Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:435

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
ROT 17/152
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting horeca-inrichting; bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd: verweerder dient - gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840) - de door verzoekster aangevoerde (relevante) bijzondere omstandigheden bij zijn beoordeling op grond van artikel 4:84 van de Awb te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Team Bestuursrecht 4

zaaknummer: ROT 17/152

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 januari 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

vennootschap onder firma De Pul , te Dordrecht , verzoekster,

gemachtigde: P.E. Epping,

en

de burgemeester van de gemeente Dordrecht, verweerder,

gemachtigden: mr. E.A. van Dommelen en mr. K. Arends.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekster gelast horeca-inrichting Café De Pul aan de Grote Spuistraat 49 te Dordrecht zes maanden te sluiten met ingang van 19 januari 2017.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2017. Namens verzoekster zijn verschenen, [persoon A] en [persoon B] , bijgestaan door de gemachtigde van verzoekster en [persoon C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij besluit van 18 september 2001 is voor Café De Pul een exploitatievergunning afgegeven. Op deze vergunning staan [persoon A] als bedrijfsleider, [persoon B] als beheerder, en [medebeheerder A] en D. [medebeheerder B] ( [medebeheerder B] ) als medebeheerders.

2. Op 27 juli 2016 heeft de politie een bestuursrapport aan de gemeente Dordrecht uitgebracht. Dit rapport heeft betrekking op het feit dat een vaste bezoeker van het café vanuit het café harddrugs verhandelt. Het rapport vermeldt onder meer dat een politieambtenaar op 28 maart 2016 in een gesprek met [medebeheerder B] heeft meegedeeld dat er bij de politie klachten waren binnengekomen over Café De Pul en dat vermoedelijk in cocaïne wordt gedeald door een Antilliaanse man (XXX). [medebeheerder B] deelde mee dat hij wist wie er bedoeld werd. Verder vermeldt het rapport dat XXX op 7 juli 2016 – na een postactie door de politie – voor de ingang van Café De Pul is aangehouden waarna bij hem 8,29 gram van een stof bevattende cocaïne is aangetroffen. Op 22 juli 2016 is XXX op het terras van Café De Pul aangehouden. Toen is bij hem 1,3 gram van een stof bevattende cocaïne aangetroffen. Op 26 juli 2016 verklaart [medebeheerder B] tegenover politieambtenaren dat hij weet dat XXX dealt, maar dat hij dit niet op het terras doet. Volgens [medebeheerder B] wordt XXX gebeld op zijn mobieltje en loopt vervolgens even de steeg in.

3. Op 26 augustus 2016 heeft de politie een tweede bestuursrapport aan de gemeente Dordrecht uitgebracht. Dit rapport heeft betrekking op een geweldsincident bij het café. Het rapport vermeldt dat op 16 augustus 2016 een man, slachtoffer 1, verklaart dat een man (dader) hem in Café De Pul een stomp in het gezicht gaf, dat de dader hem buiten voor het café met een bierfles op het hoofd heeft geslagen en dat de barman ook door de dader is geslagen. Slachtoffer 2, de barman en tevens leidinggevende [medebeheerder B] , bevestigt de verklaring van slachtoffer 1 dat hij in het gezicht is gestompt en zelf ook is geslagen en verklaart dat de dader bij binnenkomst in het café duidelijk onder invloed was. Een getuige bevestigt dat buiten het café een man met een bierfles tegen zijn gezicht werd geslagen. Een andere getuige bevestigt dat slachtoffer 1 en de barman door de man (dader) zijn geslagen.

4. In de twee rapportages is geconcludeerd dat sprake is van overtreding van artikel 2.28F van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (APV) en wordt verzocht een passende bestuurlijke maatregel te nemen.

5. Bij brief van 30 september 2016 is verzoekster meegedeeld dat verweerder gelet op de rapportages van 27 juli 2016 en 26 augustus 2016 voornemens is Café De Pul voor de duur van zes maanden te sluiten en is verzoekster in de gelegenheid gesteld haar zienswijzen daaromtrent kenbaar te maken. Op 12 oktober 2016 heeft verzoekster schriftelijk haar zienswijze ingediend.

6. Op 10 november 2016 heeft de politie desgevraagd een aanvullende rapportage aan verweerder uitgebracht. Dit betreft een overzicht van de meldingen in en nabij Café De Pul in de periode van 20 augustus 2013 tot en met 1 juli 2016, waaronder incidenten met betrekking tot de aanwezigheid van geheelde goederen, mishandeling en onenigheid.

7. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Vanwege de in de onder 2 en 3 genoemde rapportages vastgestelde feiten acht verweerder aannemelijk dat er vanuit de inrichting handel in harddrugs (cocaïne) plaatsvond en dat er een ernstig geweldsincident plaatsvond waardoor sprake is geweest van gevaar voor de openbare orde, veiligheid en gezondheid. Daarmee is volgens verweerder sprake van meerdere feiten en incidenten als bedoeld in artikel 2:28F, aanhef en onder b, c en e van de APV op grond waarvan de exploitatievergunning kan worden geschorst of ingetrokken. Op grond van artikel 2:30 van de APV kan de burgemeester in dergelijke gevallen een tijdelijke sluiting bevelen in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden. Onder verwijzing naar het Handhavingsbeleid horeca en alcohol Dordrecht heeft verweerder gelast Café De Pul te sluiten voor de duur van zes maanden.

8. Verzoekster wil met haar verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat Café De Pul niet met ingang van 19 januari 2017 voor de duur van een half jaar gesloten wordt. Zij voert daartoe aan dat de sluiting leidt tot onomkeerbare gevolgen leidt omdat als gevolg van een sluiting – naast inkomensverlies – op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de Drank- en Horecawet de horecavergunning zal worden ingetrokken en het risico bestaat dat een nieuwe aanvraag voor een vergunning zal worden afgewezen vanwege de incidenten op grond waarvan het café is gesloten. Gelet op de leeftijd van de beheerders betekent dit feitelijk dat zij het café moeten opgeven. Ook stelt zij dat het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden.

9. Op grond van het eerste lid van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

10. Verzoekster stelt dat spoedeisend belang aanwezig is omdat op grond van artikel 33, aanhef en onder a van de Drank- en horecawet een vergunning komt te vervallen indien zes maanden zijn verlopen wanneer de vergunning niet wordt gebruikt. Dit artikel ziet echter op ingebruikname van de vergunning direct na verlening ervan en is niet van toepassing ingeval een inrichting, na in bedrijf te zijn geweest, voor de duur van zes maanden wordt gesloten (zie de memorie van toelichting bij de Drank- en horecawet, Kamerstukken II 1961/62, 6811, nr. 3 (http://statengeneraaldigitaal.nl/uitgebreidzoeken/zoekresultaten?documentType=Kamerstukken&kamer%5b%5d=Tweede%20Kamer&vergaderjaar%5bvan%5d=1961%20-%201962&vergaderjaar%5btot%5d=1961%20-%201962&kamerstukken%5bkamerstuknummer%5d=6811&kamerstukken%5bondernummer%5d=3), blz. 28). Dit geeft dus geen spoedeisend belang. Ter zitting betoogde verzoekster dat spoedeisend belang aanwezig is omdat de exploitatievergunning voor de inrichting zal worden ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder c, van de Drank- en horecawet. Dit is echter geen actueel belang, omdat dit nog niet aan de orde is: er is alleen een bevel tot sluiting gegeven en de exploitatievergunning is niet ingetrokken.
Gezien echter de korte termijn waarop het café moet worden gesloten, de duur van sluiting van zes maanden, het gegeven dat de hoorzitting is gepland op 20 februari 2017 maar verzoekster bij brief van 9 januari 2017 van verweerder het bericht heeft gekregen dat het bezwaarschrift binnen 126 dagen word afgehandeld (hetgeen impliceert dat het mogelijk is dat pas half mei – vier maanden na de sluiting – uitsluitsel komt op het bezwaarschrift) en het gegeven dat verweerder niet bereid is tot uitstel, is de voorzieningenrechter toch van oordeel dat directe en volledige uitvoering van het sluitingsbevel kan leiden tot onevenredig nadeel voor verzoekster, zodat wel sprake is van spoedeisend belang.

11. Het café is een inrichting in de zin van de APV. Het bij de inrichting behorende terras wordt tot de inrichting gerekend. Op grond van artikel 2:30, eerste lid, van de APV heeft de burgemeester de bevoegdheid om in het belang van de openbare orde, voor een inrichting tijdelijke sluiting te bevelen. Deze bevoegdheid komt hem in elk geval toe indien sprake is van een van de in artikel 2:28 F van de APV genoemde situaties. In artikel 2:28F van de APV staan genoemd als dergelijke situaties:
b. als aannemelijk is dat de exploitant en/of leidinggevenden betrokken zijn, of hun ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;
c. als de exploitant en/of leidinggevenden toestaan of gedogen dat in de inrichting strafbare feiten worden gepleegd; en
e. als zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het (ongewijzigd) geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting.

12. Het beleid bij toezicht en handhaving van deze bevoegdheden is neergelegd in het Handhavingsbeleid horeca en alcohol Dordrecht van 29 oktober 2013. Op grond daarvan wordt in bepaalde gevallen, zoals ernstig geweld, direct een bestuurlijke maatregel opgelegd. Als ernstige geweldsincidenten (in, vanuit of in de directe omgeving van het horecabedrijf) worden in ieder geval beschouwd: incidenten waarbij één of meer vuur-, steek-, of slagwapens is/zijn gebruikt (of met gebruik ervan is gedreigd). Om de openbare orde en veiligheid onmiddellijk te herstellen, wordt de horeca-inrichting direct voor een korte periode gesloten. De tijdelijke sluiting van twee weken wordt in beginsel opgevolgd door een sluiting van drie maanden.

In het beleid is verder opgenomen dat de gemeente hard optreedt wanneer horeca-gelegenheden een uitvalsbasis zijn voor drugshandel. Van horeca-exploitanten wordt verwacht dat zij er streng op toezien dat in hun bedrijven geen drugs wordt verhandeld. Wanneer een handelshoeveelheid harddrugs in de inrichting wordt aangetroffen, wordt, bij een eerste constatering daarvan, de inrichting voor zes maanden gesloten. Een handelshoeveelheid harddrugs is meer dan 0,5 gram.

Bij samenloop van maatregelen die qua vorm gelijk zijn maar qua zwaarte ongelijk, wordt de zwaarste maatregel opgelegd.

13. De bevoegdheid tot het gesloten verklaren van een openbare inrichting als bedoeld in 2:30, eerste lid, van de APV is een discretionaire bevoegdheid van verweerder waarvan de uitoefening door de rechter terughoudend moet worden getoetst. Verweerder heeft een ruime mate van beleidsvrijheid.

De grondslag van de bevoegdheid tot sluiting

14. Verweerder heeft de sluiting van het café voor de duur van zes maanden gebaseerd op de bestuurlijke rapportages van de politie van 27 juli 2016 en 26 augustus 2016. Deze zijn opgemaakt op basis van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Verweerder mag in beginsel uitgaan van hetgeen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal is opgenomen. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in dit geval in overeenstemming met het stappenschema, zoals voorgeschreven in het Handhavingsbeleid horeca en alcohol Dordrecht, heeft gehandeld.

14.1.

Op grond van de rapportage van 27 juli 2016 heeft verweerder tot de conclusie kunnen komen dat bij een bezoeker op het terras van verzoekster meer dan een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen.

14.2.

Over de ernst van het geweldsincident kan twijfel bestaan. Een bierfles zou kunnen worden beschouwd als een wapen als bedoeld in het Handhavingsbeleid horeca en alcohol Dordrecht, afhankelijk van het gebruik ervan. Uit de (initiële) aangifte van het slachtoffer en een verklaring van een getuige volgt dat het slachtoffer met een bierfles is geslagen. Het slachtoffer heeft na de aangifte, op 10 oktober 2016, verklaard dat hij niet met een bierfles, maar alleen met de vuist is geslagen. Deze verklaring betekent echter niet dat geen waarde meer kan worden gehecht aan zijn eerste verklaring. Wanneer sprake is van een ernstig geweldsincident, zou verweerder op grond van het beleid de horeca-inrichting direct voor een periode van twee weken dienen te sluiten. Die tijdelijke sluiting wordt in beginsel opgevolgd door een sluiting van drie maanden. Daar heeft verweerder echter niet voor gekozen. Kennelijk werd direct na het incident het geweld niet zodanig ernstig gevonden dat voor directe sluiting aanleiding bestond.

14.3.

De twijfel over de ernst van het geweldsincident en de waardering van dit incident door verweerder, neemt niet weg dat volgens het handhavingsbeleid het café voor de duur van zes maanden wordt gesloten wanneer bij een bezoeker van het café meer dan een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. Verweerder heeft de sluiting voor de duur van zes maanden alleen al op het aantreffen van meer dan een handelshoeveelheid harddrugs kunnen baseren.

De uitoefening van de bevoegdheid

15. Verzoekster betoogt dat zij niet is voorgelicht over de ernstige consequenties van de aanwezigheid van drugs in het café en dat het sluitingsbevel daarom niet genomen had mogen worden. Ook vindt zij het onterecht dat de dealer zelf niet wordt aangepakt.

15.1.

De politie heeft [medebeheerder B] in een gesprek op 28 maart 2016 erop gewezen dat een bepaalde gast van verzoekster handelt in harddrugs. Het betoog dat door verzoekster niet is gezien dat deze persoon daadwerkelijk in het café in harddrugs handelt, doet aan de verantwoordelijkheid van verzoekster om te voorkomen dat in haar café niet wordt gehandeld, niet af. Voor verzoekster kon duidelijk zijn dat de bezoeker het café als uitvalsbasis voor drugshandel gebruikte. [medebeheerder B] heeft de politie meegedeeld dat iedereen weet dat die persoon in drugs handelt. [medebeheerder B] heeft verklaard dat hij weet dat XXX dealt, maar dat hij dit niet op het terras doet. Dat de transactie niet in het café plaatsvindt (wat daar ook van zij) doet er niet aan af dat verzoekster was gewaarschuwd.

15.2.

Het betoog van verzoekster dat alleen zij wordt bestraft en dat degene die handelde, vrij rondloopt op straat, leidt er niet toe dat verweerder jegens verzoekster niet handhavend mocht optreden. De sluiting van het café is primair gericht op herstel van de openbare orde en staat los van een strafrechtelijk traject tegen de cafébezoeker bij wie een handelshoeveelheid harddrugs is gevonden.

16. Verzoekster betoogt dat verweerder een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Zij verliest haar inkomsten en de banen van vier mensen staan op de tocht. Dat de sluiting van haar café voor verzoekster en haar medewerkers grote financiële gevolgen heeft, biedt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid de bescherming van de openbare orde en veiligheid heeft kunnen laten prevaleren en niet tot sluiting heeft kunnen bevelen. Deze financiële gevolgen zijn inherent aan sluiting van het café. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de sluiting faillissement dreigt.

17. Het betoog dat verzoekster anders wordt behandeld dan [Cafe A] , faalt. In de brief van 30 september 2016, waarbij verzoekster is meegedeeld dat verweerder voornemens is het café voor zes maanden te sluiten, is verzoekster erop gewezen dat het opleggen van een bestuurlijke maatregel gevolgen kan hebben voor aan haar verleende vergunningen. Verweerder heeft ter zitting onbestreden betoogd dat in het besluit tot sluiting van [Cafe A] niet werd aangegeven dat de sluiting gevolgen kon hebben voor andere vergunningen. Voor zover verzoekster betoogt dat zij anders wordt behandeld dan [Cafe B] , is een verschil dat in [Cafe B] geen harddrugs, maar softdrugs zijn aangetroffen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dus niet.

Bijzondere omstandigheden

18. Volgens het huidige handhavingsbeleid is bij constatering van meer dan een handelshoeveelheid harddrugs in een café, sluiting voor de duur van zes maanden aangewezen. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt verweerder overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In haar uitspraak van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840 (http://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:RVS:2016:2840)) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat een bestuursorgaan ook omstandigheden die bij het opstellen van een beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd, dient te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

19. Verzoekster heeft verschillende bijzondere omstandigheden aangevoerd.

20. Het betoog dat verzoekster al ruim 37 jaar een goede reputatie heeft, is onvoldoende onderbouwd, gelet op de incidenten in het café zoals vastgelegd in het rapport van 10 november 2016.

21. Verzoekster betoogt dat de sluiting en de daarmee samenhangende consequenties (intrekking van de exploitatievergunning en het weigeren van een nieuwe exploitatievergunning) tot gevolg kan hebben dat de beheerders, gezien hun leeftijden (65 en 70) feitelijk het café moeten opgeven. Uit het bestreden besluit blijkt niet in hoeverre verweerder dit heeft meegewogen. Ook blijkt niet in hoeverre is meegewogen dat er in de tijd tussen het geweldsincident (16 augustus 2016) en het besluit tot sluiting (30 september 2016) geen nieuwe incidenten zijn geweest. Verzoekster betoogt verder dat de sluiting zou moeten worden opgeschort omdat de gemeenteraad van Dordrecht bij motie van 20 december 2017 de burgemeester heeft opgeroepen het horeca-handhavingsbeleid aan te passen. De motie verzoekt de burgemeester te onderzoeken of de duur van een eerste sluiting van een horecabedrijf tot maximaal vier weken kan worden beperkt en daarover de gemeenteraad uiterlijk 1 april 2017 te berichten. Verzoekster betrekt daarbij dat de burgemeester in februari 2017 afscheid zal nemen en dat een nieuwe burgemeester soepeler beleid zou kunnen hanteren, dat voor verzoekster dan te laat komt. Ter zitting heeft verweerder vastgehouden aan de sluiting van zes maanden. Verweerder heeft ter zitting benadrukt niet voornemens te zijn het handhavingsbeleid bij de constatering van handel in harddrugs in horeca-inrichtingen vergaand te versoepelen. Tussen zes maanden en de in de motie gevraagde maximering van vier weken zit een te groot verschil. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zou wijziging van het sluitingsbeleid in de toekomst er toe kunnen leiden dat in de nabije toekomst in retrospectief bezien verzoekster een te zware maatregel is opgelegd. Verzoekster schetst de gevolgen als onomkeerbaar. Dit is niet in het bestreden besluit betrokken.

22. Het betoog ter zitting dat in het bestreden besluit wel is overwogen dat er geen sprake is van andere omstandigheden die in dit geval tot onevenredige gevolgen leiden, doet onvoldoende recht aan de onder 18 genoemde vereiste wijze van beoordeling.

23. Op grond van hetgeen is overwogen onder 21 en 22 is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De voorzieningenrechter ziet daarbij onder ogen dat een besluit tot intrekking van de exploitatievergunning nu nog niet genomen is. Verweerder heeft niet alle relevante omstandigheden betrokken bij zijn beoordeling op grond van artikel 4:84 van de Awb. Dit kan verweerder in bezwaar herstellen. Daarbij is niet uitgesloten dat verweerder tot een andere afweging komt, en een sluitingsduur van korter dan zes maanden beveelt.

24. Onder 10 is al aan de orde geweest dat het mogelijk is dat pas half mei – vier maanden na de sluiting – uitsluitsel komt op het bezwaarschrift. Uit het verloop van de besluitvorming blijkt niet dat verweerder grote haast heeft met het treffen van een bestuurlijke maatregel. Op 28 maart 2016 heeft de politie een gesprek gehad met een medebeheerder van Café de Pul over het vermoeden van drugshandel door een bezoeker van het café, op 7 juli 2016 en 22 juli 2016 heeft de politie gepost bij het café, op 26 augustus 2016 was sprake van een geweldsincident en op 14 december 2016 is het sluitingsbevel aan verzoekster gedaan, waarbij verzoekster ruim een maand de tijd kreeg om tot sluiting over te gaan. De situatie is niet acuut.

25. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het bevel tot sluiting te schorsen. Het is in eerste instantie aan verweerder en niet aan de voorzieningenrechter om te bepalen of gezien de specifieke omstandigheden van het geval, tezamen bezien, sluiting van Café de Pul voor de duur van zes maanden aangewezen is (zie r.o. 4.6 van de onder 18 genoemde uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016). Omdat dit aan verweerder is, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te bepalen dat schorsing langer nodig is dan totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist. Om echter een tijdsklem bij dan eventueel in te roepen rechtsbescherming te voorkómen, bepaalt de voorzieningenrechter dat de schorsing na de datum van de beslissing op bezwaar nog twee weken zal voortduren.

25. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht (van € 333,-) vergoedt.

27. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (naar het tarief van 2017) vast op in totaal € 1007,45 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1 en een bedrag van € 14,80 aan reiskosten en een bedrag van € 2,65 aan verschotten).

Samenvatting

28. Met deze uitspraak is het bevel tot sluiting van Café de Pul voor de duur van zes maanden geschorst. Dit heeft tot gevolg dat het café nu niet dicht hoeft. Verweerder moet in bezwaar beoordelen of zij het besluit tot sluiting voor de duur van zes maanden, ook met meewegen van de door verzoekster genoemde specifieke omstandigheden, wil handhaven.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het besluit van 14 december 2016 tot twee weken na de datum waarop verweerder op het bezwaar heeft beslist.

  • -

    bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 333,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1007,45, te betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A Schreuder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.