Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2871

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
18-04-2017
Zaaknummer
10/661194-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en een terroristisch misdrijf. Veroordeelde heeft onder andere tegen verbalisanten gezegd dat hij explosieven in zijn auto heeft, dat alle blanke Nederlanders dood moeten en dat hij mensen kent die een aanslag kunnen plegen. Ook heeft hij de verbalisanten beledigd door de verbalisanten uit te schelden en één ervan in het gezicht te spugen. Uit de wettekst, de invulling die de wetsgeschiedenis daaraan geeft en de genoemde vaste jurisprudentie wordt met betrekking tot feit 1 afgeleid dat de verdachte het opzet moet hebben gehad dat bij de verbalisanten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat door middel van een misdrijf onder de bevolking grote vrees zou kunnen ontstaan. Voor het antwoord op de vraag of daarvan sprake is zijn niet alleen de bewoordingen op zichzelf bepalend. De woorden zullen moeten worden bezien in de context waarin deze zijn geuit. Dat kan betekenis geven aan de geloofwaardigheid van die uiting.

Door aftrek conform artikel 27 Sr resteert geen te executeren straf. Ook niet indien vordering ex 14g Sr wordt toegewezen (Vgl. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:462). Dit maakt niet dat deze straf niet zou kunnen worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/661194-16

Datum uitspraak: 22 maart 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 maart 2017.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Baars heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, alsmede een taakstraf ter hoogte van 120 uren, eventueel te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Waardering van het bewijs

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken voor de aan hem onder feit 1 en 2 verweten bedreigingen. De verdediging heeft aangevoerd dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de bedreiging in staat moet zijn om grote vrees onder de bevolking te veroorzaken, waarbij de wetgever heeft beklemtoond dat daarvan sprake is indien de bedreiging geloofwaardig is. Volgens de verdediging zijn daarbij naar het oordeel van het Hof (Hof Amsterdam, 31 oktober 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY2559) voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een oogmerk om de bevolking ernstige vrees aan te jagen niet alleen de bewoordingen op zichzelf bepalend, maar zullen deze moeten worden bezien tezamen met de context waarin die woorden zijn geuit. De verdediging stelt dat de marechaussee de woorden van de verdachte wel degelijk serieus nam, maar dat dat in belangrijke mate lijkt te komen door de informatie over de ‘terrorisme signalering’ die ze van tevoren hadden ontvangen. Van die link met terrorisme is in de zaak van de verdachte niets gebleken. Onder die omstandigheden kan de ‘terrorisme-signalering’, die dus kennelijk in belangrijke mate ten grondslag lag aan het serieus nemen van de woorden van de verdachte, niet aan de verdachte worden tegengeworpen. In het verlengde hiervan was er ook geen sprake van serieus te nemen andere bedreigingen.

Vooropstelling

Bij de beoordeling van het verweer wordt het volgende vooropgesteld.

- Artikel 285, derde lid luidt:

Bedreiging met een terroristisch misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie

- De Memorie van Toelichting bij de Wet terroristische misdrijven vermeldt over het bepaalde in artikel 285, derde lid, Sr (Kamerstukken II 2001-2002, 28 463, nr. 3, p. 10):

‘Een (…) delictsomschrijving waarin geen terroristisch oogmerk voorkomt, betreft het voorgestelde artikel 285, derde lid, Sr. Daarin is de bedreiging met een terroristisch misdrijf strafbaar gesteld. Te denken valt bijvoorbeeld aan de dreiging met een aanslag op een brug of een kerncentrale. Ook dergelijke bedreigingen kunnen, indien zij geloofwaardig zijn, grote vrees onder de bevolking veroorzaken.’

- Volgens vaste jurisprudentie is van bedreiging sprake indien de uiting ‘van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in

redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee wordt gedreigd zich zal verwezenlijken.’

Uit de wettekst, de invulling die de wetsgeschiedenis daaraan geeft en de genoemde vaste jurisprudentie wordt met betrekking tot feit 1 afgeleid dat de verdachte het opzet moet hebben gehad dat bij de verbalisanten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat door middel van een misdrijf onder de bevolking grote vrees zou kunnen ontstaan. Voor het antwoord op de vraag of daarvan sprake is zijn niet alleen de bewoordingen op zichzelf bepalend. De woorden zullen moeten worden bezien in de context waarin deze zijn geuit. Dat kan betekenis geven aan de geloofwaardigheid van die uiting.

Uit de vaste jurisprudentie wordt met betrekking tot feit 1 en 2 afgeleid dat de verdachte het opzet moet hebben gehad dat bij de verbalisanten in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Ook bij deze vormen van bedreiging is de context waarin zij zijn geuit mede van belang.

Beoordeling

Op grond van de bewijsmiddelen kan het volgende worden vastgesteld:

De verdachte heeft op het terrein van de rederij [naam rederij] te Hoek van Holland - onder meer - gezegd dat hij de verbalisanten af zou maken. Hij heeft hierbij het gebaar gemaakt alsof je een tak doormidden breekt en heeft hierbij ‘jullie nekken’ gezegd. Tegen de verbalisanten heeft de verdachte ook gezegd dat alle blanke Nederlanders dood moeten en dat hij mensen zou kennen die een aanslag kunnen plegen. Verder heeft hij gezegd: ‘Als ik Allahu Akbar roep dan bedoel ik dat alle niet-gelovigen dood moeten’ en ‘als ik wil kan ik personen regelen die zich opblazen en jullie doden.’ Daarnaast heeft de verdachte gezegd explosieven en raketten in zijn auto te hebben om de verbalisanten op te blazen. De verbalisanten zijn overgegaan tot gedeeltelijke ontruiming van het terrein.

Onder de uitingen die de verdachte heeft gedaan zitten - rechtstreekse - verwijzingen naar misdrijven waarbij de verbalisanten het leven zouden laten en verwijzingen naar misdrijven die verband houden met de terroristische strijd die op dit moment in een groot deel van de wereld wordt gevoerd. Dat geldt voor sommige uitingen reeds op zichzelf en is voor het samenstel van de uitingen meer dan evident. Deze uitingen zijn daarmee op zichzelf beschouwd al van dien aard dat deze in redelijkheid de vrees voor een terroristisch misdrijf of misdrijf tegen het leven kunnen opwekken. De uitingen zijn bovendien gedaan op het terrein van de [naam rederij] waar op dat moment veel mensen aanwezig waren. Voor de controlerende verbalisanten was het onmogelijk om de uitingen van de verdachte op enige wijze te controleren of te verifiëren. Daarmee strekte het gevaar zich uit over deze grote groep mensen. De hiervoor genoemde vrees bij verbalisanten is hierdoor in redelijkheid substantieel vergroot.

De terrorisme signalering van de verdachte heeft mogelijk de alertheid bij de verbalisanten vergroot en in enige mate bijgedragen aan het verloop van het incident. Er kan echter niet worden gezegd dat de genoemde vrees bij de verbalisanten hierop - voor het grootste deel - kan worden teruggevoerd.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 31 juli 2016 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, [naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en met een terroristisch misdrijf, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend deze personen de woorden toegevoegd:

-"alle blanke Nederlanders moeten dood en alle niet gelovigen moeten

vernietigd worden", en

-"als ik alla akbar zeg dan bedoel ik dat alle niet gelovigen dood moeten",

en

-"ik heb wel mensen die jullie vermoorden door een aanslag te plegen", en

-"alles wat niet moslim is moet dood, hoe dit moet gebeuren hebben jullie de

afgelopen tijd wel in de krant kunnen lezen", en

-"ik ken mensen die zichzelf opblazen om je te doden", en

-"ik heb in mijn auto explosieven en raketten om jullie op te blazen", en

-"alle blanken moeten sterven, wij moslims nemen jullie land over en ruimen

jullie allemaal op";

2.

hij op 31 juli 2016 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

-een gebaar naar [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] gemaakt alsof je iets doormidden breekt, en

-een slaande beweging in de richting van het gezicht van die [naam slachtoffer 1] gemaakt, endaarbij die en/ [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] de

woorden toegevoegd

* "jullie nekken", en * "ik maak je af", en

* "ik maak jullie verbalisanten dood en laat dit doen door mensen";

3.

hij op 31 juli 2016 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, opzettelijk ambtenaren, te weten [naam slachtoffer 1] en

[naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] , allen algemeen

opsporingsambtenaar bij de Koninklijke Marechaussee, gedurende of ter zake van

de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in het openbaar in

hun tegenwoordigheid, mondeling en door een feitelijkheid heeft

beledigd, immers heeft hij, verdachte

-die [naam slachtoffer 1] in het gezicht gespuugd, en

-die [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en/ [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] de woorden

toegevoegd van de strekking: "jullie zijn varkens en klootzakken en

ezels".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met een terroristisch misdrijf, meermalen gepleegd

Feit 2

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Feit 3

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met een terroristisch misdrijf, bedreiging met de dood en een belediging van vier ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee, waarbij de verdachte zelfs één van de ambtenaren in het gezicht heeft gespuugd. De bedreigingen hebben plaats gevonden op het terrein van [naam rederij] in Hoek van Holland, nadat de verdachte met de veerpont vanuit Engeland was aangekomen. Niet alleen heeft dit alles geleid tot gedeeltelijke ontruiming van het terrein en tot uren oponthoud voor de overige reizigers, met alle voorstelbare ongemakken van dien, maar hebben vier verbalisanten voor hun leven en dat van vele anderen gevreesd.

De verdachte heeft met zijn verwijzing naar de terroristische strijd ingespeeld op de gevoelens van angst en onveiligheid die sinds de terroristische aanslagen van de afgelopen jaren de samenleving beheersen. Dergelijke bedreigingen brengen bij het bekend worden daarvan veel maatschappelijke onrust en grote gevoelens van onveiligheid teweeg.

De verdachte heeft daarbij niet aan de gevolgen voor de betrokkenen gedacht, die daar slechts hun werk uitvoerden. Daarnaast zijn de ambtenaren door de beledigingen in hun goede naam en eer aangetast.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 februari 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een bedreiging van een ambtenaar.

Reclasseringsrapport

Reclassering Nederland, afdeling reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 9 januari 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte heeft vanwege zijn persoonlijkheidsproblematiek behandeling en begeleiding nodig om het recidiverisico, dat als hoog wordt ingeschat, te verlagen. Daarbij wordt meer effect verwacht als hij een stok achter de deur krijgt, in de vorm van een behandeling die aan hem is opgelegd.

Indien verdachte schuldig wordt bevonden, wordt geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierbij worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd: een meldplicht en een behandelverplichting in de vorm van een ambulante behandeling.

Psychologisch onderzoek

Psycholoog [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 21 november 2016. Dit rapport houdt het volgende in.

Er is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van narcistische persoonlijkheidstrekken. Er is geen sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens heeft de gedragskeuzes en gedragingen van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed (indien bewezen). De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens heeft vooral in het feit van in het gezicht spugen van de ambtenaar een rol gespeeld en de onderzoeker adviseert om op grond van de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van betrokkene hem dat feit in verminderde mate toe te rekenen. De narcistische persoonlijkheidstrekken maken dat betrokkene een verhoogde krenkbaarheid heeft en dat hij autoriteitsproblemen heeft. Mocht betrokkene geen passende behandeling krijgen, dan wordt de recidivekans (voor het ten laste gelegde feit wat hij bekent), zeker op lange termijn, ingeschat als verhoogd. Indien betrokkene schuldig wordt bevonden wordt er een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf geadviseerd met de bijzondere voorwaarde: een behandeling bij [naam instelling] voor het verbeteren van spannings- en agressieregulatie.

Conclusies van de rechtbank

De verdachte zal gelet op het rapport van de psycholoog als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Gezien de ernst van de feiten kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verminderde toerekenbaarheid en de overige conclusies van de psycholoog leiden tot de conclusie dat de noodzaak van behandeling op dit moment groter is dan vergelding. Een deel van de voorgenomen gevangenisstraf zal dan ook voorwaardelijk worden opgelegd, met de voorwaarden die hierna worden genoemd.

Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf in het algemeen en bij het voorwaardelijk deel daarvan in het bijzonder is in ogenschouw genomen dat door de aftrek conform artikel 27 Sr er geen te executeren straf resteert. Ook niet indien de opgelegde voorwaarden niet worden nagekomen en een vordering ex 14g Sr wordt gedaan en toegewezen (Vgl. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:462). Dit maakt niet dat deze straf niet zou kunnen worden opgelegd. Het is aan de verdachte zelf of hij de voorwaarden zal nakomen of niet. Het vonnis biedt hem op deze wijze in ieder geval de mogelijkheid een eventuele behandeling bij [naam instelling] , interculturele psychiatrie te volgen. Op de zitting stond de verdachte positief tegenover deze behandeling.

Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

Vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 2] ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 500,-- aan immateriële schade.

Standpunt officier van justitie
De officier van justitie eist gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, omdat de vordering voldoende is onderbouwd door de benadeelde partij. Tevens eist de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering steunt op de informatie van de Nationale Politie dat de bedreigingen van de verdachte serieus genomen moesten worden. Nu, volgens de verdediging, die informatie niet aan cliënt kan worden tegengeworpen, levert onder die omstandigheden de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces op. De verdediging verzoekt dan ook de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

Beoordeling

Uit de toelichting bij de vordering van de benadeelde partij blijkt dat de bedreigingen van de verdachte de benadeelde partij diep geraakt hebben, mede omdat uit informatie van de Nationale politie bleek dat de bedreigingen serieus moesten worden genomen. Niet valt te lezen dat de benadeelde partij zijn vordering enkel of in overwegende mate op die informatie heeft gebaseerd. Integendeel, hij benoemt nog een aantal andere factoren die hebben meegespeeld. Op basis daarvan valt niet in te zien waarom de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Het verweer wordt verworpen.

Vast is komen te staan dat de verdachte de benadeelde partij heeft bedreigd en beledigd. Daarmee staat tevens vast dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij. De verdachte is aansprakelijk voor de door de benadeelde partij als gevolg van dat onrechtmatig handelen geleden schade. De benadeelde partij heeft aan de hand van een verklaring voorts voldoende onderbouwd gesteld dat hij immateriële schade heeft geleden doordat hij aan de bedreiging een onveilig gevoel op straat heeft overgehouden en heeft te kampen gehad met slaapproblemen. Die immateriële schade is door de verdachte ook niet gemotiveerd betwist.

De door de benadeelde partij geleden immateriële schade wordt door de rechtbank naar maatstaven van billijkheid begroot op € 300,--, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 31 juli 2016, de dag van het onrechtmatig handelen door de verdachte.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 300,--.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zevenenveertig (47) dagen;

bepaalt van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zevenentwintig (27) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden:

de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, afdeling reclassering, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen bij [naam instelling] , interculturele psychiatrie, of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, na ingang van de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de instelling/behandelaar verantwoord vindt;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 300,-- te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 300,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 300,-- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 6 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. F.W. van Lottum en L. Daum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Ihataren en E.L. Vedder, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 maart 2017.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 31 juli 2016 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, in

elk geval in Nederland, [naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met een

terroristisch misdrijf, immers heeft verdachte opzettelijk ten overstaan van één of meer

opsporingsambten(a)r(en) van de Koninklijke Marechausee voornoemd(e) onbekend

gebleven perso(o)n(en) dreigend de woorden toegevoegd:

-"alle blanke Nederlanders moeten dood en alle niet gelovigen moeten

vernietigd worden", en/of

-"als ik alla akbar zeg dan bedoel ik dat alle niet gelovigen dood moeten",

en/of

-"ik heb wel mensen die jullie vermoorden door een aanslag te plegen", en/of

-"alles wat niet moslim is moet dood, hoe dit moet gebeuren hebben jullie de

afgelopen tijd wel in de krant kunnen lezen", en/of

-"ik ken mensen die zichzelf opblazen om je te doden", en/of

-"ik heb in mijn auto explosieven en raketten om jullie op te blazen", en/of

-"alle blanken moeten sterven, wij moslims nemen jullie land over en ruimen

jullie allemaal op";

artikel 285 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 31 juli 2016 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, in

elk geval in Nederland, [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

-een gebaar naar die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4]

gemaakt alsof je iets doormidden breekt, en/of

-een slaande beweging in de richting van het gezicht van die [naam slachtoffer 1]

gemaakt, en/of

-daarbij die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] (de)

woorden toegevoegd (van de strekking):

* "jullie nekken", en/of

* "ik maak je af", en/of

* "ik maak jullie verbalisanten dood en laat dit doen door mensen";

artikel 285 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 31 juli 2016 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, in

elk geval in Nederland,

opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), te weten [naam slachtoffer 1] en/of

[naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] , allen algemeen

opsporingsambtenaar bij de Koninklijke Marechaussee, gedurende of ter zake van

de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in het openbaar in

zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling en/of door een feitelijkheid heeft

beledigd, immers heeft hij, verdachte

-die [naam slachtoffer 1] in het gezicht gespuugd, en/of

-die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] (de) woorden

toegevoegd (van de strekking): "jullie zijn varkens en/of klootzakken en/of

ezels";

artikel 266/267 van het Wetboek van Strafrecht