Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4464

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
10/700563-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700563-16

Datum uitspraak: 18 januari 2017

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de PI Haaglanden, locatie Scheveningen (penitentiair ziekenhuis),

raadsman mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N.Y. Rose heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend en nadien is geen vrijspraak bepleit, zodat de feiten zonder nadere bespreking bewezen zullen worden verklaard.

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op of omstreeks 14 oktober 2016 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 158 en/of 498 en/of 1007,7 gram heroïne en/of 363,1 en/of 261,2 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 14 oktober 2016 te Rotterdam een of meer wapens van

categorie III, te weten een revolver (merk: Rossi, kaliber .38 special), en/of

munitie van categorie III, te weten vier, althans één of meer

kogelpatro(o)n(en) (merk Geco, kaliber .38 special), voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs, te weten cocaïne en heroïne. Dit is een ernstig strafbaar feit. Cocaïne en heroïne zijn immers stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid en sterk verslavend zijn. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een revolver, alsmede de voor dat wapen bestemde munitie. Ook dit zijn ernstige feiten. Het voorhanden hebben van dergelijke vuurwapens kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengen. De verdachte heeft deze gevolgen voor lief genomen en heeft enkel gehandeld uit eigen financieel gewin.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 december 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. .

7.3.

Conclusie van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft zich met betrekking tot de strafmodaliteit en de strafmaat gerefereerd aan de eis van de officier van justitie.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 2 en 10 van de Opiumwet, en artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, en beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Putters, voorzitter,

en mrs. M.C. van der Kolk en K.J. van den Herik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Hemert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 14 oktober 2016 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 158 en/of 498 en/of 1007,7 gram heroïne en/of 363,1 en/of 261,2 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art. 2 ahf/ond C Opiumwet

art. 10 lid 3 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 14 oktober 2016 te Rotterdam een of meer wapens van

categorie III, te weten een revolver (merk: Rossi, kaliber .38 special), en/of

munitie van categorie III, te weten vier, althans één of meer

kogelpatro(o)n(en) (merk Geco, kaliber .38 special), voorhanden heeft gehad;

art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie