Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:405

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
ROT 15/8052
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvragen voor kindertoelage en Jeugdtegoed.

De kindertoelage werd tot 1 januari 2015 door verweerder verstrekt als categoriale bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, van de Wwb. Omdat de kindertoelage per schooljaar werd toegekend, heeft verweerder aanvragen hiervoor, gedaan voor 1 augustus 2015, nog behandeld overeenkomstig de Verordening. De rechtbank merkt verweerders gedragslijn aan als buitenwettelijk begunstigend beleid. Eiseres heeft niet bestreden dat zij de aanvraag na 1 augustus 2015 heeft ingediend. Gelet hierop heeft verweerder overeenkomstig zijn beleid gehandeld door te beslissen dat eiseres niet meer in aanmerking kan komen voor de kindertoelage.

Na het vervallen van de categoriale regelingen voor bijzondere bijstand voor AOW-ers en kinderen, heeft verweerder de Beleidsregels AOW en Jeugd-tegoed 2015 vastgesteld. De rechtbank merkt deze aan als buitenwettelijk begunstigend beleid. In geschil is verweerders vaststelling van het arbeidsinkomen van eiseres. Op grond van de bij de aanvraag overgelegde aangifte Inkomstenbelasting heeft verweerder de maandelijkse inkomsten van eiseres juist berekend.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

zaaknummer: ROT 15/8052

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 januari 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.C. Rolle.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2015 (primair besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 5 september 2015 om een jeugdtegoed afgewezen.

Bij besluit van 19 oktober 2015 (primair besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand in de vorm van een kindertoelage afgewezen.

Bij besluit van 15 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2016. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Tot 1 januari 2015 gold de Wet werk en bijstand (Wwb), waarbij in artikel 35 de mogelijkheid van toekenning van categoriale bijzondere bestand was opgenomen.

In artikel 35, vijfde lid, van de Wwb was bepaald dat bijzondere bijstand aan een persoon, met een hem ten laste komend kind dat onderwijs of een beroepsopleiding volgt, kan worden verleend met betrekking tot kosten in verband met maatschappelijke participatie van dat kind, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van dat kind die kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

Aan artikel 35, vijfde lid, van de Wwb was uitvoering gegeven met de Verordening participatie schoolgaande kinderen Rotterdam 2012 (Verordening).

De Verordening is, evenals artikel 35, vijfde lid, van de Wwb, met de inwerkingtreding van de Participatiewet (Pw) op 1 januari 2015 komen te vervallen. De Pw kent niet de mogelijkheid om categoriale bijzondere bijstand voor schoolgaande kinderen te verlenen.

1.2.

Artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente aan het gemeentebestuur wordt overgelaten.

1.3.

Op 1 september 2015 zijn verweerders Beleidsregels AOW en Jeugd-tegoed 2015 (Beleidsregels) in werking getreden.

In artikel 1, aanhef en onder e, van de Beleidsregels is - voor zover hier van belang - bepaald dat in deze beleidsregels wordt verstaan onder laag inkomen: een netto maandinkomen dat niet hoger is dan 110% van het wettelijk sociaal minimum; voor een alleenstaande ouder is dat 70% van de bijstandsnorm voor gehuwden plus de alleenstaande ouderkop. Dit inkomen wordt ook wel norm- of toetsingsinkomen genoemd.

Artikel 7 van de Beleidsregels bepaalt dat in bijzondere gevallen kan worden afgeweken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing ervan wegens bijzondere omstandigheden onredelijke gevolgen heeft, gezien de doelstelling van de regeling.

2.1.

De kindertoelage is afgewezen, omdat eiseres de aanvraag op 14 september 2015 heeft gedaan, terwijl deze categoriale bijstand per 1 januari 2015 is vervallen en een aanvraag nog slechts tot 1 augustus 2015 kon worden ingediend.

2.2.

Het jeugdtegoed is afgewezen omdat het inkomen van eiseres (€ 1.303,58) hoger is dan het norminkomen van € 1.258,54 (laag inkomen). Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiseres als zelfstandige zonder personeel volgens de door haar overgelegde aangifte inkomstenbelasting in 2014 een inkomen had van € 6.337,-. Dat is per maand € 528,08. Daarnaast ontving zij per maand € 436,- aan kinderalimentatie, € 254,17 aan alleenstaande ouderkop op het kindgebonden budget en € 85,33 aan inkomensafhankelijke combinatiekorting.

2.2.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Kindertoelage

3. De kindertoelage werd tot 1 januari 2015 door verweerder verstrekt als categoriale bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, van de Wwb. Omdat de kindertoelage per schooljaar werd toegekend, heeft verweerder aanvragen hiervoor, gedaan voor 1 augustus 2015, nog behandeld overeenkomstig de Verordening. Naar verweerder ter zitting heeft toegelicht was dit een vaste gedragslijn. Gelet hierop zal de rechtbank deze gedragslijn aanmerken als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep , bijvoorbeeld de uitspraak van 8 mei 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW5553), betekent dit dat het beleid als gegeven wordt aanvaard en dat door de bestuursrechter slechts wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.

4. Door eiseres is niet bestreden dat zij haar aanvraag na 1 augustus 2015 heeft ingediend. Gelet hierop heeft verweerder overeenkomstig zijn beleid gehandeld door te beslissen dat eiseres niet meer in aanmerking kan komen voor de kindertoelage.

Jeugdtegoed

5. Op 1 januari 2015 is de Pw in werking getreden. Daardoor zijn de categoriale regelingen voor bijzondere bijstand voor AOW-ers en kinderen (zoals de kindertoelage) vervallen. In de toelichting bij de Beleidsregels is uiteengezet dat de wetgever zich op het standpunt stelt dat het voeren van een generiek inkomensbeleid is voorbehouden aan het rijk, zodat de beleidsruimte voor gemeentelijk inkomensbeleid beperkt is. Om niettemin belanghebbenden die tot de doelgroep behoren te stimuleren om te participeren in de maatschappij zijn de Beleidsregels vastgesteld. Gelet hierop dienen de Beleidsregels te worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid.

6.1.

In beroep stelt eiseres dat verweerder haar arbeidsinkomen onjuist heeft vastgesteld. De rechtbank zal haar beoordeling daarom tot dit geschilpunt beperken.

6.2.

Verweerder is bij zijn berekening uitgegaan van de door eiseres naar aanleiding van haar aanvraag overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2014. Uit deze aangifte blijkt dat de winst uit onderneming in 2014 € 6.337,- bedroeg. Verweerder heeft dit bedrag door twaalf (maanden) gedeeld en de uitkomst aangemerkt als het inkomen per maand. Door eiseres is in beroep een andere aangifte inkomstenbelasting 2014 overgelegd, waarin is opgenomen dat de winst uit onderneming € 4.616,- bedraagt. Eiseres heeft betoogd dat verweerder dit bedrag als uitgangspunt moet nemen en dat haar inkomen dan beneden het norminkomen blijft.

6.3.

Op beide aangiften staat vermeld dat de aangifte op 1 september 2015 om 23:53:12 uur succesvol is verzonden. Door eiseres is geen verklaring gegeven voor de afwijking tussen de bij de aanvraag overgelegde aangifte en de in beroep overgelegde aangifte. Voorts heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de Belastingdienst de aanslag inkomstenbelasting heeft gebaseerd of zal baseren op de in beroep overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2014. Verweerder heeft zich daarom mogen baseren op de door eiseres bij haar aanvraag overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2014. Op grond van het daarin vermelde bedrag aan winst uit onderneming van € 6.337,-, welk zelfde bedrag in de aangifte wordt genoemd als privé-onttrekking in contanten, heeft verweerder de maandelijkse inkomsten van eiseres juist berekend.

6.4.

Voor zover eiseres stelt dat bij de vaststelling van haar inkomsten dient te worden uitgegaan van het verzamelinkomen, slaagt dit niet. De rechtbank volgt de door verweerder in het verweerschrift gegeven toelichting dat waar in de Beleidsregels wordt gesproken van netto maandinkomen dit dient te worden uitgelegd als, voor zover hier van belang, winstinkomsten. Dit brengt mee dat aan fiscale aftrekposten, zoals de zelfstandigenaftrek, geen betekenis toekomt voor de berekening van het inkomen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. E. Lunenberg en mr. A.M.E.A. Neuwahl, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.