Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:3102

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-04-2017
Datum publicatie
12-05-2017
Zaaknummer
KTN-5749324_14042017
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

WWZ. Ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven. Toekenning van billijke vergoeding en vergoeding wegens de onregelmatige opzegging. Wijze van berekenen van de billijke vergoeding: twee componenten te weten vervangingswaarde en het punitieve element.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2467
AR-Updates.nl 2017-0600
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5749324 VZ VERZ 17-3050

uitspraak: 14 april 2017

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam],

verzoeker,

gemachtigde: mr. P. van Riessen te Gouda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Staffhousing B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

gemachtigde: mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam

Partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ en ‘At Home’ genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    het door [verzoeker] op 22 februari 2017 ingediende verzoekschrift na gegeven ontslag op staande voet tot veroordeling tot betaling van een billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW en van een vergoeding ex artikel 7:672 lid 10 BW, met producties;

  • -

    het door Staffhousing op 16 maart 2017 ingediende verweerschrift;

  • -

    de door Staffhousing op 17 maart 2017 ingediende producties behorend bij het verweerschrift.

1.2.

Het verzoek is op 20 maart 2017 mondeling behandeld in aanwezigheid van [verzoeker] in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. P. van Riessen, en namens Staffhousing de heer [M.] (statutair directeur), bijgestaan door de gemachtigde, mr. W.H.J.W.
de Brouwer. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, waarbij de gemachtigde van [verzoeker] pleitaantekeningen heeft overgelegd.

1.3.

De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten.

2.1.

Staffhousing is actief op het markt van personeelshuisvesting in Nederland. De heer
[M.] is behalve directeur van Staffhousing ook directeur van At Home Vastgoed B.V. (hierna At Home). Beide vennootschappen zijn op hetzelfde adres in Rotterdam gevestigd. De partner van [verzoeker], mevrouw [K.] is tot 16 januari 2017 bij At Home in dienst geweest als commercieel medewerkster. Zij is op genoemde datum door At Home op staande voet ontslagen en zij heeft ter zake van dat ontslag eveneens een procedure aanhangig gemaakt. Beide zaken zijn op hetzelfde moment mondeling behandeld en in de ontslagzaak van [K.] met zaaknummer 5797951 VZ VERZ 17-4602 heeft de kantonrechter heden eveneens uitspraak gedaan.

2.2.

[verzoeker], geboren op [geboortedatum], is op 1 juni 2016 voor onbepaalde tijd bij Staffhousing in dienst getreden in de functie van commercieel medewerker. Het salaris van [verzoeker] bedraagt € 1.900,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige verdiensten.

2.3.

In artikel 21 van de arbeidsovereenkomst is een verbod opgenomen voor de werknemer om gedurende de loop van de arbeidsovereenkomst voor anderen werkzaamheden te verrichten.

2.4.

In artikel 22 van de arbeidsovereenkomst is een non-concurrentiebeding opgenomen.

2.5.

Op 14 december 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de heer [M.] (Staffhousing) en [verzoeker]. Aan het einde van dat gesprek heeft [verzoeker] op verzoek van [M.] alle bedrijfseigendommen, die hij in gebruik had, ingeleverd.

2.6.

Bij e-mail van 14 december 2016 heeft de gemachtigde van Staffhousing onder meer het volgende aan [verzoeker] bericht:

“Staffhousing BV heeft mij verzocht te reageren op uw e-mail van vandaag waarin u protesteert tegen uw ontslag op staande voet.

U bent met ingang van vandaag geschorst van uw werkzaamheden. Er is geen sprake van een ontslag op staande voet. Bij een schorsing ontheft de werkgever u tijdelijk van de plicht om te werken.

Staffhousing heeft daar een goede reden voor doordat uw aanwezigheid op de werkvloer onhoudbaar is geworden gelet op de bevindingen van de heer [M.] heden morgen. Staffhousing vermoedt dat er sprake is van een dringende reden voor een ontslag is en zal onderzoek doen naar de gerezen verdenkingen.

U is deze schorsing mondeling aangezegd in aanwezigheid van collega [X.] aangezien het vermoeden bestaat dat u bedrijfsgevoelige informatie doorspeelt aan derden.

U heeft in principe gewoon recht op loon tenzij de bevindingen aanleiding geven daarop verrekeningen toe te passen.

Ik zal u morgen nader berichten en de inhoud van het gesprek dat u vandaag op kantoor had bevestigen.”

2.7.

Bij e-mail van 15 december 2016 heeft de gemachtigde van Staffhousing onder meer het volgende aan [verzoeker] bericht:

“In vervolg op mijn email van gisteren bevestig ik u de inhoud en strekking van het schorsingsgesprek.

Gisteren is met u gesproken door de heer [M.]. U bent daarbij geconfronteerd met de bevindingen dat u beeldopnames maakte van bedrijfsgevoelige informatie waaronder lijsten van klanten van Staffhousing en At Home vastgoed.

Verder bent u geconfronteerd met een telefoongesprek dat werd overhoord en waarbij u aangaf dat u een klantenlijst zou fotograferen en zou doorspelen aan een derde. (…)

Door u op deze wijze te gedragen is de verdenking gerezen dat u anderen in kennis stelt van de relaties van (…) Staffhousing. U heeft uzelf daarmee onhoudbaar gemaakt op de werkvloer en is u een schorsing aangezegd.

Ondanks dat u de aantijgingen van de hand wees, toonde u begrip voor de beslissing aangezien uw partner onlangs een onderneming startte die zich op dezelfde markt toelegt als uw werkgever doet.”

2.8.

Op 23 december 2016 is [verzoeker] door Staffhousing op staande voet ontslagen. Bij brief van diezelfde datum is het ontslag op staande voet namens Staffhousing aan [verzoeker] bevestigd. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Hierbij bevestig ik dat ik u op 23 december 2016 op staande voet heb ontslagen.

De redenen voor dit ontslag zijn, zoals ik u ook vandaag heb meegedeeld; dat u in strijd met artikel 21 van uw arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor anderen verricht.

U heeft bedrijfsinformatie van Staffhousing BV (…), inhoudende de verhuurderslijst doorgespeeld aan derden.

Niet alleen heeft u hiermee in strijd gehandeld met artikel 21, maar ook het bedrijfsdebiet ernstig aangetast.

In ieder geval is vast komen te staan dat u het vertrouwen dat nodig is voor de uitoefening van uw functie dusdanig heeft geschaad dat van mij als werkgever niet langer verlangd kan worden dat het dienstverband nog langer voortduurt.

Vastgesteld is dat u op 14 december 2016 een telefoongesprek voerde met uw partner, mevrouw [K.], waarbij u haar toezegde het klantenbestand aan haar ter beschikking te zullen stellen door een foto te maken van onze verhuurderslijst.

Nadat u met deze bevindingen werd geconfronteerd door de heer [X.] heeft u deze niet ontkend, maar aangegeven dat het beter zou zijn indien onze wegen zouden scheiden. Vervolgens bent u geschorst.

Op 15 december is deze schorsing schriftelijk aan u bevestigd.

Sedert 19 december vindt er overleg plaats met uw gemachtigde, mr. P. Van Riessen over de wijze waarop het dienstverband dient te worden beëindigd.

(…)

Voorgaande heeft derhalve niet tot een andere oordeel geleid dan dat deze redenen elk afzonderlijk maar ook in samenhang een dringende reden vormen voor dit ontslag op staande voet.

Ik zal per 23 december een correcte eindafrekening opstellen van het salaris, vakantiegeld en niet-genoten vakantiedagen.

Nu u mij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen, bent u op grond van de wet aan ons een schadevergoeding verschuldigd.

Deze schadevergoeding wordt gefixeerd op € 1.900,=.

Deze gefixeerde schadevergoeding laat onverlet de boete die ex artikel 21 van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op €5.000,=.

Hierbij maak ik aanspraak op de door u aan ons verschuldigde boete en de gefixeerde schadevergoeding. Ik zal dit bedrag inhouden bij de nog op stellen eindafrekening. Daarnaast behoud ik mij het recht voor eventuele schade ten gevolge van de aantasting van het bedrijfsdebiet bij u te verhalen. (…)

3 Het verzoek van [verzoeker]

3.1.

heeft verzocht om Staffhousing bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen:

  1. een billijke vergoeding conform artikel 7:681 BW van € 12.312,- bruto;

  2. een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon met inbegrip van vakantietoeslag over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, te weten € 2.780,13 bruto;

  3. het salaris van 1 december 2016 tot en met 20 december 2016 inclusief vakantietoeslag van € 1.323,87 bruto;

  4. e wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de onder a, b en c genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening.

Tevens heeft [verzoeker] verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te besluiten tot verval van de werking van het concurrentiebeding, zoals is opgenomen in artikel 22 van de arbeidsovereenkomst, op grond van artikel 7:653 lid 4 BW nu het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van Staffhousing met de veroordeling van Staffhousing in de kosten van het geding.

3.2.

Aan zijn verzoek heeft [verzoeker] – zakelijk en samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Primair is het ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven. Het vermeende telefoongesprek op 14 december 2016 wordt reeds genoemd in de in e-mail van de gemachtigde van Staffhousing van 15 december 2016. Staffhousing had toen al tot ontslag kunnen en moeten overgaan. Staffhousing heeft echter de onderhandelingen tussen de gemachtigde afgewacht en is daarna, negen dagen later, tot ontslag overgegaan. Dat is gelet op de omstandigheden van het geval te laat, zodat niet is voldaan aan de eis van onverwijldheid. Subsidiair is van een dringende reden voor ontslag geen sprake. Uit de e-mailcorrespondentie van en namens Staffhousing blijkt dat er alleen vermoedens zijn dat [verzoeker] bedrijfsgeheimen met derden wilde delen. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] dat daadwerkelijk heeft gedaan, hetgeen overigens ook door [verzoeker] wordt betwist. De schorsing en het ontslag zijn onverdiend en ongerechtvaardigd. In dat verband maakt [verzoeker] aanspraak op een billijke vergoeding van € 12.312,- bruto, de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst en het salaris tot en met 20 december 2016. Tevens heeft [verzoeker] verzocht om verval van de werking van het non-concurrentiebeding, aangezien sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de kant van Staffhousing.

4 Het verweer

4.1.

Het verweer van Staffhousing strekt tot:

  • -

    afwijzing van de verzoeken van [verzoeker] dan wel tot matiging daarvan;

  • -

    bekrachtiging van het ontslag wegens dringende reden;

  • -

    veroordeling van [verzoeker] tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 1.900,-;

  • -

    veroordeling van [verzoeker] tot betaling van de contractuele boete van € 5.000,-;

  • -

    veroordeling van [verzoeker] tot betaling van € 121.500,- voor schending van het non-concurrentiebeding tot en met 16 maart 2017;

  • -

    veroordeling van [verzoeker] tot betaling van € 1.500,- per dag vanaf 17 maart 2017 tot zolang de schending van het concurrentiebeding voortduurt;

  • -

    instandhouding van het overeengekomen non-concurrentiebeding;

  • -

    veroordeling van [verzoeker] in de kosten van deze procedure.


Daartoe heeft Staffhousing – zakelijk en samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd.

4.2.

Tijdens de schorsing van [verzoeker] heeft Staffhousing onderzoek gedaan naar haar vermoedens dat [verzoeker] bedrijfsgevoelige informatie doorspeelde aan zijn partner. Dat onderzoek heeft geduurd van 14 t/m 23 december 2016. Dit is een redelijke termijn voor onderzoek. Daar de bevindingen van het onderzoek de vermoedens bevestigden, is het ontslag op staande voet op 23 december 2016 onverwijld aangezegd. Het onderzoek heeft bevestigd dat [verzoeker] binnen de accounts van At Home actief op zoek is geweest naar verhuurderslijsten en de partner van [verzoeker], mevrouw [K.], blijkt op de website van haar eigen bedrijf een woning uit het relatiebestand van At Home aan te bieden. De gegevens van deze relatie kunnen enkel zijn verkregen na het vertrek van mevrouw [K.] bij At Home. Van een recht op enige vergoeding door [verzoeker] kan dan ook geen sprake zijn.

5 De beoordeling

Termijn indiening verzoek

5.1.

Het verzoek is – gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 aanhef en sub a jo. artikel 7:681 lid 1 BW – tijdig ingediend.

Juridisch kader

5.2.In dit geschil twisten partijen over de vraag of [verzoeker] recht heeft op een billijke vergoeding in de zin van artikel 7:681 lid 1 sub a BW, de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst en betaling van het salaris t/m 20 december 2016, met nevenverzoeken. In dat verband dient voorts te worden beoordeeld of sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet.

Ontslag op staande voet niet onverwijld gegeven

5.3.

Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Op grond van artikel 7:671 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer. Volgens artikel 7:671 lid 1 sub c BW geldt die eis niet wanneer de opzegging geschiedt op grond van artikel 7:677 lid 1 BW, waarin is bepaald dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

5.4.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat voor het antwoord op de vraag of een ontslag onverwijld is gegeven beslissend is het tijdstip waarop de dringende reden tot dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Indien eenmaal degene die bevoegd is het ontslag te verlenen van de gewraakte gedraging van de werknemer op de hoogte is, moet het ontslag op staande voet onverwijld worden gegeven. In beginsel wordt geen uitstel geduld in de rechtspraak. Er zijn evenwel uitzonderingen waarin het de werkgever vergund wordt het ontslag niet onmiddellijk te effectueren. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er nader onderzoek nodig is (HR 27 april 2001, JAR 2001/95).

5.5.

In dit geval is reeds op 14 en 15 december 2016 bij Staffhousing het vermoeden gerezen dat [verzoeker] bedrijfsgevoelige informatie van At Home aan derden, zijn partner mevrouw [K.], zou doorspelen, terwijl pas op 23 december 2016 is overgegaan tot het geven van ontslag op staande voet. Dat Staffhousing enige tijd nodig heeft om nader onderzoek te doen, is aannemelijk, doch zij heeft niet concreet gesteld welke onderzoeken zij heeft moeten instellen, laat staan dat zij heeft gesteld en aangetoond dat die onderzoeken in totaal negen dagen in beslag hebben genomen. De heer [M.] heeft tijdens de mondelinge behandeling enkel verklaard dat het onderzoek heeft bestaan uit een onderzoek binnen de computersystemen van Staffhousing en At Home door de systeembeheerder alsmede dat die systeembeheerder pas enkele dagen na 15 december 2016 beschikbaar was, doch daarmee is het lange tijdsverloop van negen dagen onvoldoende verklaard. Bovendien blijkt uit de in 2.7 genoemde e-mail van de gemachtigde van Staffhousing dat de vermeende gedragingen van [verzoeker] zouden hebben bestaan uit het maken van beeldmateriaal van de verhuurderslijst en het met een derde, te weten [K.], telefonisch bespreken van de relaties van Staffhousing, dezelfde gedragingen die in de uiteindelijke ontslagbrief van 23 december 2016 zijn genoemd. Onduidelijk is wat een onderzoek van het computersysteem van Staffhousing daaraan nog zou kunnen toevoegen, terwijl nog veel minder blijkt of - en zo ja wat - de door Staffhousing bedoelde onderzoeken hebben opgeleverd.

Mede gelet op de inhoud van de in 2.7 genoemde e-mail van de gemachtigde van Staffhousing had Staffhousing op 14 dan wel op 15 december 2016 meteen tot ontslag op staande voet kunnen en moeten overgaan. Door daarmee te wachten tot 23 december 2016 (negen dagen later) heeft Staffhousing niet de voortvarendheid betracht die van een werkgever bij het doen van nader onderzoek mag worden verwacht. Door deze niet voortvarende handelwijze heeft Staffhousing de vereiste onverwijldheid van het ontslag dan ook verspeeld. Dat betekent dat het ontslag op staande voet alleen al op basis van formele redenen rechtskracht ontbeert. Dat impliceert tevens dat de kantonrechter niet meer toekomt

aan de inhoudelijke beoordeling van de dringende reden voor het ontslag.

De vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst

5.6.

Nu Staffhousing de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op onregelmatige wijze – zonder inachtneming van de opzegtermijn van een maand – heeft opgezegd, is Staffhousing jegens [verzoeker] schadeplichtig. De in dat kader door [verzoeker] verzochte vergoeding van

€ 2.780,13 bruto aan salaris en 8% vakantiedag over de periode tot 1 februari 2017 is cijfermatig niet door Staffhousing weersproken. Dat bedrag wordt dan ook toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 23 december 2016, mede gezien het bepaalde in artikel 7:686a lid 1 BW.

Salaris 1 t/m 20 december 2016

5.7.

[verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat Staffhousing het salaris over de periode van 1 december t/m 20 december 2016 niet aan hem heeft betaald. Aangezien de arbeidsovereenkomst pas op 23 december 2016 door Staffhousing is opgezegd, is Staffhousing gehouden om het salaris over de periode van 1 t/m 20 december 2016 aan [verzoeker] te betalen. Het in dat kader door hem berekende bedrag van € 1.323,87 bruto inclusief 8% vakantietoeslag is cijfermatig evenmin door Staffhousing weersproken, zodat dit bedrag wordt toegewezen.

Billijke vergoeding

5.8.

[verzoeker] heeft geen vernietiging van de opzegging verzocht, maar hij heeft “enkel” aanspraak gemaakt op de billijke vergoeding van artikel 7:681 lid 1 BW.

Voor toekenning van de billijke vergoeding vereist de wet in genoemd artikel 7:681 lid 1 BW niet uitdrukkelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat het de werkgever ernstig valt aan te rekenen indien de arbeidsovereenkomst is opgezegd in strijd met de daarvoor geldende regels (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 4, p. 61). Daarbij heeft de kantonrechter de mogelijkheid om de hoogte van de vergoeding te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de omstandigheden van het geval. De hoogte van de billijke vergoeding moet - naar haar aard - in relatie staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. Als het ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moet de werknemer hiervoor volgens de wetsgeschiedenis worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van die werkgever te voorkomen (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 32). De billijke vergoeding kent derhalve twee componenten, te weten compensatie van de waarde van de arbeidsovereenkomst en een zogenaamd punitief element.

Ten aanzien van het eerste element geldt dat [verzoeker] met ingang van 10 januari 2017 elders in dienst is getreden. Bovendien is aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] op korte termijn na 1 februari 2017 zou zijn geëindigd wegens een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van Staffhousing op de zogenaamde g-grond wegens een verstoring van de verstandhouding. Immers [verzoeker] en zijn levenspartner [K.] zijn samen in dienst getreden bij Staffhousing c.q. At Home welke ondernemingen geleid worden door [M.] met wie zij bevriend waren. Partijen zijn in eerst instantie uitgegaan van een langdurige samenwerking getuige ook het feit dat beide werknemers onmiddellijk voor onbepaalde tijd en zonder proeftijd in dienst zijn getreden, doch die verwachting is wreed verstoord doordat de arbeidsovereenkomst met [K.] al na circa zes maanden beëindigd is. Aannemelijk is dat daardoor de vriendschap bekoeld is en tevens is aannemelijk dat dat op korte termijn ook geleid had tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker], wanneer hij niet op 23 december 2016 op staande voet zou zijn ontslagen. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat het element van de compensatie van de waarde van de arbeidsovereenkomst niet leidt tot toekenning van enig bedrag aan billijke vergoeding.

De andere component van de billijke vergoeding die een punitief karakter draagt vanwege het onterecht grijpen naar de voor de werknemer zwaarste sanctie in het arbeidsrecht strekt er ook toe [verzoeker] te compenseren voor de feitelijke en psychische overlast die hij van het ontslag op staande voet heeft ondervonden. Bovendien laat de kantonrechter bij de weging van het punitieve element meewegen dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft gesteld dat Staffhousing in eerdere vergelijkbare gevallen op dezelfde wijze verschillende personeelsleden op onterechte gronden op staande voet heeft ontslagen. Tevens is van belang dat de zusteronderneming met de heer [M.] aan het roer ook de levenspartner van [verzoeker] ten onrechte op staande voet heeft ontslagen, zoals is beslist in de beslissing die de kantonrechter te Rotterdam heden eveneens heeft gegeven. De toe te kennen billijke vergoeding dient op een zodanig bedrag te worden vastgesteld dat Staffhousing en haar zusteronderneming ervan worden weerhouden opnieuw tot dergelijk handelen over te gaan.

5.9.

Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding houdt de kantonrechter voorts rekening met alle relevante omstandigheden van het geval, in het bijzonder met de leeftijd van [verzoeker] (thans 36 jaar), de relatief korte duur van het dienstverband (zes maanden), het salaris van € 1.900,- bruto per maand en het feit dat [verzoeker] in ieder geval tot en met eind augustus 2017 over een inkomen beschikt uit zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst met een transportbedrijf.

5.10.

Bovenstaande omstandigheden afwegend, ziet de kantonrechter aanleiding voor toekenning van een billijke vergoeding van € 6.000,-, globaal overeenkomend met drie maandsalarissen. De verzochte wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf veertien dagen, te rekenen vanaf de datering van deze beschikking, omdat aangenomen moet worden dat Staffhousing vanaf dat moment in verzuim is met de betaling daarvan. De eveneens verzochte wettelijke verhoging is niet toewijsbaar, aangezien de billijke vergoeding niet aangemerkt kan worden als loon in de zin van artikel 7:625 BW.

Wettelijke verhoging

5.11.

De verzochte wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris is toewijsbaar, op de wijze zoals hierna vermeld. Gelet op de handelwijze van Staffhousing jegens [verzoeker] ten aanzien van het onterecht gegeven ontslag op staande voet en de gestopte salarisbetaling in de “feestmaand” zoals Staffhousing zelf ter zitting gesteld heeft, wordt voor matiging van de wettelijke verhoging geen aanleiding gezien. De verzochte wettelijke verhoging over de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst is niet toewijsbaar, omdat ook die vergoeding niet kan worden aangemerkt als loon in de zin van artikel 7:625 BW.

Wettelijke rente

5.12.

De door [verzoeker] verzochte wettelijke rente over de hiervoor toegewezen bedragen wordt als niet weersproken toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.

Non-concurrentiebeding

5.13.

Nu de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst door ernstig verwijtbaar handelen van Staffhousing is geëindigd, kan Staffhousing op grond van het bepaalde in artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten meer aan het non-concurrentiebeding ontlenen. De daarop gebaseerde tegenverzoeken van Staffhousing dienen derhalve te worden afgewezen.

Proceskosten

5.14.

Staffhousing wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Deze kosten bestaan tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] uit het griffierecht van € 223,- en het salaris voor zijn gemachtigde van € 400,-.

6 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Staffhousing:

  • -

    om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen het achterstallige salaris over de periode van 1 december 2016 t/m 20 december 2016 van € 1.323,87 bruto inclusief 8% vakantietoeslag, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW berekend op de wijze zoals in dat artikel is beschreven, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 1 januari 2017, en over de wettelijke verhoging vanaf de datum van deze beschikking tot de dag van de algehele voldoening;

  • -

    om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 2.780,13 bruto ter zake van de vergoeding wegens de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 23 december 2016 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 6.000,- bruto aan billijke vergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 28 april 2017 tot de dag van de algehele voldoening;

verklaart voor recht dat Staffhousing aan het tussen partijen overeengekomen non-concurrentie- en relatiebeding geen rechten meer kan ontlenen, nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelan van Staffhousing als bedoeld in artikel 7:653 lid 4 BW;

veroordeelt Staffhousing in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 223,- aan griffierecht en € 400,- aan salaris voor zijn gemachtigde;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
879