Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:3845

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
19-05-2017
Zaaknummer
10/731066-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/731066-16

Datum uitspraak: 22 maart 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Ter Apel,

raadsman mr. S.A.S. Jansen, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 maart 2017.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H. du Croix heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het recht van de verdachte op rechtsbijstand van een advocaat geschonden is. De verdachte heeft aangegeven een advocaat te willen consulteren, maar omdat niet de voorkeursadvocaat is benaderd, maar een ander die niet bereikbaar bleek, is hier bij zijn eerste verhoor op 26 november 2016 geen gehoor aan gegeven. Het dossier bevat geen stukken waaruit blijkt dat er tijdig een piketmelding uit is gegaan, aldus de verdediging. Daarnaast is de verdediging van mening dat een proces-verbaal van bevindingen valselijk is opgemaakt.

4.2.

Beoordeling

De rechtbank heeft vastgesteld dat bij het eerste verhoor van de verdachte geen raadsman aanwezig is geweest. Er zijn echter in dit verhoor slechts vier vragen gesteld betreffende de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De gestelde schending van dit recht op verhoorbijstand is niet van dien aard dat sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (het zogenoemde Zwolsman-criterium, HR 19 december 1995, NJ 1996, 249). De rechtbank laat daarom in het midden of de vier vragen al dan niet zo gesteld hadden mogen worden. Dat sprake is van een valselijk opgemaakt proces-verbaal is door de verdediging onvoldoende onderbouwd en op basis van het dossier ook niet aannemelijk geworden. Naar het oordeel van de rechtbank faalt om bovenstaande redenen het beroep op niet-ontvankelijkheid.

4.3.

Conclusie

De officier van justitie is ontvankelijk.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering

5.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit omdat – kort gezegd – sprake is van een persoonsverwisseling. Het is niet de verdachte geweest die het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Voorts is aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen met nummer [procesverbaalnummer] vals is opgemaakt om de aanhouding van de verdachte achteraf te kunnen rechtvaardigen. De verdediging trekt eveneens in twijfel of er sprake is van meerdere getuigen dan wel aangevers die het feit hebben aanschouwd nu deze aangiftes gelijk zijn in woord.

Tevens heeft de verdediging aangevoerd, mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er geen persoonsverwisseling heeft plaatsgevonden, dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte gestolen heeft. Er zijn geen goederen aangetroffen bij de verdachte en de eigenlijke diefstal staat niet op camerabeelden of de foto’s daarvan. Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat geen sprake is van een geweldscomponent. Het enkele voorhouden van een mes en hier de nadruk op leggen levert geen bedreiging met geweld op.

5.1.2.

Beoordeling

Valselijk opgemaakt proces-verbaal

De rechtbank stelt voorop dat moet worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, juist nu dit op ambtseed is opgemaakt. Dit is slechts anders als er duidelijke aanwijzingen van het tegendeel zijn. Het enkele feit dat de signalementen van de dader die de aangevers in hun latere aangiften hebben benoemd, minder uitgebreid zijn dan het signalement dat de verbalisanten hebben gekregen van de meldkamer - die op haar beurt de informatie heeft verkregen van de aangevers terwijl zij de dader achtervolgden -, levert geen begin van aannemelijkheid op dat de verbalisanten hun proces-verbaal van bevindingen achteraf valselijk hebben opgemaakt om de verdachte in het signalement te laten passen.

Persoonsverwisseling

Beide aangevers zijn achter de dader aan gegaan toen bij het verlaten van de winkel de alarmpoortjes in werking traden. Terwijl de aangevers de dader achtervolgden hebben zij de meldkamer van de politie aan de telefoon en gaven zij een signalement door. Aan de hand van dit signalement wordt de verdachte vervolgens aangehouden. Een verbalisant die de aanhouding van de verdachte ziet, ziet de twee medewerkers van de Action nog achter de verdachte aan komen. Beide aangevers zien ook dat de aanhouding plaats vindt. Uit niets blijkt dat de aangevers de dader op enig moment uit het oog zijn verloren tussen het moment van het passeren van de alarmpoortjes en het moment van de aanhouding van de verdachte. Voorts zijn de camerabeelden van de Action uitgekeken door de verbalisant die de verhoren van de verdachte heeft afgenomen. Deze verbalisant herkent de man op de beelden die na het verlaten van de winkel gevolgd wordt door de medewerkers, voor 100% als zijnde de verdachte. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het proces-verbaal en/of de verklaringen van aangevers, enkel omdat de bewoordingen van die verklaringen deels gelijk zijn. Al met al biedt het dossier geen aanknopingspunt voor een persoonsverwisseling.

Het wegnemen van goederen

Uit de camerabeelden van de Action, die zijn uitgekeken door een verbalisant, blijkt dat de verdachte meerdere goederen uit het schap pakt en in zijn grijze tas stopt. Tijdens zijn vlucht zijn volgens de aangevers meerdere kledingstukken door de verdachte uit zijn tas gehaald en weggegooid, waarbij het gaat om kledingstukken die worden herkend als producten die de Action verkoopt. Deze kledingstukken zijn opgeraapt en meegenomen door de aangevers. Hiermee kan worden vast gesteld dat er daadwerkelijk door de verdachte goederen zijn weggenomen uit de Action. De rechtbank acht het opzettelijk wegnemen van de goederen door de verdachte dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bedreiging met geweld

Ook de bedreiging met geweld door het aardappelschilmesje nadrukkelijk te tonen, wordt wettig en overtuigend bewezen geacht. Beide aangevers verklaren over deze bedreiging en geven aan dat zij zich bedreigd voelden door de verdachte. Daarbij is een aardappelschilmesje bij de verdachte in zijn jaszak aangetroffen tijdens zijn aanhouding. Enkel de verdachte verklaart dat het mes in een papiertje gewikkeld was. De rechtbank hecht geen geloof aan deze verklaring van de verdachte. Het betoog van de raadsman dat het enkele tonen van het mes nog geen bedreiging met geweld oplevert, slaagt niet. Het gaat hier om winkelpersoneel dat achter een winkeldief aanrent en als dan een mes getoond wordt, dan is dat naar zijn aard een bedreiging die erop gericht is te ontkomen aan aanhouding.

5.1.3.

Conclusie

De verweren worden verworpen.

5.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 26 november 2016 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit winkelbedrijf Action gevestigd aan de [adres delict] heeft weggenomen een hoeveelheid kleding truien en boxershorts en een vest toebehorende aan Action Nederland BV, welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] , gepleegd om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte zich naar die [naam slachtoffer 1] en die [naam slachtoffer 2] heeft omgedraaid en vervolgens nadrukkelijk een aardappelschilmes aan die [naam slachtoffer 1] en die [naam slachtoffer 2] heeft voorgehouden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6 Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

7 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal gevolgd door bedreiging met geweld. De verdachte heeft, nadat hij de winkel verliet, ervoor gekozen om weg te rennen voor de medewerkers die hem hebben betrapt. De verdachte heeft geprobeerd deze diefstal te verdoezelen door de weggenomen kledingstukken op zijn vluchtroute weg te gooien. Nadat de verdachte merkte dat de medewerkers van de Action hem bleven volgen, besloot hij ze af te schrikken door hen een aardappelschilmesje nadrukkelijk voor te houden. De medewerkers voelden zich hierdoor bedreigd. De rechtbank acht dit een ernstig feit.

De rechtbank heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 februari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

8.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De LOVS-richtlijnen gaan bij recidive uit van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Nu de verdachte recidivist is, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

9 Vorderingen benadeelde partijen

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] , ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij heeft op het voegingsformulier geen bedrag ingevuld.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] , ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert € 450, - aan immateriële schade.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard nu de vordering niet gespecificeerd is.

De vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 300, -, en dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9.2.

Standpunt verdediging

Nu vrijspraak is bepleit dienen beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daarnaast is op de vordering van [naam slachtoffer 2] geen bedrag ingevuld en is de vordering van [naam slachtoffer 1] onvoldoende onderbouwd, dus dienen de benadeelde partijen ook om deze redenen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9.3.

Beoordeling

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is komen vast te staan welk bedrag aan schade wordt gevorderd.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit. De vordering is onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

9.4.

Conclusie

De benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden, en

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen;

compenseert tussen de verdachte en ieder van de benadeelde partijen de proceskosten, zodat iedere partij de eigen kosten van dit geding draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. K. Bakker en K.J. van den Herik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Hemert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 26 november 2016 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit winkelbedrijf Action (gevestigd aan de [adres delict] ) heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid kleding (truien en/of boxershorts en/of een vest) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Action Nederland BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte zich naar die [naam slachtoffer 1] en/of die [naam slachtoffer 2] heeft omgedraaid en/of (vervolgens) (dreigend en/of nadrukkelijk) een (aardappelschil)mes aan die [naam slachtoffer 1] en/of die [naam slachtoffer 2] heeft getoond/voorgehouden;

art. 310 Wetboek van Strafrecht

art. 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht