Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4466

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
10/810257-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag van buurtgenoot die dreigde, ruiten ingooide en woning van verdachte binnendrong.

Beroep op noodweer(exces) en putatief noodweer(exces) verworpen.

Verdachte eerder voor andere doodslag veroordeeld.

4 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0531
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/810257-16

Datum uitspraak: 7 juni 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te Den Haag,

raadsman mr. M. van Stratum, advocaat te Nootdorp.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 mei 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.S. van Unnik heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde moord;

  • -

    bewezenverklaring van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest, alsmede bepaling dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, met bevel tot verpleging van overheidswege.

4 Vrijspraak moord

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de impliciet primair ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

5 Bewijs en bewezenverklaring doodslag

5.1.

Bewijsverweren

Standpunt verdediging

Namens de verdachte is aangevoerd dat de verklaring van getuige [naam getuige 1] , de broer van het slachtoffer [naam slachtoffer] , niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Daartoe zijn verschillende redenen aangevoerd, waaronder dat de verdediging deze getuige niet persoonlijk heeft kunnen ondervragen en zijn verklaring niet in overwegende mate wordt bevestigd door andere bewijsmiddelen.

Voorts is namens de verdachte aangevoerd dat ook de in het rapport van het PBC genoemde agressieve uitlatingen van de verdachte van het bewijs uitgesloten dienen te worden.

De verklaringen die de verdachte enkele dagen na het steekincident tegenover de politie heeft afgelegd zijn volgens de verdediging evenmin bruikbaar voor het bewijs, omdat de verdachte volgens het rapport van het PBC de al te uitbundige uitlatingen die hij toen heeft gedaan, onder andere over het “finishen’’ van het slachtoffer, als gevolg van zijn stoornis niet goed kon overzien.

Beoordeling

Deze verweren zullen buiten bespreking worden gelaten, nu de bedoelde verklaringen geen van alle voor het bewijs worden gebruikt en daarop ook overigens geen acht zal worden geslagen.

5.2.

Opzet

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte het latere slachtoffer [naam slachtoffer] met kracht met een mes heeft gestoken eerst midden in de borst en vervolgens tweemaal in de rug: aan de zijkant en iets van het midden van de rug. Het lemmet van het mes dat de verdachte gebruikte bedroeg ongeveer 25 centimeter. De totale lengte van het mes was ongeveer 45 centimeter. Door het letsel dat door deze drie messteken is ontstaan en de verdere lichamelijke verwikkelingen die daardoor hebben plaatsgevonden is [naam slachtoffer] overleden.

De rechtbank is van oordeel dat dit handelen van de verdachte, naar de uiterlijke verschijningsvorm beoordeeld, gericht was op en geschikt was tot het doden van [naam slachtoffer] . Bewezen wordt daarom geacht dat de verdachte (vol) opzet heeft gehad op de dood van [naam slachtoffer] .

5.3.

Bewijsmiddelen en bewijsmotivering

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan en op grond van hetgeen hiervoor met betrekking tot het opzet is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierna zal worden weergegeven.

5.4.

5.4. Bewezenverklaring

Bewezen wordt geacht dat de verdachte

op of omstreeks 07 mei 2016 te Schiedam opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, in ieder geval opzettelijk, die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans enig scherp/puntig voorwerp, in de

borst en/of de rug, in elk geval het lichaam, gestoken, ten gevolge waarvan

voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feit en strafbaarheid verdachte

Standpunt verdediging

Door en namens de verdachte is een beroep gedaan op primair noodweer, subsidiair noodweerexces en meer subsidiair putatief noodweer dan wel putatief noodweerexces. Op hetgeen daartoe is aangevoerd zal hierna worden ingegaan.

Beoordeling

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken en het verdere onderzoek op de terechtzitting gaat de rechtbank ervan uit dat op de dag van het tenlastegelegde steekincident, dat omstreeks 23.45 uur plaatsvond, zich het volgende heeft afgespeeld.

Die dag rond 12 uur is [naam slachtoffer] , die op loopafstand van de verdachte woonde en die door meerdere getuigen, waaronder de wijkagent, wordt beschreven als iemand die in de buurt veel overlast veroorzaakte wanneer hij had gedronken, bij de verdachte aan de deur geweest. Nadat de verdachte de voordeur had geopend, is [naam slachtoffer] diens woning binnengestormd. Hij was aan het provoceren en opgefokt. Hij eiste bier van de verdachte. De verdachte heeft hem dit niet gegeven en [naam slachtoffer] zijn woning uitgewerkt. [naam slachtoffer] is schreeuwend en scheldend de straat opgegaan. Aan het eind van de middag of begin van de avond is [naam slachtoffer] opnieuw bij de verdachte aan de deur geweest. Hij heeft toen een winkelwagen tegen de achterdeur van de woning van de verdachte gegooid, waardoor er een barst in de ruit ontstond. Later heeft [naam slachtoffer] opnieuw bij de woning van de verdachte staan schreeuwen. Hij wilde geld hebben van de verdachte en zei dat hij de verdachte dood zou maken. Omstreeks 23.30 uur verscheen [naam slachtoffer] weer bij de woning van de verdachte, samen met zijn broer [naam 1] . [naam slachtoffer] stond bij de voordeur van de woning. Hij trapte deze in. De verdachte is naar de deur gelopen om deze te sluiten en zag toen een mes in de handen van [naam slachtoffer] . Kort daarna heeft [naam slachtoffer] de ramen aan de voorzijde en de achterzijde van de woning van de verdachte met stenen ingegooid. Het voorafgaande jaar was dit al vaker gebeurd. [naam 2] , met wie de verdachte samen in zijn woning was, was bang geworden en is via een raam aan de achterzijde van de woning gevlucht en weggerend. De verdachte is in zijn woning gebleven. Kort daarna vernielde [naam slachtoffer] de ruit van de achterdeur van de woning van de verdachte en ging via die kapotte ruit de woning van de verdachte binnen. Bij het naar binnengaan van de woning en eerder op de dag en ook vaker in het verleden heeft [naam slachtoffer] doodsbedreigingen geuit jegens de verdachte. Hij heeft onder andere gezegd een pistool te zullen gaan halen. De verdachte had toen [naam slachtoffer] zijn woning binnenkwam inmiddels een mes bij zich en heeft [naam slachtoffer] in zijn woning met dat mes, met een grootte van ongeveer 45 centimeter, kort na binnenkomst, gestoken. [naam slachtoffer] heeft meteen daarna de woning verlaten.

Niet aannemelijk is geworden dat [naam slachtoffer] toen hij de woning van de verdachte binnenging nog steeds een mes bij zich had. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het navolgende:

Uit de stukken blijkt dat [naam slachtoffer] , voordat hij de woning van de verdachte binnenging, over vrij korte afstand achter de uit de woning weggevluchte [naam 2] is aangerend. Nadat [naam slachtoffer] zijn achtervolging van [naam 2] staakte, zag getuige [naam getuige 2] iets grijs, glanzend en blikkigs bij de man die achterna werd gerend. Het kwam tussen de auto’s terecht, bij de ter plaatse geparkeerde Chevrolet van haar buurman. Ook getuige [naam getuige 3] heeft verklaard over de twee mannen die achter elkaar aanrenden. Volgens zijn verklaring gooide een van de mannen na het staken van de achtervolging een mes onder een auto en liep daarna de woning van de verdachte binnen.

Op de door de getuigen beschreven plaats heeft de politie een mes aangetroffen. Dat mes komt overeen met het mes dat [naam slachtoffer] , volgens de beschrijving van de verdachte, bij zich had toen hij de voordeur van de verdachte intrapte. Het mes blijkt gelijksoortig te zijn aan andere messen in de woning van (de moeder van) [naam slachtoffer] .

Mede gezien de verklaring van getuige [naam getuige 5] , die hij ter terechtzitting op overtuigende wijze heeft herhaald, staat hiermee voldoende vast dat [naam slachtoffer] dat mes heeft weggegooid voordat hij de woning van de verdachte binnenging. Anders dan door de verdachte is verklaard kan [naam slachtoffer] dat mes dus niet meer bij zich hebben gehad toen hij de woning van de verdachte betrad. Dit komt ook overeen met het feit dat bij [naam slachtoffer] , nadat hij de woning weer had verlaten en op straat in elkaar was gezakt, geen mes is aangetroffen. Het pistool waarover [naam slachtoffer] had gesproken had hij evenmin bij zich. Ook is in de woning van de verdachte geen mes of pistool aangetroffen dat afkomstig was van [naam slachtoffer] .

Op de zitting heeft de verdachte nog verklaard dat [naam slachtoffer] twee messen dan wel een mes en een stok in zijn handen had toen hij zijn woning binnen kwam. Ook dit is niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft niet eerder verklaard over een tweede mes of over een stok. Dit wordt ook door niets ondersteund.

Evenmin is aannemelijk geworden dat de verdachte, zoals hij op 9 mei 2016 en 19 mei 2016 tegen de politie heeft verklaard, na de binnenkomst van [naam slachtoffer] de deur tussen de keuken en de hal enige minuten trekkend heeft dichtgehouden zodat [naam slachtoffer] niet bij hem kon komen en dat, toen hij de deur vanwege gebrek aan kracht moest loslaten, ze daarna nog ongeveer 20 minuten tegen elkaar hebben staan schreeuwen, voordat hij stak. Een aantal getuigen heeft verklaringen afgelegd waarmee deze lezing zich niet verdraagt. Zo heeft getuige [naam getuige 4] verklaard dat [naam slachtoffer] maar een paar seconden, minder dan een minuut, de woning is binnen geweest. Ook getuige [naam getuige 5] heeft verklaard dat er maar korte tijd zat tussen het moment dat hij de woning uitvluchtte en hij weer terugkwam en buiten op straat [naam slachtoffer] gewond zag liggen. Het door de verdachte genoemde tijdsverloop klopt ook niet met de meldingen die bij 112 zijn binnengekomen, te weten om 23.39 uur de melding dat bij de verdachte de ruiten werden ingegooid en om 23.48 uur de melding dat er iemand was doodgestoken.

beroep op noodweer(exces)

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte [naam slachtoffer] heeft gestoken omdat deze in de woning van de verdachte met een mes in zijn hand de aanval op de verdachte opende, terwijl hij hem ondertussen met de dood bedreigde. Bovendien had [naam slachtoffer] eerder gedreigd een vuurwapen te zullen gaan halen. Voorts zag de verdachte dat [naam slachtoffer] een beweging naar de achterkant van zijn broeksband maakte. De verdachte vreesde dat [naam slachtoffer] daar vandaan een pistool wilde pakken.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is niet aannemelijk geworden dat de verdachte een mes, vuurwapen of ander voorwerp bij zich had toen hij de woning van de verdachte binnenkwam. Van een (dreigende) aanval van de verdachte met een dergelijk voorwerp waartegen de verdachte zich heeft verdedigd is daarom geen sprake geweest. Het daarop gebaseerde beroep op noodweer dan wel noodweerexces wordt daarom verworpen.

beroep op putatief noodweer

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte, gezien de beweging die [naam slachtoffer] met zijn arm naar zijn broeksband maakte, mocht menen dat [naam slachtoffer] daar een mes of pistool had en dat hij zich daartegen moest en mocht verdedigen.

De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat [naam slachtoffer] de door de verdachte bedoelde beweging naar de achterzijde van zijn broeksband heeft gemaakt. Dit zou zijn gebeurd nadat de verdachte en [naam slachtoffer] 20 tot 30 minuten hadden staan bekvechten. Zoals hiervoor is overwogen klopt dit niet met de verklaringen van een aantal neutrale getuigen. De rechtbank acht het verhaal over het naar de broeksband pakken ook weinig waarschijnlijk. Het ligt niet voor de hand dat [naam slachtoffer] , die geen wapen bij zich bleek te hebben, een dergelijke beweging zou hebben gemaakt. De verdachte had een mes bij zich met een totale lengte van 45 centimeter. Dat de verdachte dit mes in zijn broekzak had, zoals hij heeft verklaard, wordt feitelijk onmogelijk geacht, gelet op de grootte van het mes en het feit dat de verdachte een gewone herenbroek droeg. De verdachte moet het mes dus in zijn handen hebben gehad. Tijdens de voorgeleiding en zijn eerste verhoren heeft de verdachte dit ook verklaard. Het is niet waarschijnlijk dat [naam slachtoffer] ten overstaan van de verdachte die een mes van de genoemde omvang in zijn handen had heeft willen doen alsof hij een mes of pistool bij zich had, terwijl dat feitelijk niet het geval was.

Daar komt nog bij dat de verdachte niet eenduidig heeft verklaard met betrekking tot de beweging die [naam slachtoffer] met zijn arm naar de achterkant van zijn broeksband maakte. In zijn eerste verhoren bij de politie heeft hij, zoals ook door zijn raadsman is aangevoerd, verklaard dat hij dacht dat [naam slachtoffer] toen een pistool wilde pakken. Tijdens latere verhoren heeft de verdachte, anders dan daarvoor, gezegd dat hij dacht dat [naam slachtoffer] een mes (het mes dat hij bij het intrappen van de voordeur bij [naam slachtoffer] had gezien) wilde pakken toen hij zijn arm naar zijn broeksband deed.

Conclusie van het vorenstaande is dat, nu de daarvoor aangevoerde feiten niet aannemelijk zijn geworden, het beroep op putatief noodweer en noodweerexces eveneens dient te worden verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

Het feit en de verdachte zijn dus strafbaar.

7 Kwalificatie

Het bewezen feit levert op:

doodslag.

8 Motivering straf en maatregel

Eis officier van justitie en standpunt verdediging

De officier van justitie heeft in deze zaak, zoals hierboven reeds is weergegeven, een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest geëist. Daarnaast is, gelet op het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) d.d. 31 januari 2017 TBS met verpleging van overheidswege gevorderd.

De raadsman heeft aangevoerd dat volstaan kan worden met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het inmiddels ondergane voorarrest en een voorwaardelijke TBS omdat de verdachte doorgaans goed heeft meegewerkt aan de eerder opgelegde TBS. Hij is thans gemotiveerd voor hernieuwde behandeling, ook als dat zou betreffen een langere opname in een gestructureerde klinische woonvorm met verplichte depotmedicatie.

Algemeen

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Gepleegde delict

De verdachte heeft een buurtgenoot met messteken in de borst en de rug om het leven gebracht. Daarmee heeft de verdachte het slachtoffer zijn kostbaarste bezit, te weten zijn leven, ontnomen en heeft hij de nabestaanden een onherstelbaar verlies toegebracht en bij hen veel verdriet veroorzaakt, zoals is gebleken uit de op de terechtzitting afgelegde slachtofferverklaringen. Tevens heeft de verdachte met zijn daad de maatschappij geschokt en gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid in de samenleving veroorzaakt.

Strafblad

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 mei 2017, blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en daarvoor tot TBS met dwangverpleging is veroordeeld. Die TBS is bij beslissing van het gerechtshof Arnhem op 16 augustus 2012 beëindigd.

Rapportages

Het over de verdachte uitgebrachte vroeghulprapport d.d. 1 juni 2016 houdt het volgende in. Op zestienjarige leeftijd (in 1990) werd de verdachte voor het eerst veroordeeld wegens valsheid in geschrift, gevolgd door veroordelingen wegens diefstal in vereniging, openlijke geweldpleging, diefstal, inbraak, mishandeling vernieling en doodslag. In 1999 werd aan verdachte TBS met dwangverpleging opgelegd wegens doodslag. De dubbelrapportage die op 18 mei 2011 over de verdachte is uitgebracht door [naam deskundige 1] , forensisch psycholoog en [naam deskundige 2] , psychiater houden volgens de reclassering in dat bij de verdachte sprake is van “chronische psychiatrische pathologie, waardoor er gesproken kan worden van een defecte indruk met gebrek aan initiatief, psychische leegheid en een vlak effect. Hierdoor heeft betrokkene de neiging het overzicht te verliezen. Hij heeft geen ziekte-inzicht.”

Uit de rapportage blijkt verder dat, na een wisselend verlopen periode van transmuraal verlof en voorwaardelijke beëindiging van de in 1999 opgelegde TBS, deze midden 2012 is geëindigd en het strafrechtelijk kader is vervangen door een civielrechtelijk kader, namelijk door de verlening van een voorwaardelijke rechterlijke machtiging ingevolgde de Wet BOPZ.

Het rapport dat op 31 januari 2017 door [naam deskundige 3] (psycholoog) en [naam deskundige 4] (psychiater), beiden verbonden aan het PBC, over de verdachte is uitgebracht houdt het volgende in:

Bij de verdachte is sprake van schizofrenie van het gedesorganiseerde type en hij is actief psychotisch. Bovendien is sprake van middelengebruik (cannabis, heroïne en cocaïne). De verdachte is niet in staat tot enige zelfreflectie en evenmin is sprake van ziekte-inzicht. Zijn uitspraken geven blijk van een gebrekkige gewetensontwikkeling.

Door de schizofrenie is de verdachte minder dan gemiddeld in staat om problemen te overzien en op adequate wijze tot oplossingen te komen. Ten tijde van het ten laste gelegde viel hij terug op primitieve afweermechanismen met een agressieve impulsdoorbraak tot gevolg. De schizofrenie is van invloed geweest op de manier waarop de verdachte met de dreigende situatie is omgegaan.

Geadviseerd wordt om de verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Indien de verdachte niet behandeld zal worden wordt het recidiverisico als hoog ingeschat. De verdachte is niet in staat om, zoals hij de laatste periode deed, zelfstandig te wonen. Gezien het huidige toestandsbeeld wordt verwacht dat de verdachte niet gemakkelijk mee zal werken aan interventies. Omdat ten tijde van het ten laste gelegde geen sprake was van wanen of hallucinaties is volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet aan de orde.

Een levenslange behandeling met antipsychotica, bij voorkeur door middel van depotmedicatie, is geïndiceerd. De verdachte functioneert goed binnen een gestructureerde klinische woonvorm met aandacht voor dagbesteding of werk, waarbij uiteindelijk een beschermde woonvorm binnen een forensisch kader het maximaal haalbare is.

Gelet hierop, wordt door beide deskundigen TBS met dwangverpleging geadviseerd.

Verminderde toerekeningsvatbaarheid en TBS met dwangverpleging

De rechtbank onderschrijft de bevindingen van de onderzoekers, gelet op de onderbouwing daarvan, en neemt deze over.

Het bewezenverklaarde feit zal daarom wegens de bij de verdachte gediagnostiseerde ziekelijke stoornis, te weten schizofrenie van het gedesorganiseerde type, in verminderde mate aan hem worden toegerekend.

Ook het advies aan de verdachte TBS met dwangverpleging op te leggen zal, gelet op de onderbouwing daarvan, worden gevolgd. Deze maatregel is noodzakelijk en ook wettelijk mogelijk, nu op het gepleegde delict (doodslag) naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist.

Ter voldoening aan het voorschrift van artikel 359, zevende lid Sv wordt overwogen dat het bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat daarom de totale duur van de maatregel de termijn van vier jaar te boven kan gaan.

Gelet op de aard van de stoornis, het (hoge) recidive risico en de (gebleken) terugval in zeer ernstig delictgedrag na een eerdere TBS wordt oplegging van een TBS met voorwaarden, zoals door de verdediging is bepleit, niet verantwoord geacht.

Gevangenisstraf

Naast TBS met dwangverpleging zal aan de verdachte een gevangenisstraf worden opgelegd voor de duur van 4 jaren. Daarbij is gelet op de ernst van het gepleegde feit, de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en het feit dat de verdachte al eerder voor een levensdelict is veroordeeld. Verder is rekening gehouden met het feit dat het delict de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. In het voordeel van de verdachte is in aanmerking genomen dat niet hij, maar het slachtoffer de confrontatie heeft opgezocht. Het was het slachtoffer die de verdachte meermalen thuis heeft opgezocht, de ruiten van het huis van de verdachte heeft ingegooid, de verdachte met de dood heeft bedreigd en verdachtes huis is binnengedrongen.

Een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals de verdediging heeft bepleit, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van het feit.

Gelet op de stoornis van de verdachte, zijn voorgeschiedenis (waaronder de eerder opgelegde TBS) en het gegeven dat hij zich reeds in een Penitentiair Psychiatrisch Centrum bevindt acht de rechtbank termen aanwezig om overeenkomstig artikel 37b, tweede lid Wetboek van Strafrecht te adviseren de TBS met verpleging van overheidswege aan te doen vangen twee jaar na het begin van de vrijheidsbeneming van de verdachte (in mei 2016).

Alles afwegend worden na te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht.

9 Benadeelde partijen

Vorderingen

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 1] (moeder van het slachtoffer);

[naam benadeelde 2] (zus van het slachtoffer);

[naam benadeelde 3] (partner van het slachtoffer);

[naam benadeelde 4] (broer van het slachtoffer);

[naam benadeelde 5] (zus van het slachtoffer).

De raadsman voor alle partijen is mr. F.J.M. Hamers, advocaat te Rotterdam.

[naam benadeelde 1] vordert een vergoeding van in totaal € 13.242,12 aan materiële schade

( € 7.350,12 aan uitvaartkosten en € 5.892,- aan verhuiskosten) en een vergoeding van

€ 10.000,- aan immateriële schade (shockschade).

[naam benadeelde 2] vordert een vergoeding van € 1.411,34 aan materiële schade (uitvaartkosten) en een vergoeding van € 10.000,- aan immateriële schade (shockschade).

[naam benadeelde 3] vordert een vergoeding van € 5.892,00 aan materiële schade (verhuiskosten) en een vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade (shockschade).

[naam benadeelde 4] vordert een vergoeding € 30.000,- aan immateriële schade (shockschade).

[naam benadeelde 5] vordert een vergoeding van € 766,28 aan materiële schade (uitvaartkosten) en een vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade (shockschade).

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gevorderde uitvaartkosten, minus de vergoeding van € 6.245,- die het Schadefonds Geweldsmisdrijven reeds aan haar heeft uitgekeerd. Ten aanzien van [naam benadeelde 5] en [naam benadeelde 2] is geconcludeerd tot integrale toewijzing van gevorderde uitvaartkosten. Ten aanzien van de overigens gevorderde materiële en immateriële schade (verhuiskosten en shockschade) heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft niet-ontvankelijkheid van alle vorderingen bepleit.

Beoordeling

[naam benadeelde 1]
De gevorderde uitvaartkosten van € 7.350,12 kunnen, met uitzondering van de kosten voor de kleding van [naam benadeelde 1] ad € 100,-, worden aangemerkt als kosten van lijkbezorging die op grond van artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor toewijzing in aanmerking komen. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank gelet op artikel 6 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven van oordeel dat het bedrag dat door het schadefonds geweldsmisdrijven is uitgekeerd niet in mindering moet worden gebracht op het toegewezen gedeelte van het gevorderde bedrag. Dit betekent dat een bedrag van € 7.250,12 zal worden toegewezen.

De gevorderde verhuiskosten behoren niet tot kosten die op grond van artikel 6:108 van het BW voor vergoeding in aanmerking komen. Dit gedeelte van de vordering wordt daarom afgewezen.

De gevorderde vergoeding van immateriële schade (shockschade) ad € 10.000,- wordt niet-ontvankelijk verklaard, aangezien thans niet kan worden vastgesteld dat is voldaan aan het zogenoemde confrontatievereiste.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank zal bepalen dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is toegebracht, zijnde 7 mei 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij voor een deel zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden (conform het liquidatietarief voor kantonzaken) begroot op € 500,- aan salaris voor de raadsman.

Naast de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] van € 7.250,12 aan schadevergoeding zal tot dit bedrag tevens de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd

[naam benadeelde 2]
De gevorderde uitvaartkosten, zijn, voor zover deze het kostuum van [naam slachtoffer] en het grafstuk (bloemen) betreffen, in totaal belopende een totaalbedrag van € 335,-, kosten van lijkbezorging die op grond van artikel 6:108, tweede lid, van het BW voor toewijzing in aanmerking komen. Van de overige gevorderde uitvaartkosten is in dit strafgeding niet komen vast te staan dat het kosten zijn die verband houden met de lijkbezorging. Dit gedeelte van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

De vordering tot vergoeding van immateriële schade (shockschade) ad € 10.000,- wordt niet-ontvankelijk verklaard, aangezien niet kan worden vastgesteld dat is voldaan aan het zogenoemde confrontatievereiste.

De benadeelde partij heeft gevorderd, het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank zal bepalen dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is toegebracht, zijnde 7 mei 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij voor een deel zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 120,- aan salaris voor de raadsman.

Naast de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] van € 335,- aan schadevergoeding zal tot dit bedrag tevens de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd.

[naam benadeelde 3]
De gevorderde verhuiskosten behoren niet tot kosten die op grond van artikel 6:108 van het BW voor vergoeding in aanmerking komen. Dit gedeelte van de vordering wordt daarom afgewezen.

De vordering tot vergoeding van immateriële schade (shockschade) ad € 20.000,- wordt niet-ontvankelijk verklaard, aangezien thans niet kan worden vastgesteld dat is voldaan aan het zogenoemde confrontatievereiste.

Nu de vordering van [naam benadeelde 3] niet zal worden toegewezen, zal zij worden veroordeeld in de kosten die door de verdachte ter verdediging tegen de vordering zijn gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

[naam benadeelde 4]

De vordering tot vergoeding van immateriële schade (shockschade) ad € 30.000,- wordt niet-ontvankelijk verklaard. Ongeacht de vraag of aan het confrontatievereiste is voldaan acht de rechtbank, evenals de officier van justitie, het overgelegde briefje van de huisarts van inhoudelijk te beperkte diepgang om in dit strafgeding te kunnen vaststellen dat bij de benadeelde partij sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Nu de vordering van [naam benadeelde 4] niet zal worden toegewezen, zal hij worden veroordeeld in de kosten die door de verdachte ter verdediging tegen de vordering zijn gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

[naam benadeelde 5]
De gevorderde uitvaartkosten, zijn, voor zover het een rouwboeket ad € 190,30 betreft, kosten van lijkbezorging die op grond van artikel 6:108, tweede lid, van het BW voor toewijzing in aanmerking komen. Van de overige gevorderde uitvaartkosten is in dit strafgeding niet komen vast te staan dat het kosten zijn die verband houden met de lijkbezorging. Dit gedeelte van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

De vordering voor vergoeding van immateriële schade (shockschade) ad € 20.000,- wordt niet-ontvankelijk verklaard, aangezien niet kan worden vastgesteld dat is voldaan aan het zogenoemde confrontatievereiste.

De benadeelde partij heeft gevorderd, het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank zal bepalen dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is toegebracht, zijnde 7 mei 2016.

Nu de vordering van de benadeelde partij voor een deel zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 60,- aan salaris voor de raadsman.

Naast de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 5] van € 190,30 aan schadevergoeding zal tot dit bedrag tevens de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde moord heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

adviseert de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege te doen aanvangen binnen twee jaar na de aanvang van de vrijheidsbeneming van de verdachte (in mei 2016);

benadeelde partij [naam benadeelde 1]
veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 7.250,12 (zegge: zevenduizendtweehonderdvijftig euro en twaalf cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze betrekking heeft op verhuiskosten en de kosten van kleding van [naam benadeelde 1] , ter hoogte van onderscheidenlijk € 5.892,- en € 100,- af;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het restant van de vordering;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 500,- aan salaris voor de advocaat;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 7.250,12 (zegge: zevenduizendtweehonderdvijftig euro en twaalf cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 7.250,12 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 71 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

benadeelde partij [naam benadeelde 2]
veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen een bedrag van € 335,- (zegge: driehonderdvijfendertig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze betrekking heeft op de overige gevorderde uitvaartkosten van € 1076,34 af;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het restant van de vordering;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 120,- aan salaris voor de advocaat;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 335,- (zegge: driehonderdvijfendertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 335,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

benadeelde partij [naam benadeelde 4]

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 4] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

benadeelde partij [naam benadeelde 3]
wijst de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze betrekking heeft op verhuiskosten van € 5.892,-, af;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het restant van de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden aan de zijde van de verdachte worden begroot op nihil;

benadeelde partij [naam benadeelde 4]
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden aan de zijde van de verdachte worden begroot op nihil;

benadeelde partij [naam benadeelde 5]

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 5] te betalen een bedrag van € 190,30 (zegge: honderdnegentig euro en dertig cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze betrekking heeft op de overige gevorderde uitvaartkosten van € 575,98 af;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het restant van de vordering;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 5] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 60,- aan salaris voor de advocaat;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 5] te betalen € 190,30 (zegge: honderdnegentig euro en dertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 mei 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 190,30 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam benadeelde 5] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. P. van Dijken en J. Fransen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Zawierko, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 07 mei 2016 te Schiedam opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, in ieder geval opzettelijk, die [naam slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans enig scherp/puntig voorwerp, in de

borst en/of de rug, in elk geval het lichaam, gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

(artikel 289/287 Wetboek van Strafrecht)