Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4188

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
01-06-2017
Zaaknummer
10/710066-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft 2 jaar illegaal hennep geteeld en de opbrengst in eigen zak gestoken. Daarbij heeft hij illegaal elektriciteit afgetapt van energiebedrijf Stedin en zich schuldig gemaakt aan diefstal en inbraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/710066-15

Datum uitspraak: 8 maart 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 februari 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. L.C. Visser heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

  • -

    veroordeling tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Bepleit is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 en 2. Hooguit zou sprake kunnen zijn van medeplichtigheid dan wel een bewezenverklaring van de door de verdachte erkende periode dat hij wetenschap had van de hennepkwekerij. Volgens de verdachte is deze door anderen geplaatst medio april/mei 2014. De verdachte had een grote schuld bij deze personen. Zij hadden hem onder druk gezet om zijn loods ter beschikking te stellen voor het plaatsen van deze hennepkwekerij. Op deze wijze kon de verdachte zijn schuld afbetalen.

Ten aanzien van feit 3 is vrijspraak bepleit omdat bij de verdachte geen wetenschap van diefstal van stroom zou zijn geweest. Verdachte zou zelf in het geheel geen bemoeienis met de hennepkwekerij hebben gehad.

Ook ten aanzien van feit 4 is primair vrijspraak bepleit omdat niet vast staat dat de contante betalingen/opnamen van misdrijf afkomstig zouden zijn. Subsidiair is bepleit dat hooguit “enig geldbedrag” bewezen kan worden verklaard, omdat het dossier onvoldoende inzicht verschaft omtrent inkomsten en uitgaven. Er zijn ook inkomsten verkregen uit (deels zwart) werk.

4.1.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat met betrekking feit 1 de gehele ten laste gelegde periode bewezen kan worden verklaard. Ook de feiten 2, 3 en 4 komen voor bewezenverklaring in aanmerking.

4.1.3.

Beoordeling

feiten 1 en 2

Op 16 oktober 2014 is door de politie een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen in een loods aan de [adres delict] te Dirksland waarvan verdachte de huurder bleek te zijn vanaf september 2012. De toegang tot de kwekerij werd binnen in de loods gemaskeerd door een grote hoeveelheid isolatiemateriaal. Uit onderzoek bleek dat op 19 september 2012 475 rollen isolatiemateriaal waren afgeleverd bij de loods die door de verdachte in ontvangst zijn genomen en door de broer van de verdachte, via een bedrijf waar hij werkzaam is geweest, waren betaald. De politie heeft in juni 2013 eenzelfde hoeveelheid isolatiemateriaal gezien door het raam van de loods. Twee omwonenden, getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] , hebben verklaard dat zij na voornoemde grote levering in 2012 geen afleveringen van isolatiemateriaal meer hebben waargenomen en evenmin dat er isolatiemateriaal werd opgehaald.

[naam getuige 2] heeft voorts verklaard dat zij regelmatig geluid hoorde van de roldeur van de loods, alsmede van dichtslaande autodeuren. Een paar weken nadat zij kennis had gemaakt met de (toen voor haar nieuwe) huurder van de loods heeft zij (slechts) eenmalig de levering plaats zien vinden van isolatiemateriaal. Als er in de periode daarna buiten iets werd gepakt ging de roldeur open en gelijk weer dicht. Zij zag regelmatig dat iemand korte tijd binnen was. Dat was meestal de huurder of een andere man. Zij zag al na een paar weken dat de huurder met regelmaat van ca. 6 à 8 weken een busje van de firma [naam] kwam bij de loods. Volgens [naam getuige 2] kwamen zij dan doorgaans met vier man en bleven zij twee uur in de loods. Uit gegevens van de firma [naam] bleek dat de verdachte in ieder geval in september 2014 een busje bij dit bedrijf had gehuurd en dat dit bedrijf busje een half jaar gebruikt en vervolgens verkoopt, waarna de verhuurgegevens na enige tijd worden vernietigd.

Zowel [naam getuige 1] als [naam getuige 2] hebben in het voorjaar / de zomer van 2013 ook al een zoete lucht geroken afkomstig uit een pijpje aan de achterzijde van de loods. Zij hebben toen ook al achterin de loods eenzelfde berg isolatiemateriaal zien liggen als die waar zich later, bij het aantreffen door de politie, de toegang tot de hennepkwekerij achter bleek te bevinden.

Daarnaast is op 16 oktober 2014 een peuk bij de toegangsdeur van de kwekerij aangetroffen die na onderzoek dna sporen bleek te bevatten die met grote mate van waarschijnlijkheid afkomstig waren van de broer van de verdachte. Volgens de politie was het onmogelijk om in deze ruimte te komen voor iemand die geen weet had van de hennepkwekerij. Voorts was de broer van de verdachte eerder betrokken bij een op soortgelijke wijze met isolatiemateriaal verhulde hennepkwekerij kort voordat de verdachte de loods huurde.

Het verweer van de verdachte dat de hennepkwekerij na mei 2014 is geplaatst en dat hij geen bemoeienis had met de hennepkwekerij wordt hiermee aldus verworpen. De verdachte heeft ter terechtzitting nog verklaard dat hij werd afgeperst door schuldeisers en dat hij zijn loods ter beschikking stelde om zijn afpersers te kunnen betalen en/of zijn schuld te compenseren. Ook deze verklaring acht de rechtbank in het licht van het vorenstaande niet geloofwaardig of althans niet de gehele waarheid. Bovendien heeft de verdachte geen namen willen noemen of overige gegevens willen verstrekken. Verder heeft hij verklaard dat hij na het ontmantelen van de hennepkwekerij niets meer heeft vernomen van deze schuldeisers, hetgeen in een dergelijke situatie onaannemelijk wordt geacht.

Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat de verdachte vanaf het moment dat hij de loods huurde betrokken is geweest bij de hennepkwekerij en dat hij zich samen met anderen bezig heeft gehouden met het telen van de hennepplanten in de door hem gehuurde loods.

feit 3

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van feiten 1 en 2 is overwogen en nu de stroomaansluiting op naam stond van het in de loods gevestigde bedrijf van de verdachte, kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de illegale stroomaansluiting van de hennepkwekerij en hij aldus het oogmerk heeft gehad op het zich wederrechtelijk toe-eigenen van stroom.

Op grond hiervan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit.

feit 4

Vaststaat dat er op de twee bankrekeningen van het bedrijf van de verdachte, die op zijn naam staan, en op de bankrekening van zijn vrouw gedurende de jaren 2012 tot en met 2014 een bedrag van in totaal € 113.084,50 aan contant geld is gestort.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte vanaf september 2012 tot en met oktober 2014 hennepplanten heeft geteeld in een door hem gehuurde loods. Daarbij hebben er regelmatig oogsten plaatsgevonden, waarvan de verdachte zich de opbrengst heeft toegeëigend.

Uit de gegevens van de belastingdienst blijkt dat de verdachte nagenoeg geen legale inkomsten heeft verkregen gedurende deze periode. In zijn eerste verhoren bij de politie heeft de verdachte verklaard dat de zaken vanaf 2013 slecht gingen, hij € 15.000,- per jaar verdiende en dat hij vanaf mei 2014 niet meer heeft gewerkt. Volgens de verdachte moest zijn gezin rondkomen van het salaris van zijn vrouw van € 1.500,- per maand. De huurlasten van de twee woningen en de loods bedragen al rond de € 2.600,-. Zij zouden standaard geldtekort hebben en schulden zijn aangegaan.

De rechtbank is van oordeel dat het bovenstaande het vermoeden rechtvaardigt dat het geldbedrag van in totaal € 113.084,50 onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Hij heeft dit nagelaten.

De verdachte heeft eerst nadat hij is geconfronteerd met de contante geldstortingen aan het eind van zijn derde verhoor en ter terechtzitting verklaard dat hij geld verdiende met zwartwerken. Volgens de verdachte voerde hij isolatiewerkzaamheden uit. Hij wilde niet verklaren voor welke particulieren/bedrijven hij werkzaam is en ook overige gegevens heeft hij niet willen verstrekken. De verdachte heeft ook overigens zijn verklaring niet onderbouwd met stukken. Op de vraag hoe het kan dat de verdachte in de periode vanaf mei 2014 tot en met september 2014 niet heeft gewerkt, terwijl er in totaal een bedrag van € 15.560,- is gestort op de bankrekeningen, was zijn verklaring dat dit geld betrof dat hij uit eerdere werkzaamheden had verdiend en in zijn woning had bewaard. De rechtbank komt deze verklaring hoogst onaannemelijk voor, mede gelet op zijn eerdere verklaring dat zijn gezin standaard geld tekort kwam en hij schulden heeft.

De rechtbank is van oordeel dat, nu de verdachte eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren over de herkomst van het geldbedrag en hetgeen hij dienaangaande naar voren heeft gebracht bovendien niet als een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring kan gelden, het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking onvoldoende aanleiding is voor een nader onderzoek door het openbaar ministerie naar de herkomst van het geld. Verdachtes vage en niet-gesubstantieerde verklaring biedt eenvoudigweg onvoldoende concrete aanknopingspunten voor een dergelijk onderzoek. Op grond hiervan acht de rechtbank geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde geldbedrag van € 113.084,50,- onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat moet hebben geweten.

Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde onder 1, 2, 3 en 4 bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij, in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 16 oktober 2014 te

Dirksland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt

(in een loods aan de [adres delict] ) een (grote) hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van die wet;

2.

hij, op of omstreeks 16 oktober 2014 te Dirksland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1.320 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel

3a van die wet;

3.

hij, in of omstreeks de periode van 06 maart 2014 tot en met 16 oktober 2014 te

Dirksland, gemeente Goeree-Overflakkee,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een hoeveelheid elektrische energie, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [energiemaatschappij] ., in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

4.

hij, in of omstreeks de periode van 01 januari 2012 tot en met 31 december 2014, te

Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

van (een) voorwerp(en), te weten meerdere geldbedragen (van in totaal

113.094,50 euro), althans enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen en/of

heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was

en/of heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen

en/of heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dan wel

redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk

of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De bewezen feiten leveren op:

1.

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven

verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel

2.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven

verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel

3.

diefstal

4.

witwassen, meermalen gepleegd

6 Strafbaarheid feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

De verdachte heeft gedurende twee jaren hennep geteeld in een door hem gehuurde loods en zichzelf de opbrengst uit de oogsten toegeëigend. Op de twee bankrekeningen van het bedrijf [naam bedrijf] van de verdachte, die op zijn naam staan, en op de bankrekening van zijn echtgenote is gedurende deze jaren een bedrag van in totaal € 113.084,50 aan contant geld gestort. Uit de afschriften blijkt dat contante stortingen op deze rekeningen met name werden gedaan om hiermee betalingen danwel overschrijvingen te verrichten. Voorts blijkt dat het saldo op de bankrekening van [naam bedrijf] ( [bankrekeningnummer] ) na voornoemde periode op 26 februari 2015 € 0,04 bedroeg, het op de andere bankrekening van [naam bedrijf] € 0,48 was en op 16 maart 2015 op de bankrekening van de echtgenote van de verdachte € 0,62. Nader onderzoek heeft niet geleid tot het terugvinden van deze aanzienlijke geldbedragen. Uit genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte handelingen heeft verricht die erop waren gericht om zijn criminele opbrengst veilig te stellen; hetgeen hem (kennelijk) ook is gelukt. Daarbij kan in het midden blijven welke handelingen dat specifiek geweest zijn (zie ook ECLI:NL:HR:2013:898).

Gelet hierop kan worden vastgesteld dat zijn gedragingen waren gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die bedragen. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het onder 4 bewezenverklaarde feit als witwassen dient te worden gekwalificeerd.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straffen

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In een door de verdachte gehuurde loods is een in werking zijnde hennepkwekerij met in twee kweekruimtes in totaal 1320 hennepplanten aangetroffen. Over een periode van ruim twee jaren heeft hij samen met anderen op professionele wijze hennep geteeld.

Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Verdachte heeft door aldus te handelen zijn eigen financieel gewin dat hij met de kwekerij wilde behalen boven de volksgezondheid laten prevaleren. Daarbij droeg verdachte als kweker van een aanzienlijke hoeveelheid hennepplanten bij aan een keten van criminele activiteiten die de samenleving ontwricht.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van aanzienlijke geldbedragen afkomstig uit misdrijf cq. die hennepteelt.

Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit.

Dit veroorzaakt niet alleen overlast, maar ook financiële schade en doorgaans ook gevaar.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 september 2016, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Straffen

Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

Gelet op de ouderdom van de feiten zal de rechtbank echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat zich, in verband met een veroordeling in 2016, een situatie voordoet als bedoeld in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Gezien de ernst van de feiten zal de rechtbank een taakstraf van maximale duur opleggen en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze voorwaardelijke straf dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

9 Vordering benadeelde partij - schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde] gevestigd te Rotterdam, ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 13.347,31 aan materiële schade en wettelijke rente.

De officier van justitie acht de vordering in zijn geheel toewijsbaar.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 3bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht, de vordering genoegzaam is onderbouwd en deze niet inhoudelijk is betwist door de verdachte, zal deze worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 13.347,31.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 310 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden algemene voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 13.347,31 (zegge: dertienduizend driehonderd en zevenenveertig euro en eenendertig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 6 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen van € 13.347,31 (zegge: dertienduizend driehonderd en zevenenveertig euro en eenendertig eurocent); beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 13.347,31 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 101 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter,

en mrs. K. Helmich en S.N. Abdoelkadir, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Nederlof, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 maart 2017.

De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij,

in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 16 oktober 2014 te

Dirksland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt

(in een loods aan de Philipshoofjesweg)

een (grote) hoeveelheid hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij,

op of omstreeks 16 oktober 2014 te Dirksland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 1.320 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30

gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel

3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

hij,

in of omstreeks de periode van 06 maart 2014 tot en met 16 oktober 2014 te

Dirksland, gemeente Goeree-Overflakkee,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een hoeveelheid elektrische energie, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [energiemaatschappij] ., in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

4.

hij,

in of omstreeks de periode van 01 januari 2012 tot en met 31 december 2014, te

Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

van (een) voorwerp(en), te weten meerdere geldbedragen (van in totaal

113.094,50 euro), althans enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen en/of

heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was

en/of heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen

en/of heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dan wel

redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk

of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht