Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4101

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-05-2017
Datum publicatie
30-05-2017
Zaaknummer
10/811251-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte probeert haar echtgenoot van het leven te beroven door brandstichting met terpentine in de slaapkamer waar hij lag te slapen. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte fysiek en psychisch werd mishandeld door haar man, en verklaart haar verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank veroordeelt de vrouw voor poging tot moord en brandstichting tot een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk met behandeling als bijzondere voorwaarde. Overwegingen met betrekking tot voorbedachten rade, relatief ondeugdelijk middel en psychische overmacht. Geen eendaadse samenloop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0500
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/811251-16

Datum uitspraak: 16 mei 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis,

raadsman mr. P.A.J. van Putten, advocaat te Almere.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 april 2017 en 16 mei 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Tiebosch heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 impliciet primair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring feit 2 zonder nadere motivering

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering feit 1

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord op haar echtgenoot [naam slachtoffer] (hierna: [naam slachtoffer] , of: het slachtoffer).

Primair heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte de ten laste gelegde handelingen – brand stichten in de slaapkamer, waar [naam slachtoffer] op dat moment lag te slapen – niet met voorbedachten rade heeft gepleegd, maar dat sprake was van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de openstaande tabbladen en de zoekgeschiedenis (hierna ook: de zoekslagen) in de telefoon van de verdachte niet kunnen worden meegewogen in het bewijs voor voorbedachten rade, omdat uit onderzoek blijkt dat deze zoekslagen ook kunnen zijn gemaakt nadat de verdachte was aangehouden.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van poging tot moord, dan wel doodslag, nu de verdachte een relatief ondeugdelijk middel heeft gebruikt en in alle redelijkheid niet te verwachten viel dat [naam slachtoffer] daadwerkelijk had kunnen sterven.

Beoordeling

De rechtbank zal hieronder deze verweren bespreken.

Voorbedachten rade

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van ‘voorbedachten rade’ gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

  1. De verdachte heeft ter terechtzitting op 18 april 2017 verklaard dat zij op 11 juli 2016 in de slaapkamer waar [naam slachtoffer] op bed lag te slapen terpentine heeft gegooid, vervolgens een brandende zakdoek in die slaapkamer heeft gegooid en daarna de slaapkamerdeur op slot heeft gedraaid.

  2. Ter terechtzitting heeft de verdachte toegelicht dat zij een fles terpentine uit de keuken heeft gepakt, alvorens naar de slaapkamer van [naam slachtoffer] te gaan. Toen ze de slaapkamer binnen kwam heeft ze eerst nog een stapeltje wasgoed, dat ze vanaf een bankje in de gang op de begane grond had gepakt, op het bed gegooid. Ook heeft ze verklaard dat ze probeerde de terpentine om de plek waar [naam slachtoffer] lag te slapen heen te gooien. De rechtbank heeft waargenomen dat zij bij deze verklaring met haar arm een U-vorm beweging maakte. Omdat het donker was kon ze niet goed zien waar de vloeistof terecht kwam. Ze heeft de fles hierbij geheel of nagenoeg geheel leeggegooid.

  3. Voorts heeft de verdachte ter terechtzitting nader toegelicht dat zij merkte dat [naam slachtoffer] wakker werd, toen zij de eerste keer in zijn slaapkamer stond. Hierop is zij naar de gang gelopen en heeft ze de deur op slot gedaan. Daarna heeft de verdachte, zoals vermeld, een zakdoek gepakt, daar terpentine op gedaan en deze zakdoek met een aansteker in brand gestoken. De verdachte heeft daarop de deur weer opengedaan, de brandende zakdoek naar binnen, op het bed, gegooid, de deur snel weer dichtgedaan en deze wederom op slot gedraaid. Ze sloot de deur af om te voorkomen dat [naam slachtoffer] de kamer zou kunnen verlaten.

  4. De slaapkamer van [naam slachtoffer] is door het forensische opsporingsteam van de politie enkele uren na de melding onderzocht. Uit het door dit team opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de geur van terpentine in de slaapkamer sterk te ruiken was. Op het bed, de vloer en tegen de muur zat vloeistof. Op het bed lag een deels verbrande zakdoek en aan een dekbed was een begin van een brand zichtbaar.

  5. De politie heeft de bij de verdachte in gebruik zijnde smartphone in beslag genomen en op 15 juli 2016 onderzocht. Uit dit onderzoek is onder meer gekeken naar de nog openstaande tabbladen en de zoekgeschiedenis op internet van binnen een week daarvoor. Daaruit is gebleken dat de volgende onderwerpen zijn bekeken danwel daarnaar is gezocht:
    - met terpentine overgieten;

- terpentine verdampt;

- oorzaak uitgebrande slaapkamer;

- terpentine brand;

- man steekt dakloze die aan het slapen is in brand.

Ten aanzien van de resultaten van het onderzoek aan de smartphone heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat zij naar deze specifieke onderwerpen heeft gezocht en zij ook degene is geweest die de bewuste onderwerpen heeft bekeken.


De rechtbank concludeert op grond van deze feiten en omstandigheden dat de verdachte vanaf het moment dat zij op internet heeft gezocht naar de vermelde onderwerpen zich op zijn minst is gaan beraden op haar genomen of te nemen besluit. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij deze zoekslagen heeft gemaakt in een ander kader, namelijk om te onderzoeken wat haar echtgenoot haar allemaal zou kunnen aandoen. De rechtbank acht dit onlogisch en onwaarschijnlijk en schuift de verklaring op dit onderdeel terzijde. Het betoog van de raadsman dat de zoekslagen door een ander dan de verdachte zouden kunnen zijn gedaan treft geen doel, aangezien de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat zij diegene is geweest.

Uit de opeenvolging van de handelingen van de verdachte in de nacht van 11 juli 2016, blijkt bovendien van een planmatige aanpak. Immers heeft de verdachte eerst een fles terpentine gepakt en een stapeltje wasgoed op het bed gegooid, daarmee extra brandmateriaal creërend. Zij heeft de terpentine vervolgens niet over [naam slachtoffer] heen gegooid, maar doelbewust om hem heen gegoten. Dit past bij een werkwijze, waarbij zij heeft willen voorkomen dat hij wakker werd.

De verdachte heeft na het gooien van de terpentine, de slaapkamerdeur afgesloten, een zakdoek aangestoken, de deur vervolgens weer opengedaan, de zakdoek op het met terpentine overgoten bed gegooid om vervolgens de deur weer dicht te doen en deze wederom op slot te draaien, met het doel te voorkomen dat [naam slachtoffer] weg kon komen. Op al deze momenten heeft de verdachte voldoende tijd gehad om na te denken en om op haar schreden terug te keren.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte het vooropgezette plan had het slachtoffer van het leven te beroven. De verdachte heeft vóór de uitvoering van haar daad nagedacht over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap gegeven.

De rechtbank acht voorts geen contra-indicaties aannemelijk geworden die het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan. Hierbij is van belang dat het de bewuste dag – ook volgens de verdachte – juist rustig was geweest in huis, zonder noemenswaardige ruzies, en dat op het bewuste moment iedereen in huis, behalve de verdachte, rustig lag te slapen. De verdachte heeft in dit verband verklaard dat zij die nacht de slaap niet kon vatten, en dat zij werd getriggerd door een ruziënd stelletje dat zij voorbij zag lopen op straat, waarbij zij hoorde dat de man een zware boze stem had en de vrouw huilde, waarin zij de kenmerken van haar ongelukkige huwelijk herkende. Naar eigen zeggen ging er toen bij haar een knop om. De aangevoerde omstandigheden zijn geen contra-indicatie in voornoemde zin. De rechtbank kan namelijk in redelijkheid niet inzien dat de gestelde waarnemingen - indien waar - zodanige impact hebben gehad op de gemoedstoestand van de verdachte, dat dit haar tot haar handelen heeft gebracht.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Relatief (on)deugdelijk middel

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat sprake is geweest van een relatief ondeugdelijk middel, nu niet kan worden vastgesteld dat een afdoende hoeveelheid brandbare vloeistof in de slaapkamer is gegooid om de dood van [naam slachtoffer] in alle redelijkheid te kunnen verwachten.

Op basis van de verklaring van de verdachte en het proces-verbaal van de forensische opsporing van politie stelt de rechtbank vast dat door het handelen van de verdachte brand is ontstaan op het bed waar [naam slachtoffer] zich op dat moment bevond. De verdachte heeft zoals eerder vermeld ter terechtzitting verklaard dat zij een fles terpentine (nagenoeg) heeft leeggegooid om de plek heen waar de verdachte lag te slapen. Wanneer in die situatie een, met vuur en terpentine aangestoken, brandend voorwerp wordt gegooid op een bed met daarop een (extra) hoeveelheid textiel, waarop een ander zich bevindt, kan zonder meer gezegd worden dat die ander in levensgevaar verkeert. Het gebruikte middel kan dan ook als deugdelijk aangemerkt worden. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte schuldig is aan poging tot moord op [naam slachtoffer] op 11 juli 2016 te Rotterdam.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

zij op of omstreeks 11 juli 2016 te Schiedam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het

leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- terpentine, althans een brandbare stof over/naar die [naam slachtoffer] en/of het bed

waar die [naam slachtoffer] in/op lag/zat gegooid/gegoten, en/of

- ( vervolgens) een brandende doek in de kamer waarin voornoemde [naam slachtoffer] zich

bevond en/of waarin voornoemd bed stond gegooid, en/of

- ( vervolgens) die [naam slachtoffer] belemmerd die afgesloten kamer met daarin

voornoemd bed met daarop een (inmiddels deels) brandend dekbed/kussen, te

verlaten door de deur van die kamer op slot te doen/draaien,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

zij op of omstreeks 11 juli 2016 te Schiedam

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de

[adres delict] ,

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in een (slaap)kamer van

voornoemde woning, terpentine, in elk geval een brandbare stof in de richting

van een bed gegooid en/of (vervolgens) een brandende doek in dc richting van

voornoemd bed in die kamer gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met die terpentine, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of een dekbed en/of een kussen welke

op voornoemd bed lag(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor

-die woning en/of zich in de nabijheid van die woning bevindende goederen, in

elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

-levensgevaar voor zich in die woning en/of zich in de nabijheid van die

woning bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of

anderen, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5 Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. impliciet primair

poging tot moord;

2.

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is hier geen sprake van eendaadse samenloop, gelet op de verschillende strekking van beide strafbepalingen. Wel is sprake van meerdaadse samenloop.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte in een zodanige toestand verkeerde dat er sprake is geweest van psychische overmacht. De verdachte is de afgelopen jaren slachtoffer geweest van fysieke en geestelijke mishandeling door haar echtgenoot (slachtoffer). De betreffende avond hoorde zij voorbijgangers, kennelijk een stel, ruzie maken, hetgeen een hevige impulsdoorbraak veroorzaakte. Vervolgens heeft de verdachte in een impuls gehandeld en brand gesticht. Gelet op de persoonlijkheid van de verdachte, de opgebouwde spanning van de afgelopen jaren en met name de afgelopen periode, en de extreme gemoedstoestand die dat bij de verdachte teweeg heeft gebracht, kon de verdachte deze drang niet meer weerstaan en kon dit ook niet meer van haar worden gevergd. De verdachte moet derhalve worden ontslagen van alle rechtsvolging.

Beoordeling

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden aan de als verweer aangevoerde drang kan de persoonlijkheid van de verdachte worden betrokken (vgl. HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1144). Dit neemt echter niet weg dat van buiten de persoon komende omstandigheden bij het aannemen van het redelijkerwijs geen weerstand kunnen en behoeven te bieden doorslaggevend moeten zijn.

De verdachte heeft verklaard gebukt te zijn gegaan onder geestelijke en lichamelijke mishandeling door [naam slachtoffer] . De rechtbank vindt op basis van het dossier en verhandelde ter terechtzitting aannemelijk geworden dat de verdachte in elk geval een aantal keer fysiek is mishandeld door haar man, en dat zij geestelijk gebukt ging onder een dominante man.

Maar niet is gebleken dat deze fysieke en geestelijke mishandelingen van een zodanige mate en intensiteit waren dat deze de voor psychische overmacht vereiste, van buiten komende drang opleveren.

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd, dat de persoonlijkheid van de verdachte maakt dat zij dit wel als een drang gevoeld heeft, geldt dat dit niet wordt ondersteund door de uitkomsten van gedragskundig onderzoek, en dat dit ook anderszins niet is gebleken.

Dat deze gebeurtenissen desondanks in de bewuste nacht door - kort gezegd - het ruzie makende stel op straat hebben gezorgd voor een hevige impulsdoorbraak, van waaruit verdachtes handelen verklaard kan worden, is evenmin aannemelijk geworden. In de eerste plaats wordt ook dit niet ondersteund door gedragskundig onderzoek. In de tweede plaats vanwege hetgeen hiervoor is opgemerkt over de mate en intensiteit van de mishandelingen. In de derde plaats vanwege het feit dat de rechtbank in de gestelde gebeurtenissen die nacht onvoldoende aanleiding voor zo’n impulsdoorbraak ziet. In de vierde plaats valt dit alles niet te rijmen met het planmatig gedrag van de verdachte voor, tijdens en na de brandstichting. Immers, zij heeft zich blijkens haar zoekgedrag op internet vooraf vergewist van de wijze waarop dit kan worden uitgevoerd. De uitvoering zelf getuigde van een planmatige aanpak, zoals hiervoor reeds onder 4.2 is beschreven. Voorts heeft zij na de brandstichting deels lege terpentineflessen in een kussensloop gedaan en deze naar een container gebracht. Voorts heeft zij naar eigen zeggen met een laken geprobeerd de terpentine van de slaapkamervloer te verwijderen. De verdachte heeft [naam slachtoffer] in zijn slaapkamer op doordachte wijze in zijn slaap geprobeerd van het leven te beroven en toen dit niet lukte door haar daarbij gebruikte zaken getracht aan het zicht te onttrekken en te verwijderen.

Dit alles maakt dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte handelde onder invloed van een zodanige (van buiten komende) drang dat zij daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het beroep op psychische overmacht wordt dus verworpen.

Toerekeningsvatbaarheid

Wel ziet de rechtbank aanleiding de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Uit de Pro Justitia rapportage van 17 oktober 2016, opgemaakt door drs. [naam deskundige] , GZ-psycholoog, volgt dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met ontwijkende, afhankelijke, narcistische en borderline trekken. Daarnaast is sprake van ouder-kind relatieproblematiek en van partner-relatieproblematiek. Deze gebrekkige ontwikkeling was van invloed op verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde.

De persoonlijkheidsproblematiek heeft in ieder geval in enige mate doorgewerkt in het plegen van het ten laste gelegde, gezien de langdurige spanning, krenking en de beperkte copingvaardigheden van de verdachte, zodat van een verminderde toerekeningsvatbaarheid (op een driepuntschaal) kan worden uitgegaan.

Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door haar bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord op haar echtgenoot. Zij heeft getracht hem van het leven te beroven terwijl hij lag te slapen. Zij heeft geprobeerd brand te stichten in de slaapkamer van het slachtoffer door terpentine rond en over het bed en beddengoed te gieten en vervolgens een brandende zakdoek op het bed te gooien. Vervolgens heeft zij de slaapkamerdeur op slot gedraaid. Dankzij doortastend optreden van het slachtoffer is de brand relatief snel gedoofd en is erger voorkomen.

Door haar handelen heeft de verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer op grove wijze geschonden, maar heeft zij hem ook angst en vrees aangejaagd, en dit in zijn eigen huis en slaapkamer, een plaats waar hij zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Het slachtoffer zal waarschijnlijk nog lang te kampen hebben met de psychische gevolgen van het handelen van de verdachte, zoals ook blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van [naam slachtoffer] .

Een ander opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven, is een van de ergste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Als het delict voltooid wordt, zijn de gevolgen ervan onomkeerbaar, maar ook als het blijft bij een poging zijn de gevolgen voor het slachtoffer veelal groot. Daarnaast leiden dergelijke delicten tot grote beroering in de maatschappij.

Naast de gevolgen voor de echtgenoot van de verdachte hebben deze feiten ook grote gevolgen kunnen hebben voor de kinderen van de verdachte. Uit het forensisch onderzoek van de politie is gebleken dat, indien deze brand zich verder had ontwikkeld, de enige vluchtweg door deze brand snel zou worden afgesloten, waardoor ook de levens van de kinderen die boven in bed lagen te slapen in gevaar zouden zijn geweest. Daarnaast zullen de kinderen moeten leren leven met het feit dat hun moeder hun vader heeft geprobeerd te doden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 maart 2017, waaruit niet blijkt van een voor de strafmaat relevante veroordeling.

Rapportage reclassering

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 18 oktober 2016. Dit rapport houdt onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende in.

In het leven van de verdachte is voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten sprake geweest van een langdurige problematische relatie tussen de verdachte en aangever, waarbij er ook sprake is geweest van huiselijk geweld jegens de verdachte. De verdachte heeft pogingen ondernomen de relatie te beëindigen, maar was uiteindelijk niet daadkrachtig genoeg haar voornemen in daden om te zetten, aldus de verdachte. In de loop der jaren namen de gevoelens van spanningen, frustratie en machteloosheid toe.

Het recidiverisico en het risico op onttrekken van de voorwaarden worden beide ingeschat als laag / gemiddeld. Er is sprake van een persoonlijkheidsstoornis NAO, met ontwijkende, afhankelijke, narcistische en borderline trekken. De verdachte en aangever hebben thans geen contact, maar zullen nog wel een echtscheidingsprocedure moeten doorlopen, waarbij de kans op spanning en frustratie rondom de financiële afwikkeling en omgang met de kinderen aanwezig kan zijn. De verdachte heeft zich coöperatief opgesteld en staat open voor hulpverlening. De verdachte is niet bekend met eerder gewelddadig gedrag.

De reclassering adviseert de rechtbank – indien mogelijk – de verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact en deelname aan een ambulante behandeling in een forensisch kader.

Rapportage psycholoog

Psycholoog [naam deskundige] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 17 oktober 2016. Dit rapport houdt onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende in.

De kans op herhaling van de ten laste gelegde feiten wordt als matig ingeschat. Vanuit de persoonlijkheidsstoornis is de verdachte enerzijds geneigd conflicten uit de weg te gaan, zich afhankelijk en vermijdend op te stellen. Anderzijds is ze vanuit dezelfde stoornis gemakkelijk te krenken en heeft ze weinig vaardigheden hiermee om te gaan. Ze heeft weinig oog voor de belangen en behoeften van de ander(en). Gecombineerd verhoogt dit de kans op recidive.

De verdachte heeft een beperkt netwerk. Dit verhoogt de kans op recidive. Ze heeft enerzijds een hulpvraag, maar het lukt haar niet hier naar te handelen, waardoor haar problemen niet opgelost worden. Dit verhoogt ook de kans op recidive. Een en ander kan elkaar in negatieve zin versterken.

Op basis van het huidige onderzoek wordt behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek geadviseerd door middel van schematherapie. Geadviseerd wordt de verdachte aan te melden bij [naam instelling] .

Mocht het komen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, dan wordt geadviseerd de verdachte een toezicht op te leggen door de reclassering, waarbij de behandeling middels schematherapie opgenomen kan worden als een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke veroordeling tot detentie.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte, de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de langdurige problematiek binnen het huwelijk. Uit de rapportage van de psycholoog, maar ook uit de verklaringen in het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte meermalen geestelijk en lichamelijk is mishandeld door haar echtgenoot en zich jarenlang onderdrukt heeft gevoeld. Deze factoren maken ook dat de rechtbank een straf zal opleggen die lager is dan de officier van justitie heeft geëist, te weten een gevangenisstraf van vier jaren.

Nu de reclassering en de psycholoog begeleiding en behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek noodzakelijk achten, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf, namelijk één jaar, voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Door het opleggen van een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, zal de uiteindelijke duur van het onvoorwaardelijke deel van de straf vier maanden hoger liggen dan bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar met de mogelijkheid tot voorlopige invrijheidstelling. Toch heeft de rechtbank voor de op te leggen straf gekozen, omdat deze in dit geval passend en geboden wordt geacht.

8 Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van de onder 1 en 2 strafbare feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 730,74 aan materiële schade en een vergoeding van € 3.000,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering benadeelde partij geheel toe te wijzen vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

Namens de verdachte is aangevoerd de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu de verdediging primair vrijspraak en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging heeft bepleit ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

8.3.

Beoordeling

Materiële schade

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht, de verdachte de vordering in zoverre ook niet heeft betwist en de rechtbank dit deel van de vordering niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal dat deel worden toegewezen.

Immateriële schade

Voorts is voldoende vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door de onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2016, de datum waarop de feiten zijn gepleegd.

Proceskosten

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Ter terechtzitting is gebleken dat een echtscheidingsprocedure gaande is, maar dat de verdachte en de benadeelde partij nu nog (in gemeenschap van goederen) zijn gehuwd. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.730,74, vermeerderd met de wettelijke rente.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot één jaar niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op twee jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht door Reclassering Nederland, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling zal stellen bij [naam instelling] te Rotterdam, of een soortgelijke forensisch-psychiatrische behandelinstelling, voor haar persoonlijkheidsproblematiek, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met [naam instelling] verantwoord vindt;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 1.730,74, bestaande uit € 730,74 aan materiële schade en € 1000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L.C. van Walree, voorzitter,

en mrs. S. Jordaan en D. Visser, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 11 juli 2016 te Schiedam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het

leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- terpentine, althans een brandbare stof over/naar die [naam slachtoffer] en/of het bed

waar die [naam slachtoffer] in/op lag/zat gegooid/gegoten, en/of

- ( vervolgens) een brandende doek in de kamer waarin voornoemde [naam slachtoffer] zich

bevond en/of waarin voornoemd bed stond gegooid, en/of

- ( vervolgens) die [naam slachtoffer] belemmerd die afgesloten kamer met daarin

voornoemd bed met daarop een (inmiddels deels) brandend dekbed/kussen, te

verlaten door de deur van die kamer op slot te doen/draaien,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(artikel 289/287 jo 45 van het Wetboek van Strafrecht)

2.

zij op of omstreeks 11 juli 2016 te Schiedam

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de

[adres delict] ,

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in een (slaap)kamer van

voornoemde woning, terpentine, in elk geval een brandbare stof in de richting

van een bed gegooid en/of (vervolgens) een brandende doek in dc richting van

voornoemd bed in die kamer gegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met die terpentine, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of een dekbed en/of een kussen welke

op voornoemd bed lag(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor

-die woning en/of zich in de nabijheid van die woning bevindende goederen, in

elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

-levensgevaar voor zich in die woning en/of zich in de nabijheid van die

woning bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of

anderen, te duchten was.

(artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht)