Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:40

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-01-2017
Datum publicatie
05-01-2017
Zaaknummer
ROT 16/2124
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De kostendelersnorm houdt in dat bij het bepalen van de hoogte van de bijstandsuitkering rekening wordt gehouden met de mogelijkheid tot het delen van kosten met mensen die in hetzelfde huis wonen. Vanwege die mogelijkheid wordt eiser door de wetgever geacht in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien met een lagere uitkering dan een alleenstaande die geen kosten kan delen en evenveel als die alleenstaande van zijn uitkering over te houden voor andere uitgaven, zoals griffierecht. In deze situatie moet ook betaling van het griffierecht voor eiser naar het oordeel van de rechtbank in beginsel mogelijk worden geacht.

Eisers betoog dat hij de kosten van het griffierecht niet kan delen en zijn verwijzing naar de discussie over de juistheid van de berekening van de kostendelersnorm kan hem niet baten. De toepassing van de kostendelersnorm impliceert niet dat eiser alle kosten van bestaan kan delen, maar wel dat hij belangrijke kosten als woon- en energielasten kan delen, zodat zijn uitkering minder hoog hoeft te zijn dan wanneer deze mogelijkheid niet bestaat. Eiser heeft niet met concrete argumenten onderbouwd dat het in zijn situatie desondanks niet mogelijk is het griffierecht te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/2124

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser],

gemachtigde: mr. M.J. Hüsen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,gemachtigde: mr. J.A. Karreman.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 29 februari 2016 van verweerder, waarbij eisers bezwaar tegen de afwijzing van een aantal aanvragen voor bijzondere bijstand ongegrond is verklaard.

Bij brief van 30 maart 2016 heeft de griffier eiser erop gewezen dat hij een griffierecht van € 46,- verschuldigd is en hem verzocht dit bedrag binnen vier weken te voldoen.

Bij aangetekende brief van 28 april 2016 heeft de griffier eiser hieraan herinnerd, eiser aangemaand dit bedrag binnen vier weken te voldoen en hem meegedeeld dat hij het risico loopt dat zijn beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard als hij het griffierecht niet of niet tijdig betaalt.

Bij ongedateerde brief, door de rechtbank ontvangen op 17 mei 2016, heeft eiser naar voren gebracht dat hij niet in staat is het griffierecht te betalen.

Bij brief van 15 juni 2016 heeft de griffier het beroep op betalingsonmacht afgewezen.

Bij brief van 16 juni 2016 heeft de griffier eiser er nogmaals op gewezen dat hij een griffierecht van € 46,- verschuldigd is en hem verzocht dit bedrag binnen vier weken te voldoen.

Bij brief van 8 juli 2016 heeft eiser nogmaals een beroep op betalingsonmacht gedaan.

Bij aangetekende brief van 15 juli 2016 heeft de griffier eiser aangemaand het griffierecht binnen vier weken te voldoen en hem meegedeeld dat hij het risico loopt dat zijn beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard als hij het griffierecht niet of niet tijdig betaalt.

Bij brief van 25 juli 2016 heeft de griffier eiser meegedeeld geen reden te zien over het beroep op betalingsonmacht anders te oordelen dan op 15 juni 2016 en dat het griffierecht binnen de gestelde termijn moet worden betaald. Dat heeft eiser niet gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2016. De gemachtigden van partijen zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt door de griffier van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven. Op grond van het zesde lid van dit artikel is het beroep niet-ontvankelijk als het griffierecht niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ter beoordeling staat of eiser in verzuim is door het niet betalen van het griffierecht.

2.1

In zijn uitspraak van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282) heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat sprake is van betalingsonmacht als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken lager is dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en hij ook niet beschikt over vermogen.

2.2

Volgens de door eiser verstrekte informatie ontvangt hij een uitkering op grond van de Participatiewet naar de voor hem geldende (kostendelers)norm en beschikt hij niet over vermogen. Het inkomen van eiser is hiermee lager dan 90% van de voor een alleenstaande geldende maximale bijstandsnorm. De vraag rijst of de in de uitspraak van 13 februari 2015 gegeven hoofdregel onverkort van toepassing is op zaken waarin de indiener van het beroepschrift een bijstandsuitkering ontvangt naar de voor hem geldende kostendelersnorm. In de uitspraak van 13 februari 2015 is daarover geen expliciet oordeel gegeven.

2.3

De kostendelersnorm houdt in dat bij het bepalen van de hoogte van de bijstandsuitkering rekening wordt gehouden met de mogelijkheid tot het delen van kosten met mensen die in hetzelfde huis wonen. Vanwege die mogelijkheid wordt eiser door de wetgever geacht in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien met een lagere uitkering dan een alleenstaande die geen kosten kan delen en evenveel als die alleenstaande van zijn uitkering over te houden voor andere uitgaven, zoals griffierecht. In deze situatie moet ook betaling van het griffierecht voor eiser naar het oordeel van de rechtbank in beginsel mogelijk worden geacht.

Eisers betoog dat hij de kosten van het griffierecht niet kan delen en zijn verwijzing naar de discussie over de juistheid van de berekening van de kostendelersnorm kan hem niet baten. De toepassing van de kostendelersnorm impliceert niet dat eiser alle kosten van bestaan kan delen, maar wel dat hij belangrijke kosten als woon- en energielasten kan delen, zodat zijn uitkering minder hoog hoeft te zijn dan wanneer deze mogelijkheid niet bestaat. Eiser heeft niet met concrete argumenten onderbouwd dat het in zijn situatie desondanks niet mogelijk is het griffierecht te betalen.

2.4

Gelet op het voorgaande is eiser naar het oordeel van de rechtbank in verzuim door het niet betalen van het griffierecht.

3. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangeboden het griffierecht voor eiser te betalen. De rechtbank ziet geen reden hem hiertoe in de gelegenheid te stellen. Eiser heeft vier maal vier weken de tijd gekregen om het griffierecht te betalen en hij heeft er bewust voor gekozen dat niet te doen. De wettelijke betalingstermijn is ruimschoots verstreken. Het zou in strijd zijn met artikel 8:41, zesde lid, van de Awb en het gelijkheidsbeginsel om anders dan in andere zaken nogmaals een termijn te stellen waarbinnen eiser (of zijn gemachtigde) het griffierecht kan voldoen.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mr. E.R. Houweling en mr. A.C. Rop, leden, in aanwezigheid van S.A. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.