Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4287

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
06-06-2017
Zaaknummer
10/690056-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden en mishandeling, terwijl het feit wordt begaan tegen zijn echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/690056-15

Datum uitspraak: 24 januari 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. F. Yildiz, advocaat te 's-Gravenhage.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 januari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.B.J. ten Have heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdachte heeft de ten laste gelegde gedragingen zowel bij de politie als ter terechtzitting ontkend. De verdediging stelt zich op het standpunt dat zich onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt om te komen tot een bewezenverklaring van beide feiten, waardoor vrijspraak dient te volgen. Aangevoerd is dat aangeefster, nu bleek dat een echtscheiding – die onaanvaardbaar is en gevaar voor aangeefster oplevert binnen de Afghaanse cultuur – onvermijdelijk was, een plan heeft opgezet om op een andere wijze een verblijfsvergunning te verkrijgen. Daar waar aangeefster pas na een huwelijk van minimaal drie jaar in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning, wordt deze haar nu verstrekt omdat zij het slachtoffer zou zijn geweest van ernstig huiselijk geweld. De verklaringen van aangeefster bevatten veel tegenstrijdigheden, aldus de verdediging. Ook de verklaringen van getuige [naam getuige 1] zijn niet eenduidig en op verscheidene punten tegenstrijdig met de door aangeefster bij de politie afgelegde verklaring. Bovendien is er geen forensisch rapport waarin onderzocht is op welke manieren het waargenomen letsel bij aangeefster heeft kunnen ontstaan, maar is alleen onderzocht of het zou kunnen passen bij schoppen of trappen.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank hecht geen geloof aan de door de verdachte afgelegde ontkennende verklaringen en heeft geen aanleiding om de door aangeefster afgelegde verklaring in twijfel te trekken. Die verklaringen worden immers door voldoende ander bewijs ondersteund. Naast de aangifte is er een getuigenverklaring van de buurman, [naam getuige 2] , die verklaart dat hij zijn buurvrouw nooit eerder gezien heeft terwijl hij wist dat er nog iemand moest wonen. Ook verklaart [naam getuige 2] dat hij door de aangeefster angstig is aangesproken vanachter een raam, met de vraag haar oom te bellen. Het proces-verbaal van bevindingen waarin de verbalisanten de aangetroffen situatie in de woning beschrijven, past eveneens bij de verklaring van aangeefster waarin zij zegt gedurende een lange tijd binnen te zijn gehouden en te zijn mishandeld. In het dossier bevindt zich een verklaring van een forensisch arts (FARR-verklaring), waarin wordt geoordeeld dat het letsel past bij de mishandelingen zoals door de aangeefster zijn beschreven. Een en ander in onderlinge samenhang bezien brengt de rechtbank tot het oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Gelet op de aangifte, waarin aangeefster verklaart dat het de eerste twee maanden dat zij in Nederland was goed ging, vangt de bewezenverklaarde periode naar het oordeel van de rechtbank aan met ingang van 1 maart 2013.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari maart 2013 tot en met 15 april 2014 te Ridderkerk opzettelijk [naam slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden door haar met dat opzet in een woning (gelegen aan de [adres delict] ) op te sluiten en/of opgesloten te houden;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari maart 2013 tot en met 15 april 2014 te Ridderkerk opzettelijk mishandelend zijn echtgenoot, althans een persoon, te weten [naam slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal (telkens) met kracht heeft getrapt/geschopt en/of geslagen in/tegen de rug en/of op de arm(en) en/of op het/de be(e)n(en), althans op het lichaam, waardoor deze [naam slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of

pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1 Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

2 Mishandeling, terwijl het feit wordt begaan tegen zijn echtgenote

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft gedurende ruim 13 maanden zijn echtgenote van haar vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Deze wederrechtelijke vrijheidsberoving ging gedurende deze periode gepaard met meerdere mishandelingen. Aangeefster kwam, na uitgehuwelijkt te zijn aan de verdachte, rechtstreeks vanuit Afghanistan naar Nederland. Zij beheerste de Nederlandse taal niet en kende in Nederland vrijwel niemand. Aangeefster had nauwelijks contact met haar familie, ook dat werd haar ontnomen door de verdachte. Zij had geen sleutel, geen telefoon, en zelfs binnenshuis mocht zij zich niet vrij bewegen. Aangeefster heeft in plaats van een gevoel van veiligheid in haar eigen woning bij haar eigen partner, gedurende een lange periode angst ervaren, en daarbij pijn en letsel ondervonden van de mishandelingen. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan zeer ernstige feiten. De ervaring leert dat dergelijke feiten door de slachtoffers daarvan als uitermate traumatisch worden ervaren. Bovendien hebben dergelijke gebeurtenissen veelal een langdurige en ernstige psychische nasleep. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt eveneens dat aangeefster veel last ondervindt van de gevolgen en lijdt aan een posttraumatische stress stoornis (PTSS).

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 december 2016, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 24 november 2014 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.

Tussen 24 november 2014 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van 2 jaar en 2 maanden. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van 2 jaar, is er in de onderhavige zaak sprake van een geringe overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volstaan kan mitsdien worden met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Alles afwegend wordt de hierna te noemen straf passend en geboden geacht.

8 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 6.572,40 aan materiële schade en een vergoeding van

€ 5.000, - aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de gevorderde schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen, behoudens de geclaimde kosten voor het inrichten van een woning à € 3.000, -. De vordering kan mitsdien worden toegewezen tot een bedrag van € 8.572,40, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de kosten voor woninginrichting à € 3.000, - niet voor vergoeding in aanmerking komen. De verdachte wilde immers scheiden en de benadeelde zou dus hoe dan ook hebben moeten verhuizen en kosten hebben moeten maken. Bovendien is door de verdachte een bruidsschat betaald en heeft hij nog een aanzienlijke schuld in verband met de kosten van het bruiloftsfeest. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de gevorderde immateriële schade gematigd dient te worden.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze in overwegende mate worden toegewezen.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de kosten voor woninginrichting vereist nader onderzoek en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het causale verband tussen de kosten en de strafbare feiten is onvoldoende vast komen te staan. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal overeenkomstig het daartoe gedane verzoek bepalen dat het te vergoeden schadebedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2014.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 8.572,40.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 57, 282, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, en beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen een bedrag van € 8.572,40 (zegge: achtduizendvijfhonderdtweeënzeventig euro en veertig cent), bestaande uit € 3.572,40 aan materiële schade en € 5.000, - aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 8.572,40 (zegge: achtduizendvijfhonderdtweeënzeventig euro en veertig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 8.572,40 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 77 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter,

en mrs. P. Putters en D.L. Spierings, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Hemert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 15 april 2014 te Ridderkerk opzettelijk [naam slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden door haar met dat opzet in een woning (gelegen aan de

[adres delict] ) op te sluiten en/of opgesloten te houden;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 15 april 2014 te Ridderkerk opzettelijk mishandelend zijn echtgenoot, althans een persoon, te weten [naam slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal (telkens) met kracht heeft getrapt/geschopt en/of geslagen in/tegen de rug en/of op de arm(en) en/of op het/de be(e)n(en), althans op het lichaam, waardoor deze [naam slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of

pijn heeft ondervonden;