Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:3065

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
22-04-2017
Zaaknummer
14.2021
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSNP. Tussentijdse beëindiging zonder schone lei. Tekortkomingen (o.a. een aanzienlijke boedelachterstand) dusdanig dat niet aannemelijk is dat deze zelfs met een maximale verlenging van de looptijd hersteld kunnen worden. Niet gebleken dat e.e.a. niet verwijtbaar is.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

tussentijdse beëindiging

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 12 januari 2017

Bij vonnis van deze rechtbank van 12 september 2014 is de toepassing van de

schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam] ,

[adres]

[woonplaats]

schuldenares,

bewindvoerder: G.J. van Rossen.

1 De procedure

De rechter-commissaris heeft op 27 mei 2016 een voordracht gedaan om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

Na behandeling ter terechtzitting van 23 juni 2016 heeft de rechtbank op 7 juli 2016 een tussenvonnis gewezen en de behandeling met in ieder geval twee maanden aan te houden, teneinde schuldenares onder meer in de gelegenheid te stellen om ontbrekende stukken en informatie over te leggen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- Een brief met bijlagen en een separate fax van de bewindvoerder, beide van 30

augustus 2016;

- Een fax met bijlagen van mr. R.N. Baldew, advocate van schuldenares, van 1

september 2016;

  • -

    Een fax met bijlagen van de bewindvoerder van 7 september 2016;

  • -

    Een e-mail met bijlagen en de laatste stand van zaken van de bewindvoerder van 22

december 2016;

- Een fax met bijlagen en een plan van aanpak van de beschermingsbewindvoerder

van 27 december 2016.

De bewindvoerder, schuldenares, bijgestaan door haar advocate mr. R.N. Baldew en mevrouw D. Schipper en mevrouw M. van der Zalm, namens de beschermingsbewindvoerder Stedam Bewindvoering, zijn gehoord bij de voortgezette behandeling ter terechtzitting van 29 december 2016.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Als grond voor de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling is door de rechter-commissaris onder meer aangevoerd dat schuldenares haar informatieverplichting niet (naar behoren) nakomt. Daarnaast heeft schuldenares nagelaten om haar inkomen boven het vastgestelde vrij te laten bedrag (volledig) af te dragen aan de boedelrekening. Hierdoor is een geschatte boedelachterstand van € 11.496,04 ontstaan. Schuldenaar heeft geen voorstel gedaan om de boedelachterstand in te lopen. Schuldenares komt haar sollicitatieverplichting niet na en heeft een nieuwe schuld bij VGZ laten ontstaan van € 589,48.

De bewindvoerder heeft in zijn laatste stand van zaken van 22 december 2016 en ter zitting nog verklaard dat schuldenares op één afdracht in oktober 2016 na nimmer aan de boedel heeft afgedragen. De boedelachterstand bedraagt inmiddels € 11.959,16. De bewindvoerder heeft gesteld dat schuldenares in ieder geval bekend was met een voorlopig berekend vrij te laten bedrag dat ook op het huisbezoek is besproken en dat zij tenminste op basis van dat bedrag aan de boedel had kunnen afdragen. Ook was schuldenares al veel eerder op de hoogte van de (oplopende) boedelachterstand en had zij al kunnen beginnen met enige betalingen aan de boedel om de achterstand in te lopen. De bewindvoerder heeft voorts gesteld dat schuldenares na een eerder verhoor bij de rechter-commissaris en de vorige terechtzitting bij de rechtbank meer dat genoeg gelegenheid heeft gekregen om actie te ondernemen, maar dat hij allerhande informatie elke keer op het allerlaatste moment krijgt toegestuurd, waardoor het uitvoeren van de controlerende taak wordt belemmerd. De bewindvoerder heeft ter zitting zijn twijfels uitgesproken over het ter zitting besproken plan voor het inlopen van de boedelachterstand nu dit plan uitgaat van een hoger inkomen dan schuldenares thans ontvangt, nog daargelaten dat er geen rekening is gehouden met de reguliere afdracht. De bewindvoerder heeft bij de ontbrekende sollicitaties vanaf oktober 2015 rekening gehouden met het ziek zijn van schuldenares sinds juli 2016.

Schuldenares heeft ter zitting gesteld dat zij nooit een definitieve berekening van het vrij te laten bedrag heeft ontvangen, ondanks dat zij hier meerdere malen schriftelijk om heeft gevraagd bij de bewindvoerder. Zij heeft enkel een voorlopig bedrag doorgekregen. Schuldenares heeft verklaard dat zij niet bekend was dat zij dit schriftelijk aan de rechter-commissaris had kunnen berichten. Omdat schuldenares niet wist hoeveel zij moest afdragen, heeft ze dit ook niet gedaan. Zij heeft ook geen geld gereserveerd. Schuldenares heeft verklaard dat zij is blijven wachten op bericht van de bewindvoerder over het definitief berekende vrij te laten bedrag. Verder heeft schuldenares zich vanaf juli 2016 ziek gemeld en heeft sindsdien een Ziektewetuitkering en is onder behandeling bij een psycholoog en staat op een wachtlijst voor behandeling bij een psychiater.

De advocate van schuldenares heeft nog ter zitting gesteld dat schuldenares wordt overvraagd door de bewindvoerder. Verder heeft zij haar twijfels geuit dat de bewindvoerder zo vaak geen stukken zou hebben ontvangen van schuldenares, gelet op de hoeveelheid e-mails en brieven die schuldenares heeft gestuurd. Het was aan de bewindvoerder om eerder en strakker tot actie over te gaan op het moment dat het niet goed dreigde te gaan in de onderhavige regeling. Er moet rekening worden gehouden met het zware verleden waar schuldenares onder gebukt gaat en waarvoor zij thans wordt behandeld. De advocate heeft verder gesteld dat aan de eerder gestelde voorwaarde van het instellen van beschermingsbewind is voldaan en dat het onredelijk zou zijn om dat niet een kans te geven en desondanks de regeling tussentijds te beëindigen.

De beschermingsbewindvoerder heeft in de brief van 27 december 2016 en ter zitting verklaard dat voor de twee openstaande schulden een betalingsregeling is getroffen. Ten aanzien van de boedelachterstand heeft de beschermingsbewindvoerder een voorstel gedaan om de looptijd met twee jaar te verlengen zodat schuldenares de boedelachterstand kan inlopen. De beschermingsbewindvoerder heeft desgevraagd verklaard dat hierbij is uitgegaan van een netto inkomen van € 2.000,- per maand en dat er geen afdrachtplicht is gedurende de verlengde looptijd. Ook de beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat schuldenares wordt overvraagd in de huidige situatie.

3 De beoordeling

De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van ruim € 480.000,- niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen.

De rechtbank oordeelt dat schuldenares toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van meerdere verplichtingen en overweegt daartoe als volgt. Schuldenares heeft allereerst onvoldoende aantoonbaar gesolliciteerd. Dit beslaat de periode van oktober 2015 tot en met juni 2016, derhalve negen maanden. Vanaf juli 2016 heeft zij een Ziektewetuitkering. Schuldenares had in voornoemde periode geen fulltime baan. Niet gesteld of gebleken is dat ze in die periode niet kon werken.

Uit de (schriftelijke) verklaringen van de beschermingsbewindvoerder blijkt voorts dat er op dit moment twee nieuwe schulden zijn: Stichting Vestia voor € 1.057,85 en VGZ voor
€ 1.299,53. In beide gevallen is een betalingsregeling getroffen voor € 25,- per maand. Met deze betalingsregelingen zijn de betreffende vorderingen echter niet binnen de reguliere of een eventueel verlengde looptijd ingelost.

Schuldenares heeft verder, behoudens een betaling in oktober 2016, nimmer aan de boedel afgedragen. Thans is er een boedelachterstand van bijna € 12.000,-. In haar plan van aanpak van 27 december 2016 heeft de beschermingsbewindvoerder voorgesteld om de looptijd met twee jaar te verlengen, zodat schuldenares de achterstand kan inlopen. Hierbij is echter wel door de beschermingsbewindvoerder aangetekend dat het volledig inlopen alleen mogelijk is als in ieder geval de afdrachtplicht komt te vervallen en schuldenares een netto inkomen heeft van € 2.000,-. Ter zitting is verklaard dat schuldenares thans een netto inkomen heeft van € 1.881,- inclusief vakantiegeld. Deze uitkering duurt maximaal twee jaar (tot en met juli 2018) en mocht schuldenares daarna nog altijd arbeidsongeschikt worden geacht en overgaan naar een WIA-uitkering dan zal haar inkomen lager worden dan het huidige inkomen. Dit heeft de beschermingsbewindvoerder ook bevestigd. Het is dus nog allerminst zeker dat het inlopen van de boedelachterstand haalbaar is, nog daargelaten of bij een eventuele verlenging de afdrachtplicht (en de overige verplichtingen) komen te vervallen. Uitgangspunt is namelijk dat alle verplichtingen in stand blijven, temeer nu er sprake is van meerdere tekortkomingen. Immers, zeker als er sprake is van een verlenging van de looptijd in verband met het niet nakomen van de sollicitatieplicht, dan blijft ook de reguliere afdrachtplicht in stand. In casu zou dat om negen maanden gaan en in die periode heeft schuldenares dus geen ruimte om naast reguliere afdracht ook op de achterstand af te betalen. Dat betekent dat schuldenares vervolgens nog maar vijftien maanden heeft om de achterstand in te lopen. In dat geval is het niet mogelijk om de achterstand volledig te voldoen, zeker niet nu schuldenares heeft opgemerkt dat zij geen enkel zicht heeft op herstel binnen afzienbare tijd, zodat een vooruitzicht op een maandelijks netto inkomen van
€ 2.000,- ook niet reëel is.

Dat bovengenoemde tekortkomingen schuldenares niet te verwijten zijn, is onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat schuldenares, in elk geval na het verhoor door de rechter-commissaris op 3 juli 2015 en de vorige behandeling van deze voordracht tot tussentijdse beëindiging op 23 juni 2016, van de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling goed op de hoogte moet zijn geweest. Dat schuldenares niet eerder een definitieve berekening van het vrij te laten bedrag heeft ontvangen doet niet af aan het feit dat schuldenares ook op grond van het voorlopige vrij te laten bedrag had kunnen afdragen aan de boedel. Dat ze echter eerst de definitieve berekening van de bewindvoerder wilde afwachten, moet voor haar eigen risico blijven. De rechtbank acht het volkomen onbegrijpelijk dat schuldenares helemaal niets heeft gereserveerd voor haar schuldeisers. Ze had in ieder geval na de vorige zitting van 23 juni 2016 al een start kunnen maken met het inlopen van de achterstand om haar saneringsgezindheid te tonen. Dit heeft ze evenwel niet gedaan. Dat ze verder conform het tussenvonnis beschermingsbewind heeft geregeld maakt het bovenstaande ook niet anders. Het beschermingsbewind was onder meer bedoeld om schuldenares op (financieel) administratief vlak te ondersteunen en om te onderzoeken in hoeverre de boedelachterstand kon worden ingelopen.

Nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat schuldenares de achterstand en de nieuwe schulden gedurende een maximale verlenging van de schuldsaneringsregeling kan inlopen, zal de rechtbank het verzoek namens schuldenares om de looptijd te verlengen afwijzen.

De toepassing van de schuldsaneringsregeling zal, gelet op het voorgaande, worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c en d, Faillissementswet (hierna: Fw).

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.

4 De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal
€ 2.787,28;

Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. de Winkel, rechter, en in aanwezigheid van N. van Gaans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2017.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.