Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:3052

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
08-05-2017
Zaaknummer
TUL 10/811224-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer TUL: 10/811224-15

Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak tegen de veroordeelde

[naam veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,

ingevolge een beslissing op grond van artikel 14fa van het Wetboek van Strafrecht

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Oosterhoek te Grave,

raadsvrouw mr. H. Selçuk, advocaat te Breda.

Vordering

Op 15 maart 2017 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam d.d. 27 oktober 2016 aan de veroordeelde in voorwaardelijke vorm opgelegde strafdeel.

Bij de vordering zijn overgelegd de rapporten d.d. 14 februari 2017 en 9 maart 2017 van Reclassering Nederland (hierna ook: de reclassering).

Feiten

Bij voornoemd vonnis, dat onherroepelijk is geworden, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest. Daarbij is met vaststelling van een proeftijd van 2 jaren bepaald dat een gedeelte van deze straf, groot 8 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de veroordeelde de gestelde algemene en bijzondere voorwaarden niet naleeft. Als bijzondere voorwaarden zijn gesteld:

1. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zat zich onthouden van het gebruik van verdovende middelen/alcohol, onder de verplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek en/of urineonderzoek, gedurende de proeftijd;

3. de veroordeelde zal zich voor behandeling van zijn problematiek klinisch laten opnemen in de IFZ geïndiceerde klinische setting [naam instelling 1] , althans een soortgelijke instelling, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling worden gegeven, gedurende acht weken, of zoveel korter als de (geneesheer-) directeur van die instelling verantwoord vindt;

4. de veroordeelde zal zich aansluitend aan de klinische opname onder ambulante behandeling stellen van een forensische polikliniek voor zijn problematiek, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de forensische polikliniek verantwoord vindt;

5. de veroordeelde zal aansluitend verblijven in de instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang, of een soortgelijke instelling, en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de directeur van die instelling

verantwoord vindt;

6. de veroordeelde zal zich inzetten voor een adequate dagbesteding voor meerdere dagen per week, welke dagbesteding is goedgekeurd door de reclassering.

Bij het vonnis is bevolen dat de onder 1, 2 en 3 genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde reclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Op 9 maart 2017 is de veroordeelde op de voet van artikel 14fa, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aangehouden. De rechter-commissaris in deze rechtbank heeft op vordering van de officier van justitie de voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf bevolen.

Procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 29 maart 2017. De officier van justitie mr. C.J.A. de Bruijn, de veroordeelde en de raadsvrouw zijn gehoord. Voorts is als deskundige gehoord [naam deskundige] , als reclasseringswerker verbonden aan voornoemde reclasseringsinstelling.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft op de terechtzitting haar vordering mondeling gewijzigd in die zin dat thans door haar wordt gevorderd dat een deel groot 2 maanden van het voorwaardelijk deel van 8 maanden van de bij voormeld vonnis aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer zal worden gelegd.

Standpunt veroordeelde

Namens de veroordeelde heeft de raadsvrouw zich op de terechtzitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Bevoegdheid

De meervoudige kamer van deze rechtbank is bevoegd van de vordering kennis te nemen, aangezien deze kamer de straf waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevorderd, heeft opgelegd.

Ontvankelijkheid

De proeftijd van 2 jaar is ingegaan op 11 november 2016.

De vordering is ingediend op 15 maart 2017.

De vordering is binnen de proeftijd ingediend.

Het openbaar ministerie is daarom ontvankelijk in de vordering.

Gegrondheid vordering

Het laatstgenoemde rapport van de reclassering van 9 maart 2017 houdt het volgende in.

De veroordeelde is op 3 februari 2017 geplaatst in de [naam instelling 2] . Getracht is een start te maken met de behandeling, maar de veroordeelde weigerde daaraan mee te werken. Op 6 februari 2017 heeft de veroordeelde te kennen gegeven dat hij zijn medewerking opzegt. Hij weigerde zaken als afdelingsregels te tekenen en wilde niet meer met de reclassering in gesprek. Hij weigerde te tekenen omdat de overeenkomst voor drie maanden zou gelden in plaats van de periode van acht weken die in het vonnis is vermeld. Ook nadat hem was gewezen op de consequenties weigerde hij mee te werken met de reclassering.

De behandelaar van de veroordeelde meldde dat de in het vonnis gestelde termijn voor een klinische opname van maximaal 8 weken te kort is om een effectieve behandeling op te starten. Niettemin is gestart met het maken van een delictanalyse en met begeleiding op maatschappelijk gebied zoals het aanvragen van een uitkering en een zorgverzekering. Ook aan deze vorm van begeleiding werkte de veroordeelde niet mee. De veroordeelde had slechts een functioneel contact met de staf en behandelaren. Op 8 februari 2017 is wederom getracht om de samenwerking met de veroordeelde te herstellen. De veroordeelde bleef bij zijn standpunt om niets te tekenen en niet mee te werken aan de behandeling van 8 weken en de activiteiten die door [naam instelling 2] worden aangeboden. Ook tijdens een telefonisch contact op 14 februari 2017, volhardde de veroordeelde in zijn weigering en stelde zich op het standpunt dat behandeling in de [naam instelling 2] geen zin had, omdat er binnen de gestelde 8 weken geen behandeling mogelijk was. Na een weigering van de veroordeelde op 9 maart 2017 om mee te werken aan een urinecontrole ontstond het voornemen om de veroordeelde uit de [naam instelling 2] te zetten. Die situatie werd door de reclassering onwenselijk geacht, omdat de veroordeelde in dat geval wil terugkeren naar zijn ouders, de slachtoffers van het delict waarvoor veroordeelde is veroordeeld.

Een langdurige klinische opname is echter wel noodzakelijk om de kans op recidive te verlagen. Er is contact geweest vanuit de reclassering met diverse klinieken in Nederland, maar geen van deze klinieken bieden een dergelijke behandeling binnen acht weken aan. De gestelde persoonlijkheidsproblematiek is te complex om deze in dermate kort tijdsbestek te behandelen, er kan dan ook geen uitvoering worden gegeven aan de onder 3 in het vonnis opgenomen voorwaarde.

De reclassering vraagt daarom, naast de tenuitvoerlegging, ook om een wijziging van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarde onder 3, in die zin dat de maximale behandelduur wordt gewijzigd in minimaal zes tot twaalf maanden, of zolang de behandelaar het nodig acht, zodat de klinische opname en behandeling bij [naam instelling 1] alsnog kan plaatsvinden.

De deskundige Van der Linden heeft op de terechtzitting verklaard dat getracht is om een vorm van behandeling en begeleiding in te richten binnen de in het vonnis opgenomen termijn van 8 weken, maar dat binnen die termijn een klinische behandeling die nodig is om het recidivegevaar te reduceren niet haalbaar is. De deskundige heeft voorts verklaard dat binnen die termijn wel -alvast- een delictanalyse had kunnen plaatsvinden. Voor inhoudelijke behandeling in [naam instelling 1] zou met het oog op de benodigde duur van die klinische opname een wijziging van de onder 3 in het vonnis opgenomen bijzondere voorwaarde moeten plaatsvinden.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting medegedeeld dat zij geen vordering tot wijziging van een bijzondere voorwaarde heeft gedaan, maar dat zij die alsnog zal indienen wanneer de rechtbank de door haar gevorderde tenuitvoerlegging voor de duur van twee maanden gelast.

De veroordeelde heeft op de terechtzitting -onder meer- verklaard:

Ik was wel bereid om mee te werken aan de voorwaarden en ook wel met de verplichte klinische behandeling, maar niet voor de duur zoals die nu ineens nodig lijkt te zijn. Ik heb daarom geen vertrouwen meer in de reclassering. Ik ga nu niet meer meewerken.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de veroordeelde de hierboven vermelde bijzondere voorwaarden verwijtbaar niet heeft nageleefd.

Er is daarom aanleiding om de tenuitvoerlegging te gelasten van het aan de veroordeelde in voorwaardelijke vorm opgelegde strafdeel.

Niettemin zal de tenuitvoerlegging worden beperkt tot een gedeelte groot 2 maanden.

Het restant van het aan de veroordeelde in voorwaardelijke vorm opgelegde strafdeel zal de verdere duur van de proeftijd boven het hoofd van de veroordeelde blijven hangen.

Beslissing

De rechtbank

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van de bij voormeld vonnis aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf;

beveelt dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 14fa van het Wetboek van Strafrecht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf.

Deze beslissing is genomen door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter,

en mrs. J. de Lange en J. Fransen, rechters,

in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 maart 2017.