 7:671c BW, billijke vergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0058
AR 2017/335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 5569226 VZ VERZ 16-23319

Uitspraak: 17 januari 2017

Beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker ex artikelen 7:671c BW en 7:686 BW,

tevens verzoeker in het incident ex artikel 223 Rv,

gemachtigde: mr. R.D. Ramnath (FNV) te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTOBEDRIJF SWEMMER B.V.,

gevestigd te Hellevoetsluis,

verweerster,

tevens verweerster in het incident ex artikel 223 Rv,

in het geding verschenen bij de heer [S.].

Partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ respectievelijk ‘Swemmer’ genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Op 7 december 2016 is ter griffie ontvangen het verzoekschrift d.d. 5 december 2016, met producties, van [verzoeker].

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van 10 januari 2017. Daarbij zijn [verzoeker] en zijn vader verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van [verzoeker]. Namens Swemmer is verschenen de heer [S.], die een machtiging heeft overgelegd.

1.3

Van hetgeen ter zitting is besproken, heeft de griffier aantekening gehouden. Die aantekeningen bevinden zich in het procesdossier.

1.4

De datum van deze uitspraak is door de kantonrechter bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel uit de overgelegde stukken blijken en anderzijds zijn erkend dan wel niet althans onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden:

2.1

[verzoeker], geboren op [geboortedatum], is met ingang van 1 januari 1999 in dienst getreden van Swemmer. Het dienstverband geldt thans voor onbepaalde tijd.

2.2

De functie van [verzoeker] is die van 1ste Monteur, laatstelijk tegen een bruto maandloon van € 2.142,81 exclusief prestatietoeslag, 8% vakantietoeslag en overige emolumenten, bij een 38-urige werkweek.

2.3

Op 20 augustus 2014 is [verzoeker] arbeidsongeschikt geraakt. Zijn arbeidsongeschiktheid duurt sindsdien onverminderd voort.

2.4

Op 22 september 2014 heeft [verzoeker] het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. Deze heeft geconcludeerd dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] deels te maken had met medische beperkingen en deels met werkgerelateerde problematiek.

2.5

Met betrekking tot de werkgerelateerde problematiek heeft de bedrijfsarts geadviseerd deze in een gesprek tussen [verzoeker] en Swemmer uit te praten, zodat daarna een vruchtbaar re-integratietraject kon worden opgestart. Ten behoeve van dat gesprek heeft [verzoeker] de door hem ervaren knelpunten op papier gezet en deze bij brief van 23 september 2014 aan Swemmer doen toekomen. Hierop is geen (schriftelijke) reactie van Swemmer gekomen noch heeft het door de bedrijfsarts voorgestelde gesprek plaatsgevonden.

2.6

Op 9 december 2014 heeft [verzoeker] opnieuw het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. Deze heeft in zijn terugkoppeling daarvan vastgesteld dat het voorgestelde gesprek niet heeft plaatsgevonden en dat de medische situatie van [verzoeker] is verslechterd.

2.7

Op diezelfde datum heeft [verzoeker] bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd. Volgens het daarop op 7 januari 2015 door haar afgegeven deskundigenoordeel waren de door Swemmer tot dan toe uitgevoerde re-integratie inspanningen niet voldoende.

2.8

Naar aanleiding van een bezoek van [verzoeker] aan de bedrijfsarts op 16 december 2015 heeft de bedrijfsarts teruggekoppeld dat er naar zijn oordeel niet langer sprake is van ziekte of gebrek maar van een arbeidsconflict. In zijn terugkoppeling adviseert de bedrijfsarts dringend om op de kortst mogelijke termijn te zoeken naar een structurele oplossing voor het arbeidsconflict.

2.9

Nadat Swemmer ondanks sommatie [verzoeker] geen loon had betaald over de eerste zes maanden van 2016, heeft [verzoeker] een kort geding procedure tegen Swemmer aangespannen. In die procedure, bij deze rechtbank bekend onder nummer 5194931 VV EXPL 16-269, is Swemmer bij vonnis van 25 augustus 2016 veroordeeld het achterstallig loon over die periode, met nevenvorderingen, aan [verzoeker] te betalen.

2.10

Swemmer heeft niet voldaan aan die veroordeling en ook heeft zij [verzoeker] niet het loon over de periode 1 juli 2016 tot en met 20 augustus 2016, de datum waarop het tweede jaar van arbeidsongeschiktheid is geëindigd, betaald.

3 Het geschil

3.1

[verzoeker] heeft bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv verzocht Swemmer bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van de procedure, te veroordelen aan hem te voldoen het verschuldigde loon ad € 3.186,20 bruto c.a. betreffende het loon van 1 juli 2016 tot en met 20 augustus 2016, dan wel in ieder geval voor de duur van de onderhavige procedure, zulks op de gebruikelijke wijze en tijdstippen, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50% daarover, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de betrokken bedragen zijn verschuldigd, met veroordeling van Swemmer in de proceskosten alsook in de nakosten, deze kosten ook te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2

Verder heeft [verzoeker] verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

  1. de arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 7:671c lid 1 BW tegen een door de kantonrechter te bepalen datum te ontbinden,

  2. Swemmer te veroordelen om aan [verzoeker] conform artikel 7:671c lid 2 sub b BW een billijke vergoeding te betalen van € 50.000,- bruto dan wel een bedrag dat de kantonrechter rechtens billijk voorkomt, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,

subsidiair, namelijk voor het geval de kantonrechter de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c lid 1 BW niet toewijst:

c) de arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 7:686 BW tegen een door de kantonrechter te bepalen datum te ontbinden,

d) Swemmer te veroordelen om aan [verzoeker] conform artikel 7:671c lid 2 sub b BW een billijke vergoeding te betalen van € 50.000,- bruto dan wel een bedrag dat de kantonrechter rechtens billijk voorkomt, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,

zowel primair als subsidiair:

e) Swemmer te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 BW, te weten € 16.971,02 bruto, binnen uiterlijk vijf dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,

f) Swemmer te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het achterstallige loon vanaf 1 juli 2016 tot en met 20 augustus 2016, te weten € 3.186,26 bruto, binnen uiterlijk vijf dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,

g) Swemmer te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van het vakantiegeld van 2015/ 2016, te weten € 2.057,10 bruto, binnen uiterlijk vijf dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,

h) Swemmer te veroordelen tot verstrekking van een eindafrekening binnen één maand na de ontbindingsdatum, waarin in ieder geval de uitbetaling van de openstaande vakantiedagen en pro rata vakantiegeld 2016/2017 worden meegenomen, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of deel daarvan dat Swemmer daarmee na betekening van de te wijzen beschikking in gebreke blijft,

i. i) Swemmer te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50% over de onder f genoemde post,

j) Swemmer te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de buitengerechtelijke kosten over de onder f genoemde post, te weten € 443,60 (exclusief BTW),

k) Swemmer te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente over de onder e, f, g, en i gevorderde bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd, en

l) Swemmer te veroordelen in de proceskosten, nakosten, het salaris van de gemachtigde van [verzoeker] en het griffierecht daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking.

3.3

Aan het door hem verzochte heeft [verzoeker] -naast voormelde feiten en samengevat en voor zover nu van belang- ten grondslag gelegd dat Swemmer niet alleen, en bovendien zonder opgaaf van reden, het loon van [verzoeker] over de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 20 augustus 2016 onbetaald heeft gelaten, maar ook niet, ondanks de adviezen van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van het UWV, heeft voldaan aan de op haar rustende re-integratieverplichtingen. Swemmer heeft, in strijd met artikel 7:658a BW, geen enkele re-integratie-inspanning verricht. Zo is het geadviseerde gesprek om het arbeidsconflict op te lossen er niet gekomen en heeft Swemmer nagelaten in het tweede arbeidsongeschiktheidsjaar een ‘tweede spoor-traject’ te starten. Het achterwege laten van de salarisbetaling vanaf januari 2016 alleen al, maar zeker bezien in combinatie met het verzuim van Swemmer aan haar re-integratieverplichtingen te voldoen, maakt dat er sprake is van omstandigheden van dien aard dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, als bedoeld in artikel 7:671c lid 1 BW. [verzoeker] verzoekt daarom dan ook (primair) de arbeidsovereenkomst op die grond te ontbinden. Daarbij verzoekt [verzoeker] hem een billijke vergoeding van € 50.000,- bruto toe te kennen, nu er, gelet op het voorgaande, sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Swemmer.

Gegeven dat ernstig verwijtbaar handelen van Swemmer maakt [verzoeker] daarnaast op de voet van artikel 7:673 lid 1 sub b BW jegens Swemmer aanspraak op de transitievergoeding, door hem berekend op € 16.971,02 bruto, uitgaande van 1 mei 2017 als datum waartegen de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Ook verzoekt [verzoeker] om toewijzing van de door hem genoemde bedragen aan achterstallig loon over de periode vanaf 1 juli 2016 tot en met 20 augustus 2016, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, en aan vakantiegeld over het tijdvak 2015/2016, één en ander vermeerderd met wettelijke rente. Tot slot verzoekt [verzoeker] Swemmer te veroordelen hem een deugdelijk eindafrekening te verstrekken, waarin in ieder geval de uitbetaling van de openstaande vakantiedagen en het pro rata vakantiegeld 2016/2017 zijn meegenomen, op straffe van een dwangsom.

3.4

Namens Swemmer is ter zitting op het verzochte geantwoord dat zij door financiële problemen niet in staat was en is het loon van [verzoeker] te betalen en dat, zonder het verwijt van [verzoeker] hiermee goed te willen praten, de oorzaak van haar niet reageren op de in dat kader en ook in het kader van zijn re-integratie aan haar gezonden correspondentie zeer wel gelegen kan zijn in het feit dat (de directie van) Swemmer zich vooral heeft gericht en richt op het terugdringen van haar schulden.

4 De beoordeling

4.1

Vooropgesteld wordt dat nu in deze beschikking (in de hoofdzaak) zal worden beslist omtrent hetgeen [verzoeker] ook bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv (voor de duur van deze procedure) heeft verzocht (toekenning van het loon, met nevenvorderingen, over de periode 1 juli 2016 tot en met 20 augustus 2016), aan de behandeling van de voor de duur van deze procedure verzochte voorziening niet wordt toegekomen.

4.2

Inhoudelijk staat, als onbetwist aangevoerd, vast dat Swemmer de loonbetaling aan [verzoeker] per 1 januari 2016 zonder opgaaf van reden heeft gestaakt, terwijl zij ook in deze procedure niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat zij gerechtigd was de loonbetaling aan [verzoeker] per die datum te staken. Daarmee staat vast dat Swemmer haar verplichting ex artikel 7:616 BW om [verzoeker] het hem toekomende loon steeds op de daartoe geldende of gebruikelijke tijdstippen te voldoen, gedurende bijna acht maanden heeft geschonden en daaraan overigens nog steeds niet (alsnog) heeft voldaan.

4.3

Evenzeer staat, als onbetwist gesteld, vast dat Swemmer niet of nauwelijks invulling heeft gegeven aan de op haar rustende re-integratie-verplichtingen jegens [verzoeker]. Gesteld noch gebleken is in ieder geval dat zij in dat verband enige actie heeft ondernomen naar aanleiding van de adviezen van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van het UWV, ook niet na aandringen van de zijde van [verzoeker]. Daarmee is gegeven dat Swemmer ook haar wettelijke verplichtingen ex artikel 7:658a BW jegens [verzoeker] heeft geschonden.

4.4

Dergelijk handelen althans nalaten van Swemmer, dat geenszins te rechtvaardigen valt met de door haar gestelde -maar met niets onderbouwde- slechte financiële positie, is zonder meer aan te merken als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever als bedoeld in artikel 7:671c lid 2 sub b BW en levert ook grond op voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens omstandigheden van dien aard dat deze billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, als bedoeld in artikel 7:671c lid 1 BW.

4.5

De door [verzoeker] (primair) verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt dan ook toegewezen, in die zin dat deze met ingang van 1 februari 2017 wordt ontbonden.

4.6

Nu de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van voormeld ernstig verwijtbaar handelen danwel nalaten van Swemmer, ziet de kantonrechter aanleiding, zoals door [verzoeker] ook is verzocht, hem op de voet van artikel 7:671c lid 2 sub b BW een billijke vergoeding toe te kennen.

4.7

Bij de bepaling van de hoogte daarvan betrekt de kantonrechter op de eerste plaats dat Swemmer [verzoeker], een werknemer die thans achttien jaar in dienst van Swemmer is en die voor zijn levensonderhoud aangewezen was op de inkomsten uit die dienstbetrekking, in een periode van volledige arbeidsongeschiktheid langdurig en ook nog zonder opgaaf van reden verstoken heeft gelaten van zijn loon (bij ziekte). Dit rekent de kantonrechter haar zwaar aan, ook als juist is dat haar financiële situatie de loonbetaling bemoeilijkte. Ook dan was het immers aan Swemmer, als goed werkgever, [verzoeker] daaromtrent in ieder geval tijdig en behoorlijk in kennis te stellen en eventueel het voortouw te nemen om wegens haar -kennelijk- precaire financiële positie tot een beëindiging van het dienstverband te komen, zodat [verzoeker] een uitkering had kunnen aanvragen en daarmee, voor zolang nodig, in zijn levensonderhoud had kunnen voorzien. Dat heeft Swemmer echter niet gedaan. Zij heeft hem integendeel -zoveel is duidelijk geworden- in ieder geval tot aan de kort geding procedure in het ongewisse gelaten omtrent de reden van het staken van de loonbetaling.

4.8

Minstens zo verwijtbaar acht de kantonrechter dat Swemmer -zo is ook duidelijk geworden- [verzoeker] ook in zijn arbeidsongeschiktheid heeft laten ‘bungelen’, in die zin dat uit niets blijkt dat zij de op haar rustende re-integratieverplichtingen op enig moment serieus ter hand heeft genomen, ook niet na kennisname van de zonneklare adviezen van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van het UWV en ook niet na aandringen van de zijde van [verzoeker]. Dat zij, zoals namens haar ter zitting als mogelijke verklaring hiervoor is gegeven, vooral bezig is geweest met het terugdringen van haar financiële problemen, ontslaat haar allerminst van haar verplichting als werkgever om alle nodige, wettelijk voorgeschreven, inspanningen te leveren teneinde [verzoeker] zo snel mogelijk te laten

re-integreren in het arbeidsproces, hetzij bij Swemmer zelf, hetzij bij een andere werkgever (via een zogeheten tweede-spoor-traject). Dit alles heeft Swemmer echter nagelaten, hetgeen, naar mag worden aangenomen, bepaald niet bevorderlijk is geweest voor de (duur van) arbeidsongeschiktheid van [verzoeker].

4.9

Al het voorgaande, ook in onderling verband, in ogenschouw genomen acht de kantonrechter het handelen dan wel nalaten van Swemmer jegens [verzoeker] dusdanig in strijd met de eisen van goed werkgeverschap dat hier slechts met een billijke vergoeding van aanzienlijke hoogte recht kan worden gedaan aan dat ernstig handelen dan wel nalaten terwijl deze vergoeding naar het oordeel van de kantonrechter tevens een punitief en afschrikwekkend karakter moet hebben. De door [verzoeker] verzochte billijke vergoeding ad € 50.000,- bruto acht de kantonrechter daarmee in overeenstemming, hetgeen Swemmer overigens ook niet heeft bestreden. Die vergoeding wordt hierna dan ook toegewezen. Met de namens Swemmer ter zitting summierlijk geschetste financiële omstandigheden kan daarbij geen rekening worden gehouden omdat deze niet zijn onderbouwd.

4.10

Op dit punt wordt volledigheidshalve opgemerkt dat nu de door [verzoeker] verzochte billijke vergoeding wordt toegewezen, hem ingevolge artikel 7:686a lid 7 BW geen intrekkingstermijn zal worden gegund.

4.11

Het voorgaande brengt, gelet op artikel 7:673 lid 1 sub b onder 2 BW, met zich dat de door [verzoeker] verzochte transitievergoeding toewijsbaar is. Daarbij merkt de kantonrechter volledigheidshalve op dat de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst nu eerder wordt ontbonden (per 1 februari 2017) dan de datum van 1 mei 2017 waarvan [verzoeker] bij zijn berekening is uitgegaan, geen invloed heeft op de hoogte van de transitievergoeding. Gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 1 BW zal Swemmer tot 1 maart 2017 gegund worden de transitievergoeding te voldoen, bij gebreke waarvan zij vanaf die datum de wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) daarover verschuldigd zal zijn.

4.12

De door [verzoeker] verzochte bedragen aan achterstallig loon (f), aan vakantiegeld (g) en aan buitengerechtelijke kosten (j) worden, als onbetwist, toegewezen, inclusief de ter zake verzochte wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW). Datzelfde geldt voor de door hem over het achterstallig loon (f) verzochte wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW ad 50% en de daarover verzochte rente in de zin van artikel 6:119 BW.

4.13

Ook zal Swemmer op de voet van artikel 7:626 BW worden veroordeeld de door [verzoeker] op de onderdelen b, e, f en g verzochte bruto/netto specificatie en de onder h verzochte eindafrekening te verstrekken, met dien verstande dat haar in redelijkheid een termijn van een maand wordt gegund bedoelde bruto/netto-specificaties te verstrekken.

4.14

De door [verzoeker] met betrekking tot de afgifte van de eindafrekening verzochte dwangsom wordt eveneens toegewezen, zij het in redelijkheid gematigd tot € 100,- per dag of gedeelte daarvan, tot een maximum van € 5.000,-.

4.15

Nu het door [verzoeker] primair onder a en b verzochte wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan het subsidiair onder c en d door hem verzochte.

4.16

Swemmer wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure, inclusief de daarover verzochte rente (in de zin van artikel 6:119 BW).

4.17

De door [verzoeker] apart verzochte nakosten worden eveneens toegewezen, als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten. Ook de daarover verzochte rente (in de zin van artikel 6:119 BW) wordt toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

 ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2017;

 veroordeelt Swemmer om aan [verzoeker] een billijke vergoeding van € 50.000,- bruto te betalen, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie binnen een maand na heden;

 veroordeelt Swemmer om uiterlijk op 1 maart 2017 aan [verzoeker] de transitievergoeding van € 16.971,02 bruto te betalen, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie;

 veroordeelt Swemmer tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 3.186,26 bruto aan achterstallig loon over de periode vanaf 1 juli 2016 tot en met 20 augustus 2016, te vermeerderen met de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW ad 50%, dit alles vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie binnen een maand na heden;

 veroordeelt Swemmer tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 2.057,10 bruto ter zake van het vakantiegeld 2015/2016, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie binnen een maand na heden;

 veroordeelt Swemmer om uiterlijk op 1 maart 2017 aan [verzoeker] een eindafrekening te verstrekken, waarin onder meer de uitbetaling van de openstaande vakantiedagen en pro rata vakantiegeld 2016/2017 worden meegenomen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag of gedeelte daarvan dat Swemmer daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 5.000,-;

 veroordeelt Swemmer tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 443,60 (exclusief BTW) aan buitengerechtelijke kosten;

 veroordeelt Swemmer in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker]:

 vastgesteld op € 79,- aan griffierecht en € 400,- aan salaris voor zijn gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag der algehele voldoening,

 én, indien Swemmer niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan deze beschikking heeft voldaan, begroot op € 205,- aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,- aan kosten voor betekening onder de voorwaarde dat betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, één en ander voor zover van toepassing inclusief BTW, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na betekening van deze beschikking tot de dag der algehele voldoening;

 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het primair anders verzochte, onder vermelding dat aan het subsidiair sub c en d alsook aan het bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv verzochte niet werd toegekomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Willemsen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654