Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:3136

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
24-04-2017
Zaaknummer
C/10/516819 / FT EA 16/3047 en C/10/516820 / FT EA 16/3048
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzen dwangakkoord; Weigerende schuldeiser kan geen beroep op verrekening ex artikel 307 Fw doen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a, geldigheid: 2008-01-01
Faillissementswet 307, geldigheid: 2005-12-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummers: [nummer 1] en [nummer 2]

uitspraakdatum: 2 maart 2017

in de zaak van:

[naam 1]

wonende aan de [adres]

[woonplaats]

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 16 december 2016, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten:

- ABP, pensioenuitvoering APG (hierna: ABP);

die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

ABP heeft voorafgaand aan de zitting op 6 februari 2017 een verweerschrift ingediend.

Ter zitting van 16 februari 2017 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    mevrouw [naam 2] , werkzaam bij schuldbemiddelingsinstantie Avres (hierna: schuldhulpverlening);

  • -

    de heer mr. H.M. van Engelshoven, namens ABP.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift vijf schuldeisers, waarvan één preferente en vier concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 202.636,35 van verzoeker te vorderen.

Verzoeker heeft bij brief van 16 september 2016 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 9,03% aan de preferente schuldeiser en 4,52% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.

De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm.

De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn WIA-uitkering. Verzoeker is 80-100% arbeidsongeschikt verklaard.

Alle inkomsten van verzoeker boven het vrij te laten inkomen worden maandelijks gereserveerd en na de jaarlijkse hercontrole aan de schuldeisers uitbetaald. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat na afloop van de schuldbemiddeling de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan. Verzoeker is gemotiveerd om zijn schulden af te lossen en hij komt zijn afspraken na.

Vier schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. ABP stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 4.992,83 op verzoeker, welke 2,43% van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

In haar verweerschrift heeft ABP – kort gezegd – zich op het standpunt gesteld dat de vordering van € 4.992,82 is ontstaan na verhoging van de door het UWV vastgestelde WAO-uitkering van verzoeker. Het op 1 mei 2003 door APB aan verzoeker toegekende Invaliditeitspensioen (hierna: IP) is door de aanpassing van deze WAO-uitkering vanaf

2 oktober 2013 op een lager pensioenbedrag vastgesteld. Over de periode 2 oktober 2013 tot 1 april 2015 is een bedrag van totaal bruto € 5.072,01 vanwege onverschuldigd uitgekeerd IP van verzoeker teruggevorderd. Na verrekening bedroeg de restvordering per juni 2015

€ 4.226,69. Vanaf de maand juni 2015 is het IP op nihil gesteld. Het in de maanden juni en juli 2015 aan verzoeker te veel uitbetaalde IP is eveneens teruggevorderd.

De vordering van APB bedraagt per augustus 2015 totaal bruto € 4.992,82.

ABP beroept zich op verrekening op grond van artikel 307 Fw, aangezien het recht op IP vóór de beoogde schuldsaneringsregeling en de wettelijke schuldsaneringsregeling is ingegaan. Dit geldt ook ten aanzien van de vordering wegens onverschuldigd betaald IP en de verrekening hiervan. Nu IP op nihil is gesteld is er thans geen sprake meer van een maandelijkse verrekening. Dit zal wijzigen wanneer er weer sprake is van recht op IP dan wel ingeval het bestaande recht op IP wordt herrekend tot een ouderdomspensioen na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van verzoeker.

Ter zitting heeft ABP haar verweerschrift gehandhaafd. Zij heeft verder aangevoerd dat onverschuldigde pensioenbetalingen niet ten laste mogen komen van de collectieve pensioenregeling van de deelnemers en dat deze volledig dienen te worden terugbetaald. Nu het IP door de nihilstelling thans niet meer effectief kan worden verrekend kan ABP deze vordering weer effectief verrekenen ingeval het pensioen nader wordt vastgesteld in het ouderdomspensioen, in het geval van verzoeker met ingang van 2 december 2018. Op deze wijze zou ABP de vordering nog kunnen innen. Bij toewijzen van het dwangakkoord kan daarop geen aanspraak meer worden gemaakt.

ABP heeft tenslotte opgemerkt dat in het geval verzoeker wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsanering vóór toekenning van het ouderdomspensioen ABP gedurende die schuldsaneringsregeling niet kan verrekenen. Na de wettelijke schuldsaneringsregeling met de schone lei resteert een rechtens niet afdwingbare vordering.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van ABP bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of ABP in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van ABP een zeer gering aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 2,43%). Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk vier van de vijf schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten schuldhulpverlening. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. Voldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de gezamenlijke schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker voor 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard. Voldoende duidelijk is geworden dat, gelet op de gezondheidsklachten van verzoeker, niet te verwachten valt dat hij in de komende jaren tot het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd op 2 december 2018 met werk een inkomen kan verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen. Het voorstel is dan ook te beschouwen als het maximaal haalbare.

Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Aannemelijk is dat ABP bevoegd is op grond van contractuele afspraak dan wel het bepaalde in artikel 6:127 BW - de rechtbank laat dit verder in het midden – tot verrekening van het door ABP uit te keren IP en Ouderdomspensioen met haar vordering op verzoeker ter zake van onverschuldigde betaling. Artikel 307 Fw, waarop ABP zich beroept, is niet aan de orde, nu dat artikel betrekking heeft op de situatie waarbij de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken hetgeen hier niet het geval is. Vanaf juni 2015 is het IP van verzoeker op nihil gesteld en is geen sprake van een voor verrekening vatbare uitkering. Verder heeft ABP ter zitting opgemerkt dat ook in het geval de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden uitgesproken ABP niet zal overgaan tot verrekening op het aan verzoeker uit te keren Ouderdomspensioen, ingaande op 2 december 2018. Niet aannemelijk is geworden dat de bevoegdheid tot verrekenen in geval van verzoeker (substantiële) baten voor ABP oplevert, terwijl geen aanleiding is, om bij voortzetting van het verzoek, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af te wijzen.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van ABP, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om ABP te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

ABP zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt ABP om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt ABP in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.