Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:4087

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-05-2017
Datum publicatie
21-07-2017
Zaaknummer
C/10/524011 / KG ZA 17-327
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG; executiegeschil over de vraag of dwangsommen zijn verbeurd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/524011 / KG ZA 17-327

Vonnis in kort geding van 30 mei 2017

in de zaak van

1 [eiser] ,

2. [eiser 1],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. J.M.R. Vlaar te Budel,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

2. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

3. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. I.B. Jansse te Rotterdam.

Eisers zullen hierna afzonderlijk als [eiser] en [eiser 1] worden aangeduid en gezamenlijk als [eisers] c.s. (in mannelijk enkelvoud).

Gedaagden zullen hierna afzonderlijk als [gedaagde] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden aangeduid en gezamenlijk als [gedaagden] c.s. (in vrouwelijk enkelvoud).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 mei 2017, met 19 producties;

  • -

    de aanvullende producties 0 t/m 31 van [eisers] c.s.;

  • -

    de akte van [gedaagden] c.s., met 12 producties;

  • -

    de brief van [eisers] c.s. van 12 mei 2017, met 3 producties;

  • -

    de mondelinge behandeling op 15 mei 2017;

  • -

    de pleitnota van [eisers] c.s.;

  • -

    de pleitnota van [gedaagden] c.s.;

  • -

    de ter zitting door partijen overgelegde producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagden] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in het verleden gezamenlijk een advocatenkantoor te [woonplaats gedaagde] geëxploiteerd in de vorm van een maatschap onder de naam “ [advocatenkantoor] ”. De maatschap is inmiddels beëindigd.

2.2.

[eisers] c.s. is verwikkeld geweest in een gerechtelijke procedure over de aankoop van een woning. [gedaagde 1] trad in die procedure op als advocaat – toen nog verbonden aan voormelde maatschap – van de wederpartij van [eisers] c.s. In die procedure heeft het gerechtshof Den Haag bij arrest van 17 november 2009 [eisers] c.s. veroordeeld om een contractueel boetebedrag van € 52.000,- (vermeerderd met wettelijke rente) te betalen aan de wederpartij.

2.3.

[eisers] heeft in de loop der jaren verschillende tuchtklachten tegen [gedaagde 1] ingediend met de strekking dat zij strafbare feiten heeft gepleegd en daarvan ook aangifte gedaan. Aan deze aangiften is geen gevolg gegeven.

2.4.

In februari 2011 heeft Stichting [website] (hierna [website] ), een stichting waarvan [eisers] bestuurder is, een (door [eisers] vervaardigd) rapport gepubliceerd met als titel ‘Bedrijfsprofiel van de firma [gedaagde 1] , van onroerend goed handelaar tot nudistencamping’ (hierna: “het rapport”).

In het rapport wordt melding gemaakt van bedrieglijk handelen en een onjuiste en valse voorlichting naar derden, samenspanning en valsheid in geschrifte door [gedaagde 1] en [persoon 1] .

2.5.

In oktober 2011 zijn [eisers] en [website] door [gedaagden] c.s. in rechte betrokken, onder meer vanwege het plaatsen van beschuldigingen en negatieve uitlatingen over [gedaagde 1] (en daarmee ook over [advocatenkantoor] ) op het internet en het publiceren van het rapport. [eisers] en [website] zijn bij vonnis van de voorzieningenrechter van rechtbank ’s-Hertogenbosch 31 januari 2012 grotendeels in het ongelijk gesteld . Bij arrest van 28 mei 2013 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de voorzieningenrechter deels vernietigd en deels bekrachtigd. Het arrest komt er, kort gezegd en voor zover relevant, op neer dat het hof:

  • -

    [eisers] en [website] verbiedt om na betekening van het arrest uitlatingen te doen en/of geschriften te (laten) verspreiden over [advocatenkantoor] of [gedaagde 1] die het beeld oproepen dat [gedaagde 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van bedrog, oplichting, valsheid in geschrifte en/of het aannemen van een valse hoedanigheid en/of samenspanning, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere keer dat [eisers] of [website] daar niet aan voldoet, tot een maximum van € 30.000,- is bereikt;

  • -

    [eisers] en [website] verbiedt om na betekening van het arrest op het internet kopieën te (doen) plaatsen van de pleitnota van 6 april 2009 of van het stuk getiteld proces-verbaal van aangifte d.d. 24 maart 2005, dan wel het proces-verbaal van aangifte van 15 november 2006, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere keer dat [eisers] of [website] daar niet aan voldoet, tot een maximum van € 30.000,- is bereikt;

  • -

    [eisers] en [website] gebiedt om binnen vijf dagen na betekening van het arrest de op internet geplaatste publicaties als genoemd in r.o. 4.8.2 van het arrest te (laten) verwijderen en voorts alle overige publicaties van internet te (laten) verwijderen voor zover daarin uitlatingen worden gedaan over [advocatenkantoor] of [gedaagde 1] die het beeld oproepen dat [gedaagde 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van bedrog, oplichting, valsheid in geschrifte en/of het aannemen van een valse hoedanigheid en/of samenspanning, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere keer dat [eisers] of [website] daar niet aan voldoet, tot een maximum van € 30.000,- is bereikt;

  • -

    [eisers] en [website] gebiedt om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis van de rechtbank volledige opgave te doen aan [gedaagden] c.s. van alle websites die op hun naam zijn geregistreerd, althans websites waartoe zij gemachtigd/bevoegd zijn en in staat om content (artikelen, teksten, foto’s) aan toe te voegen en van alle websites waarop door hen de naam van tenminste één van eisers en/of [advocatenkantoor] is vermeld, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat [eisers] of [website] daar niet aan voldoet en per verzwegen website, tot een maximum van € 30.000,- is bereikt.

2.6.

Het vonnis van 31 januari 2012 en het arrest van 28 mei 2013 zijn aan [eisers] betekend op 3 februari 2012 respectievelijk 31 mei 2013.

2.7.

Na voormeld vonnis en arrest, en andere vonnissen gewezen in procedures tussen partijen, heeft [gedaagden] c.s., ten laste van [eisers] , executoriaal (derden)beslag doen leggen onder Stichting Pensioenfonds ABP, op de woning van [eisers] en op diens auto.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] c.s. vordert na eisvermindering ter zitting, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

[gedaagden] c.s. op te dragen onmiddellijk te stoppen met het executoriaal derdenbeslag bij het ABP en overige beslagen, met een dwangsom van € 1.000,- per dag bij niet voldoen aan het vonnis, nadat dit rechtsgeldig is betekend;

  • -

    [gedaagden] c.s. op te dragen alle reeds geïncasseerde gelden in en buiten rechte, als borgstelling binnen 1 week te deponeren op een door de rechter aan te wijzen derdenrekening, bij voorkeur op de derdenrekening van de advocaat van [eisers] c.s., een en ander met een dwangsom van € 1.000,- per dag bij overschrijding van deze termijn nadat het vonnis rechtsgeldig is betekend;

  • -

    [gedaagden] c.s. op te dragen om in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure te stoppen met elke nieuwe toekomstige vorm van executie op basis van bestaande uitspraken, een en ander met een dwangsom van € 1.000,- per dag nadat het vonnis rechtsgeldig is betekend;

  • -

    [gedaagden] c.s. te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

Aan de vorderingen legt [eisers] c.s. het volgende ten grondslag. De uitspraken van de rechtbank en het hof in ’s-Hertogenbosch zijn gebaseerd op het door [gedaagden] c.s. overgelegde rapport. Bij recente herbestudering van het dossier is gebleken dat het door het hof aangehaalde, losbladige, rapport vals is en op essentiële punten afwijkt van het ingebonden originele rapport van [website] . Om die reden zijn de uitspraken zonder inhoud geraakt en kunnen zij geen basis vormen voor het opleggen van dwangsommen.

Met de inbreng van een vervalst rapport – waarover door [eisers] c.s. opgemerkt wordt dat het op de weg van [gedaagden] c.s. ligt om een verklaring te geven over de herkomst van de vervalsing – heeft [gedaagden] c.s. het auteursrecht van [eisers] geschonden.

Daarnaast meent [eisers] c.s. dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd. Hij heeft voor zover mogelijk alle verwijzingen naar het rapport op internet verwijderd. De inhoud van het rapport is nimmer gepubliceerd op internet. Het enige wat op internet te zien is, is de titel van het rapport. Daarachter zit geen inhoud. Dat het rapport ter inzage bij de Koninklijke Bibliotheek ligt, is toegestaan. In de uitspraken is immers niet vermeld dat het rapport verwijderd moest worden uit de Koninklijke Bibliotheek. Ook wordt verwezen naar de ter zitting overgelegde brief van [persoon 2] , de voormalige advocaat van

[eisers] , hierna “ [persoon 2] ”, van 13 februari 2012, waarin deze aan [gedaagden] c.s. opgave doet van de websites waarover [eisers] en/of [website] zeggenschap heeft, zijnde alleen de website van [website] . Daaruit blijkt dat [eisers] op

3 februari 2012 opdracht heeft gegeven om alles wat met [gedaagde 1] te maken heeft van de website te verwijderen. De door [gedaagden] c.s. overgelegde stukken zijn niet afkomstig van de website van [website] , maar van geschakelde websites waar [eisers] c.s. geen invloed op heeft.

[eisers] c.s. doet verder een beroep op rechtsverwerking. [persoon 2] heeft aan [gedaagden] c.s. gevraagd of er nog andere handelingen moesten gebeuren. Daarop heeft hij niets vernomen. Door, ondanks het voorgaande, toch dwangsommen te incasseren via alle rechterlijke wegen, maakt [gedaagden] c.s. zich schuldig aan misbruik van recht, te meer omdat [eisers] c.s. ter vervanging van de in beslag genomen goederen extra kosten moet maken vanuit zijn beslagvrije ruimte.

3.3.

[gedaagden] c.s. voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In de eerste plaats heeft [eisers] c.s. zijn vorderingen gebaseerd op de stelling dat het door [gedaagden] c.s. in de procedure overgelegde rapport vervalst zou zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat van het rapport meerdere versies in omloop zijn. Daar waar [eisers] c.s. meent dat [gedaagden] c.s. verantwoordelijk is voor het inbrengen van een vervalste versie en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan bedrog, voert [gedaagden] c.s. aan dat de door haar ingebrachte versie slechts een kopie is van het rapport dat zij van [eisers] heeft ontvangen en betwist zij aanpassingen aan het rapport te hebben verricht of te hebben laten verrichten.

Wie verantwoordelijk is geweest voor het produceren van de afwijkende versie(s) en daarmee samenhangend de vraag of [gedaagden] c.s. het auteursrecht van [eisers] heeft geschonden, kan met de voorliggende stukken vooralsnog niet worden vastgesteld. Het door [eisers] c.s. ter zitting overgelegde e-mailbericht van [persoon 2] van 15 mei 2017, waarin deze verklaart dat hij nimmer een losbladige versie van het rapport heeft gemaakt, is onvoldoende als bewijs. Dat is alleen al het geval omdat denkbaar is dat bij het maken van kopieën van een ingebonden document voor de wederpartij in een procedure niet een ingebonden document wordt gemaakt maar een losbladige kopie. Dat betekent dat nadere bewijslevering, door [eisers] c.s., nodig is, doch een kort geding leent zich daar niet voor.

Daar komt bij dat niet gebleken is dat het hof, dat in tegenstelling tot de rechtbank in zijn arrest uitdrukkelijk heeft geciteerd uit het rapport, zijn oordeel heeft gebaseerd op de afwijkende versie. Het hof had (blijkbaar) de beschikking over zowel de versie die door [gedaagden] c.s. was overgelegd als over de originele, ingebonden versie van [eisers] c.s. Bij het bestuderen van de citaten die het hof bij zijn oordeel heeft betrokken, stelt de voorzieningenrechter vast dat slechts één citaat in het arrest niet gelijk is aan de tekst van het rapport dat (blijkbaar) het origineel is. Het betreft het citaat: “De Firma toont, in samenhang met de officieus vastgestelde bedrieglijke handelingen en vermelde misstanden, de formele karakteristieken van een criminele organisatie.” In het originele rapport staat op pagina 4 de volgende tekst: “De Firma [gedaagde 1] vertoont, in samenhang met de officieus vastgestelde bedrieglijke handelingen en vermelde onregelmatigheden, de formele karakteristieken van een criminele organisatie.’

Nu de afwijkende citaat qua inhoud en strekking niet wezenlijk verschilt van de tekst van het originele rapport en de overige door het hof gebezigde citaten wel te herleiden zijn tot het originele rapport, wordt het standpunt van [eisers] c.s. dat het arrest van het hof is gebaseerd op het vervalste rapport, niet gevolgd.

Overigens wordt overwogen dat de door [eisers] c.s. opgesomde verschillen tussen het originele rapport en de afwijkende versie niet raken aan de kern van het rapport. Ook de afwijkende versie van het rapport gaat immers in op vermeende samenspanning, valsheid in geschrifte, bedrog etc. door [gedaagde 1] en [persoon 1] . Indien het hof zijn beslissing al zou hebben gebaseerd op de afwijkende versie, zou dat zeer waarschijnlijk niet tot een ander oordeel hebben geleid.

4.2.

Vervolgens ligt de vraag voor of [eisers] c.s. dwangsommen heeft verbeurd.

Beoordeeld moet worden of de bodemrechter, indien in het executiegeschil een bodemprocedure wordt gevoerd, tot het oordeel zal komen dat de dwangsommen zijn verbeurd. De voorzieningenrechter zal daarbij een inschatting moeten maken van de kans dat de executant in een eventuele bodemprocedure er in zal slagen te bewijzen dat de geëxecuteerde niet (volledig) aan de veroordeling in het arrest van 28 mei 2013 heeft voldaan (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2014, ECLI: NL:GHARL: 2014:5830).

In dat kader heeft te gelden dat de voorzieningenrechter niet tot taak heeft de rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar zich ertoe dient te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de voorzieningenrechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0431 en HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400).

4.3.

Hoewel er blijkbaar in hoger beroep nog geprocedeerd wordt over het al dan niet rechtsgeldig betekend zijn van het arrest van 28 mei 2013 neemt de voorzieningenrechter, gelet op het vonnis van rechtbank Den Haag van 9 november 2016, tot uitgangspunt dat het arrest op 31 mei 2013 is betekend aan [eisers] en [website] .

4.3.1.

[gedaagden] c.s. heeft onweersproken gesteld dat het rapport thans nog steeds in de Koninklijke Bibliotheek ter inzage ligt en daartoe gereserveerd kan worden. Dat maakt het mogelijk dat een ieder het rapport kan kopiëren en verspreiden. In r.o. 4.8.7. heeft het hof geoordeeld dat [eisers] en [website] met het plaatsen van de onder r.o. 4.8.2. genoemde publicaties, waaronder het rapport, onrechtmatig hebben gehandeld jegens [gedaagden] c.s., omdat de publicaties ten onrechte insinueren dat [gedaagde 1] strafbare feiten heeft gepleegd.

Gelet daarop, brengt het verbod om ‘na betekening van het arrest uitlatingen te doen en/of geschriften te (laten) verspreiden over [advocatenkantoor] of [gedaagde 1] die het beeld oproepen dat [gedaagde 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van bedrog, oplichting, valsheid in geschrifte en/of het aannemen van een valse hoedanigheid en/of samenspanning’ met zich dat [eisers] en/of [website] onder meer het rapport uit de Koninklijke Bibliotheek hadden moeten laten verwijderen. Door dat niet te doen, hebben zij niet voldaan aan de veroordeling. Daar wordt aan toegevoegd dat [eisers] c.s. ook niet (onderbouwd) stelt dat hij het rapport niet bij de Koninklijke Bibliotheek zou kunnen weghalen.

4.3.2.

Ter zitting heeeft [gedaagden] c.s. een uitdraai van 15 mei 2017 overgelegd van de resultaten van google, wanneer “mshm [gedaagde 1] ” als zoekopdracht wordt ingetikt. Eén van die resultaten betreft een pdf-versie van het proces-verbaal van aangifte van 24 maart 2005. Het verweer van [eisers] c.s. dat dit stuk niet afkomstig is van de eigen website maar van een geschakelde website, waar [eisers] c.s. geen invloed op heeft, is niet onderbouwd en evenmin aannemelijk te achten. Als bron wordt immers vermeld: “ [website] .

Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat [eisers] c.s. niet heeft voldaan aan zowel het verbod om na betekening van het arrest op het internet kopieën te (doen) plaatsen van het proces-verbaal van aangifte van 24 maart 2005 als het gebod om de op internet geplaatste publicaties zoals genoemd in r.o. 4.8.2. van het arrest te (laten) verwijderen.

4.3.3.

Tevens is uit de overgelegde uitdraai van [gedaagden] c.s. voldoende gebleken dat het stuk getiteld “Advocaat en Rechtbank op het matje” nog altijd op de website [website 1] staat. Nu deze publicatie ook uitdrukkelijk door het hof is benoemd als onrechtmatig, dienden [eisers] en/of [website] deze publicatie te laten verwijderen door EZPress. Hun verweer dat zij daar geen invloed op hebben, omdat het niet hun eigen website betreft, gaat niet op. Dit verweer is reeds door het hof behandeld en verworpen onder r.o. 4.8.8. Daar komt bij dat [gedaagden] c.s. stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat bedoeld artikel moeiteloos van de website verwijderd kan worden na een verzoek daartoe van [eisers] (c.s.). Van [eisers] had op zijn minst kunnen worden verwacht dat hij EZPress had benaderd met het verzoek om het artikel te verwijderen van de website. Gesteld noch gebleken is dat dat is gebeurd.

Overigens heeft [gedaagden] c.s. een google-uitdraai van 10 juni 2013, derhalve nadat het arrest is betekend, overgelegd, waaruit blijkt dat ook andere publicaties die door het hof als onrechtmatig werden aangemerkt op dat moment nog niet van internet verwijderd waren.

4.3.4.

Ten slotte heeft [gedaagden] c.s. gesteld dat [eisers] en [website] nimmer opgave hebben gedaan van alle websites die op hun naam zijn geregistreerd en alle websites waarop door hen de naam van tenminste één van eisers en/of [advocatenkantoor] is vermeld. [eisers] c.s. is van mening dat hij aan dit gebod heeft voldaan met de brief van hun advocaat van 13 februari 2012. In die brief is vermeld dat [eisers] en [website] alleen zeggenschap hebben over de website van [website] en dat zij geen invloed hebben op publicaties die google en andere providers op het internet dumpen. Daarmee hebben [eisers] en [website] geen opgave gedaan van de websites waarop door hen de naam van tenminste één van eisers en/of [advocatenkantoor] is vermeld. Dat is alleen al niet het geval omdat de brief dateert van vóór het arrest van het hof. Verder geldt op dit punt het hiervóór onder 4.3.3. overwogene.

4.4.

Het beroep van [eisers] c.s. op rechtsverwerking kan niet slagen.

Van rechtsverwerking kan slechts sprake zijn indien [gedaagden] c.s. zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 lid 2 BW onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Daarvan is geen sprake. Uit de brief van [persoon 2] van 13 februari 2012 is niet gebleken dat aan [gedaagden] c.s. is gevraagd of er nog andere handelingen moeten worden verricht, zodat aan het feit dat [gedaagden] c.s. niet op die brief heeft gereageerd niet de door [eisers] c.s. voorgestane conclusie kan worden verbonden. Bovendien zijn [eisers] en [website] ook na die brief diverse malen middels deurwaardersexploot gesommeerd om alsnog te voldoen aan het arrest, zodat niet valt in te zien dat bij hen het gerechtvaardigd vertrouwen kan zijn gewekt dat [gedaagden] c.s. haar aanspraak niet (meer) geldend zou maken.

4.5.

Het is daarom voldoende aannemelijk dat [gedaagden] c.s. erin zal slagen in de bodemprocedure aan te tonen dat [eisers] en [website] niet volledig hebben voldaan aan het arrest van 28 mei 2013 en als gevolg daarvan dwangsommen hebben verbeurd.

4.6.

Nu [eisers] c.s. geen overige feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die wijzen op misbruik van (executie)bevoegdheid ex artikel 3:13 lid 2 BW aan de kant van [gedaagden] c.s., ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de tenuitvoerlegging van het betreffende arrest te schorsen of de reeds gelegde beslagen op te heffen. Dat betekent dat de vorderingen van [eisers] c.s. worden afgewezen.

4.7.

[eisers] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 287,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.103,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] c.s. tot op heden begroot op € 1.103,00;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2017.

2091 / 2009