Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4249

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
ROT 16/3059
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2019:3999, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 16/3059

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juni 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. F. Özer,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: J.B. Snoek.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 12 september 2014 ingetrokken.

Bij besluit van 16 december 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder de over de periode van 12 september 2014 tot en met 11 oktober 2015 uitbetaalde ZW-uitkering ten bedrage van € 31.780,80 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 6 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Overwegingen

1. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag het standpunt van verweerder dat uit onderzoek is gebleken dat tussen eiseres en [werkgever] (werkgever) geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat eiseres niet verzekerd was op grond van de ZW. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd bevestigd dat het bestreden besluit uitsluitend ziet op de periode vanaf 1 maart 2014, zijnde de datum dat eiseres aan [naam 1] van [inlener] (inlener) zou zijn uitgeleend door [werkgever] .

2. In beroep stelt eiseres - kort weergegeven - gemotiveerd dat zij wel in dienst was van ( [inlener] via) [werkgever] .

3.1.

Volgens artikel 3, eerste lid, van de ZW, voor zover hier van belang, is werknemer de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat.

3.2.

De privaatrechtelijke dienstbetrekking is de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Daarvan is sprake als de arbeidsrelatie aan drie voorwaarden voldoet, te weten de verplichting de werkzaamheden persoonlijk te verrichten, de verplichting tot loonbetaling en het bestaan van een gezagsverhouding.

3.3.

In artikel 30a van de ZW is geregeld onder welke voorwaarden verweerder overgaat tot herziening of intrekking van de uitkering.

In artikel 33 van de ZW is geregeld onder welke voorwaarden verweerder overgaat tot terugvordering van betaalde uitkering.

4.1.

De rechtbank dient te beoordelen of eiseres kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de ZW. Gelet op deze bepaling is vereist dat eiseres tot [inlener] via [werkgever] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 8 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1084) is daarvoor bepalend of tussen de werknemer en de werkgever sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden. Ook dient acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

4.2.

De intrekking en terugvordering zijn belastende besluiten. De bewijslast rust daarom in eerste instantie op verweerder. Dit brengt mee dat verweerder feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiseres en [inlener] via [werkgever] . Bij de vaststelling van de feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren en verklaringen van betrokkenen die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en ondertekend (ECLI:NL:CRVB:2010:BN0957). Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiseres geen dienstbetrekking in de zin van de sociale werknemersverzekeringswetten vervulde, dan ligt het vervolgens op de weg van eiseres om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 15 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3637).

4.3.

Uit de onderzoeksresultaten zoals neergelegd in het frauderapport van 30 november 2015 blijkt het volgende. Eiseres heeft aangegeven op 1 juni 2013 in dienst te zijn getreden bij werkgever [werkgever] . De bedrijfsvoering werd gedaan door [naam 2] . Met ingang van 1 maart 2014 is de bedrijfsvoering overgenomen door [naam 1] . Er is sprake geweest van een relatief kort dienstverband (van maart 2014 tot en met augustus 2014) met een relatief hoog salaris (een bruto maandloon van € 3202,91). De inkomstengegevens uit het hele dienstverband bij [naam 2] en [naam 1] zijn geregistreerd op dezelfde datum. Onderzoek bij de Belastingdienst heeft uitgewezen dat uit het dienstverband bij
aangiften van loonheffingen worden gedaan sinds januari 2014, maar dat de heffingen nooit zijn betaald. Op het rekeningnummer van eiseres hebben meerdere betalingen van [werkgever] plaatsgevonden in de periode van 1 maart 2014 tot en met 28 augustus 2014. De loongegevens over de maand augustus 2014 zijn niet geregistreerd, terwijl eiseres heeft aangegeven in september 2014 ziek te zijn geworden. Eiseres heeft wel over de maanden juli 2014 en augustus 2014 een salarisspecificatie ingestuurd. Naar aanleiding van het adres op de salarisspecificatie heeft verweerders rapporteur op 10 juni 2015 een bezoek afgelegd op de locatie [adres] . Op dit adres zou tot 25 maart 2014 de vestiging van [werkgever] zijn gevestigd. Het gebouw leek al enige tijd niet goed onderhouden en er bevond zich een woonruimte.

Verder is geconstateerd dat er verschil is tussen de reservering en de daadwerkelijke uitbetaling van het vakantiegeld. Ook bedraagt het vakantiegeld € 2.164,20, terwijl het bij een uitzendbureau gebruikelijk is dat pas op het moment van indiensttreding wordt gestart met de opbouw van vakantiegeld. Daarnaast heeft de Belastingdienst aangegeven twijfels te hebben over de betrouwbaarheid van [werkgever] en bestaat het vermoeden dat
[naam 1] als stroman van [naam 2] fungeert. De G-rekening toont geen enkele mutatie en omdat er geen aangifte wordt gedaan van omzetbelasting is er geen zicht op het al dan niet genereren van omzet. Ook bestaat onduidelijkheid over de administratie van
[werkgever] .

Eiseres heeft aangegeven dat zij met ingang van 1 maart 2014 werkzaamheden heeft verricht via [werkgever] voor inlener [inlener] . Eiseres, haar werkgever en de inlener hebben tegenstrijdig verklaard over de werkzaamheden van eiseres, het aanleveren van de urenbriefjes en de locatie van de werkzaamheden. Gelet hierop heeft verweerder de overgelegde stukken van [naam 3] , eigenaar van [inlener] , niet geloofwaardig geacht.

4.4.

Allereerst is de rechtbank met eiseres van oordeel dat aan het bezoek op
10 juni 2015 aan het adres [adres] genoemd op de salarisspecificatie geen waarde kan worden toegekend, gelet op het feit dat de datum van het bezoek relatief ver na de datum hier in geding ligt. Echter, op grond van de overige in het frauderapport genoemde constateringen heeft verweerder - alle feiten en omstandigheden afwegend en in onderlinge samenhang bezien - het aannemelijk mogen achten dat tussen eiseres en [werkgever] dan wel tussen eiseres en [inlener] via [werkgever] , geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

De rechtbank acht daarbij in ieder geval de tegenstrijdige verklaringen over de inhoud van de werkzaamheden (promotiewerkzaamheden van autogeurtjes en verfrisdoekjes) en de locaties daarvan van belang. Blijkens het verhoor van eiseres op 19 oktober 2015 (en in de procedure tot en met de zitting) heeft eiseres geen concrete informatie gegeven over bijvoorbeeld de geur van de doekjes en de namen en/of adressen van de benzinepompen en de horecabedrijven die zij zou hebben bezocht. Verder heeft eiseres verklaard ook bedrijven in België en Duitsland te hebben gezocht, terwijl [naam 3] heeft verklaard dat zij niet in het buitenland werkte. Ook is de verklaring van eiseres dat zij dagelijks een promotietasje in ontvangst nam tegenstrijdig met de verklaring van [naam 3] dat eiseres uit een doos kon pakken wat zij nodig had. Daarbij acht de rechtbank het loon gelet op de werkzaamheden die eiseres zou moeten verrichten relatief hoog en is er tegenstrijdig verklaard of het loon inclusief een brandstofvergoeding was.

Eiseres heeft bij diverse bevindingen van verweerder toelichtingen, nuanceringen en alternatieve verklaringen naar voren gebracht, in die zin dat de bevindingen over
[naam 2] en [naam 1] niet eiseres betreffen en dat het dienstverband geen vijf maanden betrof maar anderhalf jaar. Deze toelichtingen, nuanceringen en alternatieve verklaringen acht de rechtbank echter, ook in onderling verband beschouwd, onvoldoende overtuigend om af te kunnen doen aan het overheersende totaalbeeld dat naar voren komt uit de bevindingen van verweerder.

Ten aanzien van het niet-nakomen van de werkgeversverplichtingen kan de rechtbank eiseres in zoverre volgen in haar stelling dat die eiseres niet behoeven te worden toegerekend, maar niet kan eraan worden voorbijgezien dat het omstandigheden zijn die het beeld versterken dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

4.5.

De bij brief van 21 februari 2017 overgelegde verklaring van [naam 2] wijzigt dit oordeel niet, nu deze verklaring geen objectief en verifieerbare gegevens bevat die aannemelijk maken dat tussen eiseres en ( [inlener] via) [werkgever] wel een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond en evenmin de tegenstijdigheden tussen de verklaringen van eiseres, de werkgever en de inlener wegneemt.

4.6.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder terecht de aan eiseres verstrekte uitkering op grond van de ZW heeft ingetrokken en teruggevorderd.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello , voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en mr. drs. H.M. Braam, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.