Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4167

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-05-2017
Datum publicatie
31-05-2017
Zaaknummer
C/10/516455 / HA ZA 16-1383
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet dwangbevel. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de ontvangst van de dwangbevelen redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Er is ook geen sprake van bijzondere omstandigheden die de Ontvanger zouden moeten weerhouden van invordering. Het verzet wordt ongegrond verklaard. Deze ongegrondverklaring wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nu sprake is van een duidelijk kansloos verzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/516455 / HA ZA 16-1383

Vonnis van 24 mei 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GMH BENELUX B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres in het verzet,

advocaat mr. L.C. de Jager,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF, KANTOOR ROTTERDAM,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. E.E. Schipper.

Partijen zullen hierna GMH Benelux en de Ontvanger genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 juni 2016, met producties 1 tot en met 14,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 8,

  • -

    de brief van de rechtbank van 1 maart 2017, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    de ten behoeve van de comparitie overgelegde producties 15 tot en met 17 van GMH Benelux,

  • -

    de ten behoeve van de comparitie overgelegde producties 9 tot en met 19 van de Ontvanger,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 maart 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

GMH Benelux is een detacheringsbureau in de railvervoersbranche.

2.2.

Vanaf 2013 heeft GMH Benelux diverse belastingaanslagen (loonheffing en omzetbelasting) niet of niet tijdig betaald.

2.3.

In de periode 15 november 2013 tot en met 13 mei 2016 heeft de Ontvanger op grond van de Invorderingswet 1990 (hierna: Iw) aan GMH Benelux 21 dwangbevelen doen betekenen. Deze dwangbevelen zijn door terpostbezorging betekend.

2.4.

De Ontvanger heeft op 21 november 2014 executoriaal beslag gelegd op de bedrijfsinventaris van GMH Benelux op het adres [adres] voor een bedrag van € 221.140,00 aan niet betaalde belastingaanslagen. Dit beslag heeft betrekking op 15 dwangbevelen (zie 2.3) betekend in de periode 15 november 2013 tot en met 17 oktober 2014.

2.5.

Op 20 januari 2015 heeft de Ontvanger GMH Benelux uitstel van betaling verleend voor 14 aanslagen. De brief van de Ontvanger luidt voor zover hier van belang:

“(…) Ik verbind aan dit uitstel de volgende voorwaarden:

-U betaalt direct € 21.000,00.

-U betaalt vervolgens per maand € 21.000,00. De uiterste betaaldatum van de eerste termijn is 28 februari 2015. Elke volgende termijn vervalt tekens een maand later.

-Het totale bedrag (inclusief rente en vervolgingskosten) moet op 30 oktober 2015 zijn betaald.

-Belastingschuld waarvoor geen uitstel is verleend, moet tijdig worden betaald.

-Als u niet aangeeft hoe uw betaling moet worden afgeboekt, zal ik naar eigen inzicht de betaling van de bovengenoemde belastingaanslagen afboeken.

Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, trekt ik het uitstel in.

(…)”.

2.6.

Een brief van de Ontvanger aan GMH Benelux van 5 juni 2015 luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Aan u werd uitstel van betaling verleend voor de volgende aanslagen:

(…)

Hierbij trekt ik het uitstel in.

Op mijn achterstandsbrief is geen reactie gekomen in de vorm van het inlopen van de betalingsachterstand op de regeling. De invordering zal worden hervat.

(…)”.

2.7.

GMH Benelux heeft tegen de intrekking van het uitstel van betaling van 5 juni 2015 beroep ingesteld bij de directeur. De directeur heeft het beroep bij uitspraak van 7 oktober 2015 afgewezen.

2.8.

GMH Benelux heeft zich vervolgens gericht tot de commissie van de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven uit de Tweede Kamer met het verzoek te oordelen dat de Ontvanger en/of de directeur onzorgvuldig en/of onjuist heeft/hebben gehandeld. De commissie heeft GMH Benelux bij brief van 29 maart 2016 bericht dat zij het verzoek van GMH Benelux niet in behandeling zou nemen.

2.9.

Bij exploot van 25 april 2016 heeft de belastingdeurwaarder de executieverkoop van de in beslag genomen bedrijfsinventaris van GMH Benelux bepaald op 9 juni 2016.

2.10.

Op 1 juni 2016 heeft de Ontvanger executoriaal beslag doen leggen op de bedrijfsinventaris van GMH Benelux op het adres [adres] voor een bedrag van € 84.600,00 aan niet betaalde belastingaanslagen. Dit beslag heeft betrekking op 6 dwangbevelen (zie 2.3) betekend in de periode 24 september 2015 tot en met 13 mei 2015. Op deze dwangbevelen is ‘versnelde invordering’ van toepassing.

3 Het geschil

3.1.

GMH Benelux vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat:

1) GMH Benelux terecht in verzet is gekomen tegen de tenuitvoerlegging van de door de Ontvanger uitgevaardigde dwangbevelen ter zake van de aanslagen dan wel GMH Benelux terecht in verzet is gekomen tegen de tenuitvoerlegging van de door de Ontvanger uitgereikte aanslagen en dat de dwangbevelen buiten effect worden gesteld,

2) er geen grond was om de aanslagen dan wel de dwangbevelen versneld in te vorderen,

3) de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld,

4) de Ontvanger zich dient te onthouden van enige invorderingsmaatregelen ter zake van die aanslagen dan wel opschorting van de aangekondigde executoriale verkoop,

5) de Ontvanger wordt verplichting tot opheffing van reeds gelegde beslagen,

6) tot vergoeding van alle door het handelen van de Ontvanger in dezen veroorzaakte, reeds belopen en nog te belopen schade, zoals nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de hierover reeds belopen en nog te belopen wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 BW,

7) vergoeding van de kosten van dit geding,

8) verval van de vervolgingskosten.

3.2.

De Ontvanger concludeert – kort gezegd – tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van GMH Benelux, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

GMH Benelux komt in verzet tegen de tenuitvoerlegging van de 21 dwangbevelen die aan de ten laste van GMH Benelux gelegde executoriale beslagen ten grondslag zijn gelegd (zie 2.3, 2.4 en 2.10). De Ontvanger stelt dat de aanslagen die aan die dwangbevelen ten grondslag liggen deels zijn betaald. Hij stelt dat de aan de dwangbevelen ten grondslag liggende aanslagen eindigend op de nummer A014010, A014020, A014030, A014050, A014060, A015030, A015040, A015050, A015060 en A016010 nog niet (geheel) zijn betaald. Bij de beoordeling van het verzet van GMH Benelux zal de rechtbank daarom uitgaan van de dwangbevelen die op die aanslagen betrekking hebben. Voor zover het verzet tevens gericht is tegen belastingaanslagen waarvoor (nog) geen dwangbevelen zijn uitgebracht, kan GMH Benelux niet in haar verzet worden ontvangen. Op grond van artikel 17 lid 1 Iw kan immers slechts in verzet gekomen worden tegen de tenuitvoerlegging van dwangbevelen.

4.2.

GMH Benelux stelt zich op het standpunt dat zij niet alle dwangbevelen heeft ontvangen. Zij kent alleen een dwangbevel van 12 juni 2015 met betrekking tot een belastingaanslag eindigend op nummer A015020. Zij stelt dat de ontvangst van de overige dwangbevelen redelijkerwijs moet worden betwijfeld. De dwangbevelen zijn betekend op het adres Pieter Zeemanweg 155, terwijl GMH Benelux is gevestigd op het adres [adres] Bovendien gaat veel mis met de postbezorging op het adres waar GMH Benelux gevestigd is. GMH Benelux krijgt vaak post voor andere bedrijven en zij krijgt ook vaak voor haar bestemde post niet.

4.3.

De Ontvanger betwist dat de ontvangst van de dwangbevelen redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Hij voert aan dat de dwangbevelen zijn verzonden naar het adres van GMH Benelux zoals dat was vermeld in het handelsregister: de dwangbevelen die zijn gedagtekend vóór eind oktober 2015 zijn geadresseerd aan het adres [adres] en de dwangbevelen die daarna zijn gedagtekend, zijn geadresseerd aan het adre [adres].

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 17 lid 3 Iw het verzet niet kan zijn gegrond op de stelling dat het aanslagbiljet, de aanmaning en/of het dwangbevel niet is ontvangen, tenzij de belastingschuldige aannemelijk maakt dat die ontvangst redelijkerwijs moet worden betwijfeld.

4.5.

Vaststaat dat de Ontvanger de betreffende dwangbevelen overeenkomstig artikel 13 lid 3 Iw heeft betekend door middel van terpostbezorging. Niet in geschil is dat GMH Benelux tot 22 oktober 2015 in het handelsregister stond ingeschreven op het adres [adres]. Dit betekent dat de Ontvanger de dwangbevelen in beginsel tot 22 oktober 2015 op dat adres kon betekenen. Aan de hand van de overgelegde ‘rapporten terpostbezorging dwangbevel’ (producties 9 tot en met 19) heeft de Ontvanger de verzending van de desbetreffende stukken aannemelijk gemaakt.

4.6.

GMH Benelux heeft ter onderbouwing van haar stelling dat er veel mis gaat met de postbezorging op het adres waar GMH Benelux gevestigd is en dat zij vaak post voor andere bedrijven krijgt, een foto van haar bedrijfspand en foto’s van post aan andere bedrijven overgelegd. Op de foto van het bedrijfspand is te zien dat dit pand meerdere brievenbussen heeft. Daarmee heeft GMH Benelux naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet aannemelijk gemaakt dat de ontvangst van de dwangbevelen redelijkerwijs moet worden betwijfeld. De rechtbank acht het erg onwaarschijnlijk dat de in het geding zijnde dwangbevelen – alle tien – GMH Benelux niet zouden hebben bereikt. Het had op de weg van GMH Benelux gelegen om nadere feiten of omstandigheiden aan te voeren op grond waarvan de ontvangst van alle dwangbevelen kan worden betwijfeld. Dat heeft zij niet gedaaan. Aldus kan de stelling van GMH Benelux dat zij deze dwangbevelen niet heeft ontvangen, niet leiden tot gegrondverklaring van het verzet.

4.7.

Ook de stelling van GMH Benelux dat de Ontvanger ten onrechte is overgegaan tot versnelde invordering kan niet leiden tot gegrondverklaring van het verzet. Naar de Ontvanger onweersproken heeft gesteld, heeft de Ontvanger de dwangbevelen die aan het op 1 juni 2016 gelegde executoriale beslag ten grondslag liggen, versneld ingevorderd, omdat er al beslag lag op de bedrijfsinventaris van GMH Benelux voor een andere belastingschuld van GMH Benelux. Gelet daarop was naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 10 lid 1 sub e Iw versnelde invordering mogelijk.

4.8.

GMH Benelux stelt voorts dat de aanslagen waarvoor beslag is gelegd, reeds zijn betaald. Ter comparitie heeft de Ontvanger de totale achterstand van GMH Benelux becijferd op € 526.547,00 (inclusief rente en kosten). Hierin zijn begrepen de onder 4.1 vermelde aanslagen, alsmede belastingaanslagen (loonheffing en omzetbelasting) waarvoor (nog) geen dwangbevelen zijn uitgebracht. GMH Benelux heeft de achterstand ter comparitie becijferd op € 223.372,00. Zij stelt dat van het bedrag van € 526.547,00 de aanslagen eindigend op de nummer F016270, A017010, A016110, F014501, F015501 en A016100 in mindering moeten worden gebracht. Deze aanslagen zijn ofwel betaald, ofwel nog niet ontvangen. Daarnaast is voor twee aanslagen uitstel gevraagd.

Deze stelling van GMH Benelux treft geen doel, omdat dit andere aanslagen betreft dan de onder 4.1 vermelde aanslagen. De door GMH Benelux gestelde aanslagen zijn aanslagen waarvoor (nog) geen dwangbevel is uitgebracht. Aldus moet er als onbetwist vanuit worden gegaan dat GMH Benelux de onder 4.1 vermelde aanslagen nog niet heeft voldaan. De stelling van GMH Benelux dat de aanslagen waarvoor beslag is gelegd, zijn betaald, treft dus geen doel.

4.9.

GMH Benelux legt daarnaast aan haar verzet ten grondslag de stelling dat de Ontvanger ten onrechte het verleende uitstel van betaling heeft ingetrokken.

4.10.

Op grond van artikel 25 lid 1 Iw kan de Ontvanger onder door hem te stellen voorwaarden aan de belastingschuldige voor een bepaalde tijd uitstel van betaling verlenen.

Bij verzoeken om uitstel van betaling past de Ontvanger het beleid toe zoals dat is vastgelegd in de Leidraad Invordering 2008. Artikel 25.1.4 onder a van die Leidraad bepaalt dat een verleend uitstel in ieder geval wordt beëindigd als niet aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder het uitstel is verleend.

Vaststaat dat het uitstel was verleend onder de voorwaarden zoals weergegeven in de onder 2.5 vermelde brief. Blijkens zijn brief van 5 juni 2015 heeft de Ontvanger het uitstel ingetrokken, omdat GMH Benelux niet voldeed aan de voorwaarde om iedere maand € 21.000,00 in te lopen op de oude belastingschuld en om de lopende fiscale verplichtingen na te komen. GMH Benelux heeft niet betwist dat zij niet voldeed aan (een van) de voorwaarden voor het uitstel van betaling. Overeenkomstig de voormelde leidraad kon de Ontvanger het verleende uitstel dus intrekken. De onder 4.9 vermelde verzetsgrond slaagt dus niet.

4.11.

GMH Benelux stelt voorts dat zij door executie failliet zal gaan. Zij kan dan geen personeel meer aan haar klanten (waaronder NS, Bam Rail, Arriva en RTB) beschikbaar stellen. Bepaald treinverkeer zal dan stil komen te liggen, waardoor de klanten van GMH Benelux veel schade zullen worden geleden. Inmiddels groeit het bedrijf van GMH Benelux weer. Daardoor zal er meer winst beschikbaar komen voor de aflossing van oude schulden. In 2017 zal de gehele (niet betwiste) belastingschuld worden voldaan waarbij de Ontvanger geen risico loopt. Bovendien ontvangt de Ontvanger niets meer van GMH Benelux na een eventuele executie, omdat de executie niet veel zal opbrengen en GMH Benelux vervolgens geen mogelijkheid meer heeft om de belastingschulden terug te betalen.

Aldus is de executie disproportioneel en in strijd met het evenredigheidsbeginsel. In het kader van de inherente afwijkingsbevoegdheid ex 4:84 Awb verzoekt GMH Benelux daarom haar belangen zwaarder te laten wegen dan de belangen van de Ontvanger.

4.12.

Op grond van artikel 4:84 Awb geldt als hoofdregel dat in beginsel overeenkomstig een beleidsregel moet worden besloten (in dit geval gaat het om de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen op grond van de Leidraad Invordering 2008). Slechts indien toepassing van de beleidsregel voor een belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, kan afwijking van die beleidsregel geboden. Als uitgangspunt geldt dat de bij de wet aan de Ontvanger gegeven bevoegdheid om tot uitwinning over te gaan voor hem een onmisbaar instrument is tot invordering, ten behoeve van de schatkist en daarmee van het algemeen belang, van op andere wijze niet te innen belastinggelden (Hof ’s-Gravenhage 15 juli 1993, VN 1993, 2579). Bij de bijzondere omstandigheden die de Ontvanger zouden moeten weerhouden van invordering zal daarom met name moeten worden gedacht aan omstandigheden waarin tegenover het nadeel voor de belastingplichtige geen enkel voordeel voor de Ontvanger staat of omstandigheden waarin er een zodanige onevenredigheid is tussen het voordeel voor de Ontvanger en het nadeel dat de belastingplichtige lijdt door de executie, dat de Ontvanger naar redelijkheid niet tot die uitoefening mag overgaan.

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank is van een uitzonderingsgeval als hierboven bedoeld, in het onderhavige geval geen sprake. Als onbetwist staat vast dat GMH Benelux niet heeft voldaan aan de voorwaarden waaronder de Ontvanger uitstel van betaling had verleend. Het gaat om een forse oude belastingschuld, waarop sinds het uitbrengen van de dwangbevelen amper is ingelopen. Bovendien kan niet worden gezegd dat de wijze van inning van de belastingschuld door de Ontvanger slechts schadelijk is zonder dat hiertegenover een voordeel staat. De inventaris vertegenwoordigt immers een zekere waarde, hetgeen GMH Benelux op zich niet betwist.

De stelling van GMH Benelux dat zij in 2017 de gehele belastingschuld kan aflossen, doet hieraan niet af, omdat GMH Benelux die stelling niet nader heeft geconcretiseerd en zij ook niet heeft aangegeven welke zekerheid zij de Ontvanger daartoe kan bieden.

Onder deze omstandigheden betekent de enkele mogelijkheid dat door executie de bedrijfscontinuïteit van GMH Benelux in gevaar komt, niet dat het belang van de Ontvanger bij executie moet wijken voor het belang van GMH Benelux.

4.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen van de door GMH Benelux gestelde verzetsgronden slagen en dat niet kan worden vastgesteld dat – zoals GMH Benelux stelt - de Ontvanger onrechtmatig jegens haar handelt. Het verzet zal daarom ongegrond verklaard worden en de overige vorderingen van GMH Benelux zullen worden afgewezen.

4.15.

De Ontvanger verzoekt, op grond van de stelling dat het verzet ‘evident kansloos’ is, de ongegrondverklaring van het verzet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat een eventueel door GMH Benelux tegen dit vonnis in te stellen rechtsmiddel geen schorsende werking zal hebben.

4.16.

Uit artikel 17 lid 2 Iw volgt dat het verzet de tenuitvoerlegging van het dwangbevel schorst. Alleen een zwaarwegend belang van de Ontvanger kan rechtvaardigen dat de schorsende werking van het verzet opzij wordt gezet, bijvoorbeeld indien het verzet, gelet op hetgeen de belastingplichtige heeft aangevoerd, zo duidelijk kansloos is, dat zijn belang bij de schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de belastingdienst bij voortzetting van de tenuitvoerlegging.

4.17.

Met de Ontvanger is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een duidelijk kansloos verzet, zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA1525). GMH Benelux heeft ter comparitie verklaard dat de tijd die met de verzetprocedure werd gecreëerd zou worden gebruikt om de oude belastingschulden af te betalen om zo te laten zien dat de beslissing van de Ontvanger om het uitstel van betaling in te trekken, niet terecht was. Dit duidt erop dat GMH Benelux de onderhavige procedure heeft ingesteld om alsnog uitstel van betaling te bewerkstelligen.

4.18.

GMH Benelux zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.523,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart het verzet ongegrond,

5.2.

veroordeelt GMH Benelux in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op € 1.523,00,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst de overige vorderingen af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2017.

2083/1515