Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4293

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-03-2017
Datum publicatie
06-06-2017
Zaaknummer
C/10/517239 / FT EA 16/3073
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek dwangakkoord wordt afgewezen. Nu de schuldenlast niet vast staat, niet duidelijk is welk percentage kan worden aangeboden, niet is aangetoond dat de andere schuldeisers akkoord zijn en welke waarde gehecht kan worden aan de akkoordverklaring van het LBIO, geldt dat het voorstel niet goed en controleerbaar is gedocumenteerd.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 6 maart 2017

in de zaak van:

[naam 1] ,

wonende te [adres]

[woonplaats] ,

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 21 december 2016, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten mevrouw [naam 2] die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Ter zitting van 27 februari 2017 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    mevrouw [naam 3] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);

  • -

    mevrouw [naam 4] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam;

  • -

    mevrouw [naam 2] , schuldeiser;

  • -

    mr. K. Beumer, advocaat van schuldeiser.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zes concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van 65.021,08 van verzoeker te vorderen.

Verzoeker heeft bij brief van 1 september 2015 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 2,45% tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoeker heeft op basis van zijn dienstbetrekking. Verzoeker werkt fulltime. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker woont in bij familie om kosten te besparen. Ook heeft verzoeker budgetbeheer.

Zes schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Mevrouw [naam 2] (het LBIO) stemt hier niet mee in. Zij heeft volgens het verzoekschrift een vordering van € 15.745,48 op verzoeker, hetgeen 24,22% van de totale schuldenlast is.

3 Het verweer

De advocaat heeft namens mevrouw [naam 2] verklaard dat de vordering betrekking heeft op kinderalimentatie. Bij beschikking van 11 september 2008 is bepaald dat verzoeker voor zijn twee minderjarige kinderen maandelijks een bedrag van € 133,-- per kind dient te betalen. Verzoeker heeft de rechtbank op 2 oktober 2014 verzocht om nihilstelling van deze verplichting met ingang van 24 februari 2014. Bij beschikking van 11 februari 2015 is dit verzoek afgewezen. Mevrouw [naam 2] heeft altijd alle kosten voor de kinderen gedragen. Verzoeker heeft zijn geld andere zaken besteed, zoals aan een feest voor 300 man en een vakantie, in plaats van aan het aflossen van zijn schuld. Daarnaast is het aanbod onduidelijk. Evenmin is duidelijk of het aanbod het maximale is waartoe verzoeker in staat is. Het verzoek dient daarom te worden afgewezen.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van mevrouw [naam 2] bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of mevrouw [naam 2] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt vast dat het aangeboden percentage is gewijzigd. In het aanbod van 1 september 2015 wordt uitgegaan van een percentage van 2,45% terwijl in de brief aan het LBIO van 1 februari 2016 wordt uitgegaan van een percentage van 1,73%. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat het percentage thans lager is omdat na het eerste aanbod bleek dat er niet één, maar twee dossiers liepen bij het LBIO. De andere schuldeisers hebben telefonisch aangegeven ook akkoord te gaan met het lagere percentage. Bovendien is sprake van een prognose aanbod zodat zij rekening moesten houden met een lagere uitkering, aldus schuldhulpverlening.

Naar het oordeel van de rechtbank mogen schuldeisers er van uitgaan dat een prognose percentage ziet op wijzigingen in het inkomen van verzoeker die ten tijde van de totstandkoming van de minnelijke regeling nog niet te voorzien waren. Een substantiële wijziging van een prognose percentage als gevolg van de omstandigheid dat ten tijde van het aanbod niet alle vorderingen waren meegenomen, dient er toe te leiden dat een nieuw aanbod moet worden gedaan aan alle schuldeisers. Volgens schuldhulpverlening zijn de overige schuldeisers telefonisch met het lagere percentage akkoord zijn gegaan. Een schriftelijke bevestiging ontbreekt echter.

Dit klemt te meer nu ter terechtzitting is gebleken dat nog immer geen duidelijkheid bestaat over de openstaande vordering ter zake van kinderalimentatie. In het verzoek dwangakkoord is uitgegaan van een vordering van € 15.745,48. In het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling staan twee vorderingen van het LBIO op de lijst ex artikel 285 van Faillissementswet vermeld, te weten een vordering van € 13.186,21 en een vordering van € 15.745,48, beiden ontstaan op 14 juli 2014. Volgens de zich in het dossier bevindende brief van het LBIO van 30 januari 2017 zou aan kinderalimentatie voor mevrouw [naam 2] een bedrag openstaan van € 9.282,85. Daar komt nog bij dat zich in het dossier ook een brief van het LBIO van 15 september 2015 bevindt waarin staat dat het LBIO, kennelijk ter zake van de vordering van € 13.186,21, akkoord gaat met het aanbod van 2,45%; door mevrouw [naam 2] is de juistheid van deze mededeling ter terechtzitting betwist. Noch verzoeker, noch schuldhulpverlening kon hier ter zitting duidelijkheid over verschaffen.

Nu de schuldenlast niet vast staat en – in het verlengde daarvan – niet duidelijk is welk percentage op basis van de huidige inkomensgegevens kan worden aangeboden, en ook niet is aangetoond dat de andere schuldeisers akkoord zijn en welke waarde gehecht kan worden aan de akkoordverklaring van het LBIO van 15 september 2015, geldt dat het voorstel niet goed en controleerbaar is gedocumenteerd. Onder deze omstandigheden dienen de belangen van mevrouw [naam 2] als weigerende schuldeiser zwaarder dienen te wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om mevrouw [naam 2] te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen. De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout, rechter, en in aanwezigheid van

S. Somers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2017. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.