Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:390

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
ROT 16/2833
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep – anders dan in bezwaar en anders dan in het beroep met nummer 16/2834 – slechts heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op de door hem bij het bezwaarschrift d.d. 1 december 2015 ingebrachte gedetailleerde berekening, waaruit blijkt dat hij niet € 29.696,28 te veel heeft ontvangen, maar slechts € 16.321,45.

De rechtbank stelt verder vast dat op 1 december 2015 door eiser geen bezwaarschrift is ingediend maar een zienswijze (stuk 18), opgesteld door [x] namens eiser, op het voornemen van verweerder d.d. 25 november 2015 aan eiser een boete op te leggen. De gedetailleerde berekening (abusievelijk genummerd als stuk 13) was als bijlage bij deze zienswijze gevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummers: ROT 16/2833

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] te Barendrecht, eiser,

gemachtigde: mr. D. Vermaat,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: W.L.J. Weltevrede.

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2015 (primair besluit) heeft verweerder besloten eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over de periode van 8 juli 2011 tot en met 31 maart 2014 in verband met inkomsten te herzien. De ten onrechte te veel verstrekte uitkering, zijnde € 29.696,88, wordt van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 15 maart 2016 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Aan eiser is met ingang van 8 juli 2011 op grond van de Wet WIA een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) toegekend, waarbij zijn mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 57%. Bij besluit van 25 juli 2013 is de loongerelateerde uitkering per 8 oktober 2013 gewijzigd in een loonaanvullingsuitkering. Bij besluit van 13 februari 2015 is de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 14 februari 2015 vastgesteld op 61%.

1.2.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser vanaf
26 mei 2010 in loondienst inkomsten heeft genoten bij zijn eigen onderneming [werkgever] , als gevolg waarvan hij in de periode van 8 juli 2011 tot en met 31 maart 2014 een bedrag van € 29.696,68 te veel aan uitkering heeft ontvangen.

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden door niet in te gaan op de bezwaargrond dat hij niet € 29.696,28, maar slechts
€ 16,321,45 te veel aan uitkering heeft ontvangen.

3.1

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA verstrekt de verzekerde, die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering.

3.2

Op grond van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA herziet verweerder beschikkingen op grond van deze wet, indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van onder meer artikel 27 van die wet de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld. Op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA is verweerder in beginsel verplicht om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen. Op grond van het vierde lid (voorheen het derde lid) kan verweerder, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien.

4.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep – anders dan in bezwaar en anders dan in het beroep met nummer 16/2834 – slechts heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op de door hem bij het bezwaarschrift d.d. 1 december 2015 ingebrachte gedetailleerde berekening, waaruit blijkt dat hij niet € 29.696,28 te veel heeft ontvangen, maar slechts € 16.321,45.

4.2.

De rechtbank stelt verder vast dat op 1 december 2015 door eiser geen bezwaarschrift is ingediend maar een zienswijze (stuk 18), opgesteld door [x] namens eiser, op het voornemen van verweerder d.d. 25 november 2015 aan eiser een boete op te leggen. De gedetailleerde berekening (abusievelijk genummerd als stuk 13) was als bijlage bij deze zienswijze gevoegd.

4.3.

Eisers bezwaarschrift d.d. 5 januari 2016 – door verweerder ontvangen op 7 januari 2016 – was niet voorzien van de berekening, waarop verweerder volgens eiser in het bestreden besluit niet is ingegaan.

4.4.

Gelet op het voorgaande heeft eiser ten onrechte betoogd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de door hem in bezwaar overgelegde berekening. Dat betekent dat eisers enige beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van
G.J. Machwirth, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.