Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4497

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
C/10/509511 / HA ZA 16-885
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweer ten aanzien van klachtplicht verworpen; non-conformiteit product; schade en koopovereenkomst(en) partieel vernietigd wegens dwaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3055
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/509511 / HA ZA 16-885

Vonnis van 7 juni 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HORTUS SUPPLIES INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.R. Gerritsen te Haarlem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. S.A.G. de Vries te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna HSI en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 augustus 2016 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties;

  • -

    de oproepingsbrief van 14 december 2016 van deze rechtbank, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de akte overlegging nadere stukken, conclusie van antwoord in reconventie en comparitie aantekeningen met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 februari 2017;

  • -

    de brief van 13 maart 2017 van [gedaagde] naar aanleiding van het proces-verbaal;

  • -

    de brief van 14 maart 2017 van HSI in reactie op laatstgenoemde brief;

  • -

    de brief van deze rechtbank van 20 maart 2017 in reactie op de twee laatstgenoemde brieven, waarin onder meer staat vermeld dat de bij brief van 13 maart 2017 door [gedaagde] toegezonden productie niet tot de processtukken behoort.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

HSI is een groothandel in gewasbeschermingsmiddelen en kunstmeststoffen.

2.2.

[gedaagde] exploiteert onder de naam GlobalGreenPact een bedrijf dat zich onder meer bezig houdt met de handel en ontwikkeling van natuurlijke producten.

2.3.

HSI heeft vanaf begin 2015 meerdere producten afgenomen van [gedaagde] , waaronder het middel BC-Spray. BC-Spray is een middel dat op wonden van planten kan worden gespoten om uitval van planten als gevolg van de plantenziekte botrytis, een verwelkingsziekte, te voorkomen. HSI heeft het middel BC Spray verkocht en geleverd aan onder meer een biologische tomatenteler ‘Kwekerij Frank de Koning’ in Tinte (hierna: tomatenteler).

2.4.

Bij brief van 29 februari 2016 heeft [gedaagde] de samenwerking met HSI tegen 1 april 2016 opgezegd.

2.5.

Op of omstreeks 5 maart 2016 heeft de tomatenteler telefonisch aan HSI medegedeeld dat een aantal tomatenplanten is afgestorven na behandeling met het middel BC-Spray.

2.6.

HSI heeft dit voorval op 8 maart 2016 per e-mail gemeld bij [gedaagde] . Op 10

maart 2016 hebben HSI en [gedaagde] een bezoek gebracht aan de tomatenteler.

2.7.

HSI heeft op 16 april 2016 aan het gespecialiseerde bedrijf DLV Plant Gewastaxaties te Wageningen (hierna: Delphy) opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de oorzaak van de schade aan de tomatenplanten van de tomatenteler.

2.8.

Op pagina 4 van het op 10 mei 2016 door Delphy opgemaakte rapport is de volgende samenvatting opgenomen:

“Het gebruik van het middel BC Spray op tomaten wordt sterk afgeraden, omdat het middel een sterke inkrimping van de stengel veroorzaakt en daardoor groeiremming. Als gevolg hiervan wordt de water- en voedingsopname belemmerd, waardoor de plant uiteindelijk afsterft. De snelheid van afsterven wordt waarschijnlijk bepaald door de grote/diepte van de wond waarop het middel is gespoten. Naarmate de wond minder diep is zal de afsterving langzamer verlopen.”

2.9.

Een orderbevestiging met ordernummer 201610625 van 16 maart 2016 voor een bedrag van € 5.000,- vermeldt bij de omschrijving:

“Oplossing kwestie BC-spray

Zoals besproken met Dhr. Frank de Koning”

2.10.

Een transactieoverzicht van 26 juli 2016 toont een afboeking van HSI aan de tomatenteler van € 5.000,- met als omschrijving:

Schade bedrag BC spray volgens onze credit order 201610625’

2.11.

Artikel 10 van de door [gedaagde] gehanteerde algemene voorwaarden luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“ARTIKEL 10. RECLAME EN DEUGDELIJKHEID PRODUCT

1. Onder reclames worden verstaan alle grieven van de wederpartij met betrekking tot de hoeveelheid, kwaliteit en/of deugdelijkheid van leveringen van goederen door GlobalGreenPact.

2. Reclames, betreffende niet uitwendig waarneembare gebreken, dienen schriftelijk en zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zeven dagen na levering daarvan, te geschieden, bij overschrijding van welke termijn elke aanspraak tegen GlobalGreenPact ter zake die gebreken vervalt. Bij ontvangst van de geleverde goederen wordt door de wederpartij voor ontvangst en akkoord, getekend.”

2.12.

[gedaagde] stelt bij de producten die hij verkoopt bijbehorende analyserapporten ter beschikking. Op de analyserapporten staat de naam van een gespecialiseerd bedrijf genaamd SGS Nederland B.V. te Spijkenisse (hierna: SGS).

2.13.

HSI heeft op enig moment twijfels gekregen over de juistheid van de opgegeven samenstelling van het van [gedaagde] afkomstige product Q55 en heeft dat product door een laboratorium verkennend laten onderzoeken.

2.14.

HSI heeft vervolgens contact opgenomen met SGS over de analyserapporten. In een e-mail van 15 april 2016 schrijft een advocaat van SGS aan HSI:

Beste [persoon] ,

Na intern onderzoek kan ik je bevestigen dat de rapporten (kopieën in bijlage) niet zijn opgemaakt en uitgegeven door SGS Nederland. De rapporten vertonen mogelijk gelijkenis met bestaande (oudere) SGS-rapporten, maar op basis van de combinaties van kalenderdata en analysenummers welke in deze rapporten zijn vermeld, kan reeds afdoende worden geconcludeerd dat deze specifieke documenten niet door SGS Nederland zijn uitgegeven.”

2.15.

Op 2 juni 2016 heeft HSI een brief gestuurd aan [gedaagde] met daarin de mededeling dat de koopovereenkomsten met [gedaagde] op de voet van artikel 3:44 BW partieel – te weten ten aanzien van de producten afkomstig van [gedaagde] die HSI nog in voorraad heeft – worden vernietigd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

HSI vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de door HSI geleden schade veroorzaakt door het middel BC Spray, als omschreven in het lichaam van de dagvaarding, ten bedrage van € 7.736,42 (€ 5.000,-- plus € 2.736,42), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.

II. Primair:

1. te verklaren voor recht dat de overeenkomst(en) tot stand is (zijn) gekomen door bedrog, als beschreven in het lichaam van de dagvaarding, op grond waarvan de overeenkomst(en) is (zijn) vernietigd;

2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 18.008,42, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.

Subsidiair:

1. te verklaren voor recht dat de overeenkomst(en) tot stand is (zijn) gekomen door dwaling, als beschreven in het lichaam van de dagvaarding;

2. de overeenkomst(en) wegens dwaling te vernietigen;

3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 18.008,42, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.

Meer subsidiair:

1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met de overeenkomst(en), als beschreven in het lichaam van de dagvaarding;

2. de overeenkomst(en) te ontbinden;

3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de schade ten bedrage van € 18.008,42, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.

Nog meer subsidiair:

1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens HSI, als beschreven in het lichaam van de dagvaarding;

2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de schade ten bedrage van € 18.008,42, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.

III. Alles met:

a. veroordeling van [gedaagde] in de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.032,45;

b. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder mede begrepen het salaris van de advocaat van eiseres, onder bepaling dat de kosten binnen 14 dagen na het in deze procedure te wijzen vonnis zullen worden voldaan, bij gebreke waarvan gedaagde in verzuim is en de wettelijke handelsrente over deze kosten is verschuldigd met ingang van de dag van het verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;

c. [gedaagde] te veroordelen in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,-- zonder betekening en € 199,-- met betekening.”

3.2.

[gedaagde] voert verweer strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van de vorderingen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van HSI in de kosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert – samengevat – veroordeling van HSI tot betaling van € 1.697,03, vermeerderd met rente en kosten.

3.5.

HSI voert verweer strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel ontzegging van de vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Partijen twisten over de deugdelijkheid van het middel BC-Spray alsmede over de analyserapporten die [gedaagde] bij de geleverde producten aan HSI ter beschikking heeft gesteld.

BC-Spray

4.2.

[gedaagde] betwist dat hij tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst omdat de door hem geleverde BC-Spray niet aan de overeenkomst zou beantwoorden. Bovendien heeft HSI – zo stelt [gedaagde] – niet tijdig geklaagd. Het beroep van [gedaagde] op het niet tijdig klagen van HSI, zal als eerste aan de orde komen.

Klachtplicht

4.3.

[gedaagde] , stelt ten verweer dat HSI haar rechten heeft verwerkt door niet tijdig te reclameren zoals artikel 10 lid 2 van de algemene voorwaarden voorschrijft. In dat artikel is bepaald dat gereclameerd dient te worden binnen zeven dagen na levering. HSI stelt dat het beding onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 sub a BW en voorts dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 2 BW in de weg staat aan toepassing hiervan. [gedaagde] voert voorts eerst ter comparitie aan dat HSI hetzelfde of nagenoeg hetzelfde beding in haar algemene voorwaarden gebruikt, zodat zij op grond van artikel 6:235 lid 3 BW geen beroep op vernietiging van het door [gedaagde] ingeroepen beding kan doen. HSI betwist dat zij hetzelfde of nagenoeg hetzelfde beding in haar algemene voorwaarden gebruikt.

4.4.

De rechtbank overweegt het volgende. Op [gedaagde] rust de stelplicht en de bewijslast voor het gebruik van hetzelfde of nagenoeg hetzelfde beding in de algemene voorwaarden van partijen. Bij de vraag of sprake is van hetzelfde of nagenoeg hetzelfde beding in algemene voorwaarden gaat het erom dat het beding in de algemene voorwaarden van partijen geheel identiek is of verregaand overeenstemt met die van de gebruiker. [gedaagde] heeft geen feiten gesteld die de conclusie kunnen dragen dat het door HSI gehanteerde beding in haar algemene voorwaarden geheel identiek is of verregaand overeenstemt met haar algemene voorwaarden. Een kopie van de algemene voorwaarden van HSI waaraan zij refereert, behoort niet tot de processtukken. In zoverre heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan. De door [gedaagde] verzonden brief van 13 maart 2017 naar aanleiding van het proces-verbaal maakt dit – mede gelet op de inhoud van de door HSI verzonden brief van 14 maart 2017 – niet anders.

4.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat artikel 6:235 lid 3 BW niet in de weg staat aan het beroep op vernietiging door HSI. De rechtbank is voorts van oordeel dat het beroep van HSI op vernietiging van het door [gedaagde] ingeroepen beding in verband met het onredelijk bezwarend zijn daarvan slaagt. [gedaagde] heeft immers niet, althans niet voldoende gemotiveerd, weersproken dat de vermeende gebreken aan de BC-spray niet binnen de in artikel 10 van de algemene voorwaarden vastgelegde klachttermijn van zeven dagen na levering hadden kunnen worden geconstateerd. De problemen hadden zich binnen die termijn immers nog niet geopenbaard. Nu gelet hierop vast staat dat HSI onmogelijk aan deze klachttermijn had kunnen voldoen, is het in artikel 10 van de algemene voorwaarden vastgelegde beding onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 sub a BW.

4.6.

Indien en voor zover [gedaagde] tevens een beroep heeft gedaan op de algemene klachtplicht van artikel 7:23 BW, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 7:23 BW bevat voor koop een regel die vergelijkbaar is met die van artikel 6:89 BW en die dezelfde ratio kent. Het artikel bepaalt dat aan een koper geen beroep meer toekomt inhoudende dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, in kennis heeft gesteld. De vraag of HSI binnen bekwame tijd, zoals bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW heeft geklaagd, kan niet in algemene zin worden beantwoord. De concrete omstandigheden van het geval spelen een rol bij de beoordeling of voldaan is aan de klachtplicht van de koper. De termijn waarbinnen de koper behoort te klagen begint te lopen zodra de koper weet of behoorde te weten dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. De ratio van deze bepaling is de verkoper te beschermen tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten. De koper is op grond van deze bepaling verplicht de verkoper zo spoedig mogelijk te waarschuwen indien de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt.

4.7.

Vast staat dat HSI na openbaring van het gebrek, door de telefonische klacht van de tomatenteler op 5 maart 2016, snel heeft gehandeld door de klacht op 8 maart 2016 per email aan [gedaagde] te melden. Vervolgens zijn partijen binnen 5 dagen na openbaring van het gebrek samen bij de tomatenteler langs gegaan. HSI heeft daarmee tijdig – immers reeds binnen drie dagen na openbaring van het gebrek – geklaagd. [gedaagde] heeft bovendien niet, althans onvoldoende, onderbouwd of en, zo ja, op welke wijze hij door deze handelswijze, het later dan 7 dagen na levering klagen, van HSI in haar belang is geschaad. De (eventuele) onmogelijkheid om de aard en oorzaak van het afsterven van de tomatenplanten vast te stellen, komt in beginsel ten nadele van HSI, op wie immers de bewijslast rust van de door haar gestelde tekortkoming.

4.8.

De rechtbank concludeert dat HSI tijdig heeft geklaagd en verwerpt het verweer van [gedaagde] op dit punt.

Non-conformiteit

4.9.

Nu vast staat dat tijdig is geklaagd, ligt de vraag voor of de BC-spray aan de koopovereenkomst beantwoord.

4.10.

Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan de koper de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien (artikel 7:17 BW).

4.11.

HSI stelt dat de door [gedaagde] geleverde BC-spray non-conform is nu een aantal tomatenplanten van de tomatenteler is afgestorven na behandeling met het middel BC-Spray. Ter onderbouwing verwijst HSI naar de rapportage (met bijbehorende foto’s) die de deskundige van Delphy op verzoek van HSI heeft uitgebracht. Daartegenover stelt [gedaagde] dat de rapportage niet deugdelijk is en onjuiste conclusies bevat.

4.12.

Omdat HSI en [gedaagde] van mening verschilden over de oorzaak van het afsterven van de tomatenplanten, heeft HSI een deskundige onderzoek laten doen. Het rapport is niet gezamenlijk tot stand gekomen. Vast staat echter dat het rapport is opgesteld door een deskundige die geen banden heeft met HSI en de rechtbank ziet geen redenen om aan de onafhankelijkheid van deze deskundige te twijfelen. Het enkele feit dat [gedaagde] niet betrokken is geweest bij het deskundigenonderzoek maakt niet dat de deskundige niet onafhankelijk of juist heeft gerapporteerd. [gedaagde] heeft weliswaar de conclusies uit het rapport betwist, maar deze betwisting is op geen enkele wijze onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om haar betwisting nader te onderbouwen en haar betwisting voldoende concreet te maken. Zij had bijvoorbeeld zelf een deskundige in te schakelen of in ieder geval een concreet onderbouwd verzoek daartoe kunnen formuleren. Nu [gedaagde] dit heeft nagelaten zal de rechtbank het rapport van Delphy bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van non-conformiteit als uitgangspunt nemen. De conclusie van het rapport als hiervoor weergeven in 2.8 onderschrijft de stelling van HSI dat het middel BC-Spray de oorzaak is van de schade aan de tomatenplanten. De rechtbank zal deze conclusie overnemen en dat leidt ertoe dat zij van oordeel is dat er sprake is van non-conformiteit als bedoeld in artikel 7:17 BW.

4.13.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van hetgeen HSI op die grondslag heeft gevorderd en door [gedaagde] betwiste schadevergoeding.

Schade

4.14.

HSI heeft gesteld dat zij de schade die de tomatenteler heeft geleden, heeft vergoed voor een bedrag van € 5.000,00. Ter onderbouwing heeft HSI een transactieoverzicht en orderbevestiging overgelegd. [gedaagde] betwist dat de tomatenteler om schadevergoeding heeft verzocht. De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van de gevorderde schade niet van belang is of de tomatenteler zelf om de schade heeft verzocht. Bepalend is of de – al dan niet herstelde – schade, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, als gevolg van de tekortkoming door [gedaagde] aan hem kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat HSI de gestelde schade en omvang daarvan voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen – mede in het licht van de door HSI overgelegde orderbevestiging en het transactieoverzicht – de betwisting nader en gemotiveerd te onderbouwen. De rechtbank stelt daarom deze schade vast op € 5.000,00. De gevorderde kosten van het uitgevoerde deskundigenonderzoek ad € 2.736,42 zijn op zichzelf niet bestreden en eveneens toewijsbaar.

4.15.

De rechtbank zal de eerste vordering van HSI daarom toewijzen met de gevorderde wettelijke handelsrente die op zichzelf niet bestreden is.

Analyserapporten

4.16.

Ten aanzien van de analyserapporten baseert HSI haar vordering primair op bedrog, subsidiair op dwaling, meer subsidiair op handelen in strijd met de overeenkomst en nog meer subsidiair onrechtmatig handelen.

Dwaling

4.17.

Nu [gedaagde] heeft gedaan alsof de bij de door HSI gekochte producten horende analyserapporten correct zijn opgemaakt en uitgegeven door SGS is er volgens HSI sprake van dwaling (als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 onder a BW) hetgeen zij subsidiair aan haar vordering ten grondslag legt.

4.18.

Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten.

4.19.

[gedaagde] heeft betwist dat er sprake is van dwaling. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de analyserapporten geen rol hebben gespeeld bij de koop en “iedereen weet dat dergelijke rapporten nodig zijn om bepaalde zaken het land uit te krijgen en voor de klanten zelf verder niet van belang zijn”.

4.20.

De rechtbank is van oordeel dat HSI zich met vrucht op dwaling kan beroepen. Ter comparitie heeft [gedaagde] immers erkend dat hij in het verleden de analyserapporten heeft aangepast en dat hij daarbij een fout heeft gemaakt met het berekenen van waarden. Mede gelet op de emailcorrespondentie tussen HSI en SGS en de conclusies van SGS over de analyserapporten is naar het oordeel van de rechtbank dan ook komen vast te staan dat de analyserapporten niet juist zijn. Uit de analyserapporten valt de samenstelling van de producten af te leiden, zodat kan worden bekeken of de producten voldoen aan de industrienormen en –waarden. De afgenomen producten betreffen bestrijdingsmiddelen en komen in onze oppervlaktewateren terecht waardoor de producten aan strenge wet- en regelgeving moeten voldoen. Met name voor de import en export zijn analyserapporten van belang, hetgeen [gedaagde] ter comparitie heeft erkend. HSI heeft producten gekregen met onjuiste analyserapporten. Hierdoor is sprake van een onjuiste voorstelling van zaken, namelijk een verkeerde weergave van de samenstelling van de bij de analyserapporten behorende producten. HSI is een groothandel en verkoopt deze producten met verkeerde informatie door aan haar klanten. HSI heeft een verantwoordelijkheid naar haar klanten toe, zij wil producten leveren waarvan zij de correcte samenstelling kent en deze informatie ook aan haar klanten doorgeven. Zonder de juiste analyserapporten kan HSI de producten niet met gerust hart doorverkopen. Met name in het geval dat deze klanten gaan exporteren met onjuiste analyserapporten, kunnen klanten – zelfs strafrechtelijk – in de problemen komen. Indien HSI had geweten dat de rapporten onjuist waren zou HSI de koopovereenkomsten niet – of pas na het opmaken van correct analyserapporten – hebben afgenomen. Daarmee is aan de vereisten van dwaling voldaan.

4.21.

Het voorgaande brengt mee dat het beroep op dwaling van HSI slaagt. Een bespreking van de overige gestelde grondslagen voor de vordering en de daarop gerichte verweren kan achterwege blijven.

4.22.

De rechtbank zal de koopovereenkomst gedeeltelijk vernietigen, nu het in de rede ligt dat, indien HSI op de hoogte zou zijn geweest van de onjuistheid van de analyserapporten, de koopovereenkomst(en), in ieder geval niet met deze inhoud/analyserapporten zou zijn gesloten. De rechtbank begrijpt dat HSI zich op het standpunt stelt dat de koopovereenkomst in zoverre dient te worden vernietigd, dat [gedaagde] de onverkoopbare voorraad dient terug te nemen en de inkoopwaarde van die voorraad aan HSI dient te vergoeden. De gevorderde inkoopwaarde van de voorraad, € 19.705,45 (inclusief BTW), is niet bestreden en in beginsel toewijsbaar. Nu echter in het petitum van de dagvaarding alleen de gestelde schade na verrekening van de nog openstaande in reconventie gevorderde factuur wordt gevorderd, zijnde € 18.008,42, zal dit lagere bedrag worden toegewezen. De vernietiging brengt de verplichting van HSI mee om die handelsvoorraad die nog bij HSI aanwezig is, aan [gedaagde] terug te geven.

4.23.

De door HSI gevorderde wettelijke rente over de door [gedaagde] terug te betalen koopsom vanaf de dag van dagvaarding komt niet voor vergoeding in aanmerking. Wettelijke handelsrente is schadevergoeding welke voldaan dient te worden over de periode dat iemand in verzuim is met de betaling van een geldsom. Nu de vernietiging eerst tot stand komt door en met dit vonnis waarin de vernietiging wordt uitgesproken, zal de gevorderde wettelijke handelsrente worden toegewezen van de dag van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.

4.24.

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu onvoldoende is gesteld en evenmin is gebleken dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dat de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

4.25.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten zullen worden vastgesteld op:

  • -

    dagvaarding € 77,75

  • -

    griffierecht € 1.929,00

  • -

    salaris advocaat € 1.447,50 (2,5 punten x € 579,00)

Totaal € 3.454,25

4.26.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

In reconventie

4.27.

De vordering in reconventie ziet op een openstaande factuur van € 1.697,03 die HSI ondanks herhaalde verzoeken daartoe niet heeft betaald. HSI voert echter aan dat deze factuur is voldaan middels verrekening met haar vordering op [gedaagde] .

4.28.

HSI betwist de factuur van [gedaagde] van € 1.697,03 niet, maar doet een beroep op verrekening. Deze vordering mag HSI echter niet betalen door middel van verrekening, omdat dit wordt verhinderd door het bepaalde in artikel 9 lid 1 van de toepasselijke algemene voorwaarden, eerste zin:

“Ingeval van verkoop of het verrichten van diensten moeten alle betalingen door de wederpartij binnen de op de factuur aangegeven termijn worden gedaan, zonder dat recht op verrekening bestaat.”

4.29.

Nu verrekening niet is toegelaten, kan ook het beroep op opschorting met het oog op latere verrekening niet slagen. De vordering met de gevorderde wettelijke handelsrente, die op zichzelf niet bestreden is, ligt voor toewijzing gereed.

4.30.

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu onvoldoende is gesteld en evenmin is gebleken dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dat de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

4.31.

HSI wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten veroordeeld. Nu dit aspect een volstrekt ondergeschikte rol in het debat heeft gespeeld worden deze kosten begroot op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot vergoeding van de door HSI geleden schade veroorzaakt door het middel BC-Spray, ten bedrage van € 7.736,42 (€ 5.000,-- plus € 2.736,42), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2.

verklaart voor recht dat de koopovereenkomsten tussen HSI en [gedaagde] tot stand zijn gekomen door dwaling en vernietigt de koopovereenkomsten tussen HSI en [gedaagde] partieel – te weten ten aanzien van de producten afkomstig van [gedaagde] die HSI nog in voorraad heeft – wegens dwaling door het ontbreken van de bij de producten behorende correcte analyserapporten;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan HSI van een bedrag gelijk aan de schade van € 18.008,42, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, onder gehoudenheid van HSI om de voorraad aan [gedaagde] te retourneren;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in conventie, aan de zijde van HSI tot op heden begroot op € 3.454,25,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

in reconventie

5.6.

HSI tot betaling aan [gedaagde] van het factuurbedrag van € 1.697,03 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te rekenen vanaf 16 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.7.

veroordeelt HSI in de proceskosten in reconventie, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.

in conventie en in reconventie

5.8.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. van Beckhoven en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017.
2868/2053