Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2839

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-04-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
5267708 / CV EXPL 16-31517
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfscao. Aanbod tot aanvullende voorwaarden aan werknemers. Strijd met artikel 12 Wet CAO. Toepassing artikel 6:248 lid 2 BW.

Wetsverwijzingen
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 12
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2222
PJ 2017/85
JAR 2017/147
AR-Updates.nl 2017-0525
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5267708 / CV EXPL 16-31517

uitspraak: 14 april 2017

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CNV Vakmensen.nl,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.T. Chinnoe te Utrecht,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Federatie Nederlandse Vakbeweging,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigden: mr. M.J.M. Postma en mr. C.C. Wijburg te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap

APM Terminals Maasvlakte II B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.H. Even te Rotterdam.

Partijen worden hierna afzonderlijk “CNV”, “FNV” en “APMT MVII” genoemd. CNV en FNV worden gezamenlijk “de vakbonden” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de inhoud van de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 21 juli 2016, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het vonnis van 28 november 2016 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- de brief van de gemachtigde van APMT MVII van 31 januari 2017, met een productie;

- de brief van de gemachtigde van APMT MVII van 2 februari 2017, met producties

- de brief van de gemachtigde van CNV van 7 februari 2017, met producties;

- de ter gelegenheid van de op 17 februari 2017 gehouden comparitie van partijen overgelegde aantekeningen en (pleit)notities van de gemachtigden van partijen.

1.2

Bij deze rechtbank is tevens aanhangig een procedure met zaaknummer

5278337 / CV EXPL 16-32305, waarin CNV en FNV als eiseressen optreden en APM

Terminals Rotterdam B.V. (hierna: APMTR) als gedaagde.

1.3

Het vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1

APMT MVII houdt zich bezig met de ontwikkeling en de commerciële exploitatie van een containerterminal op Maasvlakte-2. De activiteiten bestaan uit laad-, los- en overslagactiviteiten voor de zeevaart. APMTR is een zusteronderneming die een containerterminal exploiteert op Maasvlakte-1.

2.2

De werknemers van APMT MVII vallen onder de bedrijfscao die APMT MVII heeft gesloten met de vakbonden en die loopt van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 (hierna: de CAO).

2.3

In de CAO is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Artikel 3: Karakter van de CAO

Dit is een standaard CAO. Dit betekent dat niet in voor de werknemer gunstige zin of ongunstige zin van de inhoud van de bepalingen mag worden afgeweken.

Artikel 4: Vaststelling van de loon- en arbeidsvoorwaarden


De loon- en arbeidsvoorwaarden voor de werknemers zijn vastgesteld gelijk omschreven in de artikelen van deze overeenkomst, alsmede de aan deze overeenkomst gehechte en – overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 van deze CAO – alsnog te hechten bijlagen, welke door partijen zijn gewaarmerkt.

Artikel 5: Aanvullingen en wijzigingen van de loon- en arbeidsvoorwaarden

Partijen keuren bij voorbaat goed dat loon- en arbeidsvoorwaarden, welke na ondertekening van deze overeenkomst tussen partijen mochten worden overeengekomen, alsnog aan deze overeenkomst zullen worden gehecht.

Bij tussentijdse wijziging of aanvulling ten gevolge van algemeen overleg over de in deze overeenkomst genoemde en door partijen gewaarmerkte loon- en arbeidsvoorwaarden, zullen deze gewijzigde of nieuwe loon- en arbeidsvoorwaarden eveneens aan deze overeenkomst worden gehecht en door partijen worden gewaarmerkt.

Deze overeenkomt blijft overigens onveranderd van kracht.

Artikel 6: Buitengewone veranderingen in de algemeen sociaaleconomische verhoudingen

In geval van buitengewone veranderingen in de algemeen sociaaleconomische verhoudingen in Nederland en/of wijzigingen in de loon- en prijspolitiek van de regering zijn zowel de werkgever als de vakorganisaties gerechtigd tijdens de duur van de overeenkomst wijzigingen van de overeenkomst, welke met deze veranderingen in direct verband staan, aan de orde te stellen.

Partijen zijn in deze gevallen verplicht de aan de orde gestelde voorstellen in behandeling te nemen. (…)

Artikel 8: Verplichtingen van de werkgever

De werkgever verbindt zich tegenover de vakorganisaties de werknemers op geen andere voorwaarden arbeid te laten verrichten dan de in artikel 4 van deze CAO genoemde. (…)”

2.4

In februari 2015 is op initiatief van het Havenbedrijf Rotterdam het Sociaal Overleg Containersector (hierna: het sectoraal overleg) gestart met als deelnemers de werkgevers in de sector, waaronder APMT MVII en APMTR, de vakbonden en het Havenbedrijf zelf. Het doel van het sectoraal overleg was om te komen tot gezamenlijke afspraken met betrekking tot de (toekomstige) werkgelegenheid in de sector. Begin november 2015 is het sectoraal overleg vastgelopen, waarna de vakbonden eind van die maand een voorultimatum bij de betrokken werkgevers hebben neergelegd.

2.5

Naar aanleiding van het ontvangen voorultimatum heeft APMTR de vakbonden uitgenodigd voor een gesprek op 2 december 2015. Hierop hebben de vakbonden bij brieven van 1 december 2015 laten weten dat zij niet op de uitnodiging ingaan, omdat zij – kort gezegd – sectorale oplossingen willen.

2.6

Door de werkgevers is op 11 december 2015 in het kader van het sectoraal overleg een tegenvoorstel gedaan. De vakbonden hebben dit voorstel niet geaccepteerd. Bij brieven van

31 december 2015 hebben zij vervolgens een ultimatum gesteld aan de werkgevers, met de aankondiging van collectieve acties als daarmee niet uiterlijk 6 januari 2016 om 12:00 uur akkoord zou worden gegaan.

2.7

Bij brief van 31 december 2015 heeft APMT MVII de vakbonden uitgenodigd voor een bespreking op 6 januari 2016 om 9:00 uur en daarbij het volgende bericht: “ (…) Wij hebben u recentelijk al uitgenodigd voor het voeren van overleg, te weten op 2 december 2015 welk overleg u heeft afgeslagen. U hebt aangegeven dat u uitsluitend sectorbreed wilt overleggen ondanks het feit dat wij met u een rechtstreekse relatie hebben. (…) Wij zijn van mening dat wij met elkaar in gesprek moeten blijven om op bedrijfsniveau een oplossing te zoeken. In aansluiting op de vorige uitnodiging gaan wij daarom graag met u in gesprek over de items die spelen. (…) ” In reactie hierop heeft de CNV het volgende laten weten: “(…) Een gesprek op bedrijfsniveau kan altijd zinvol zijn, maar in reactie op ons ultimatum is dit niet aan de orde; voor ons bestaat er in deze slechts één overlegorgaan namelijk: het Sociaal Overleg/ Sociale Dialoog Containersector. (…)

2.8

APMT MVII heeft de vakbonden bij e-mail van 5 januari 2016 nogmaals uitgenodigd voor “het voeren van technisch overleg op woensdag 6 januari 2016 om 11:00 uur”. Op deze uitnodiging zijn de vakbonden niet ingegaan, waarop APMT MVII vervolgens op 6 januari 2016 de volgende e-mail aan ze heeft gestuurd: “Graag nodigen wij jullie uit voor een bijeenkomst op donderdag 7 januari 2016 om 8:30 uur in Hotel van der Valk te Ridderkerk om jullie te consulteren over afspraken die de directie van APMT MVII voornemens is te maken met haar ondernemingsraad.

2.9

CNV heeft als volgt gereageerd: “(…) Ik lees je uitnodiging als een uitnodiging aan de betrokken vakbondsbestuurder bij de CAO APMTR als sociale partner. In dat kader gaan wij graag in op je uitnodiging tot een consultatiegesprek, nu je in genoemde hoedanigheid blijkbaar graag iets met ons wilt bespreken / ons wilt consulteren. (…) Graag zien wij een datumprikker tegemoet om met elkaar tot een datum te komen om uw gewenste consultatiegesprek te kunnen voeren. ” Door het FNV is bij brief van 7 januari 2016 de volgende reactie gegeven: “(…) Als reactie op ons ultimatum van 31 december 2015 heeft u ons op 4 januari en 6 januari 2016 wederom uitgenodigd voor overleg. Wij hebben u naar aanleiding van beide brieven gevraagd of u in dit overleg op de eisen van ons ultimatum zou willen ingaan. Dit heeft u niet kenbaar willen maken. (…) Eventuele acties kunt u voorkomen door alsnog samen met de andere werkgevers en het Rotterdams Havenbedrijf op de eisen in te gaan zoals geformuleerd in ons ultimatum van 31 december 2015. Vanzelfsprekend zijn wij niet gebonden aan eventuele afspraken die u met uw ondernemingsraad maakt, noch kunnen dergelijke afspraken gezien worden als tegemoetkoming aan onze eisen.

2.10

Op 6 januari 2016 heeft APMTR een ‘Akkoord Werkgelegenheid APMT Rotterdam BV’ (hierna: het Akkoord) gesloten met de ondernemingsraad met betrekking tot de werkgelegenheidsgarantie, schadeloosstelling bij boventalligheid, uitbreiding van de Senioren Fit regeling en een vergoeding indien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wordt verlengd.

2.11

Op 8 januari 2016 heeft APMT MVII naar aanleiding van het Akkoord een aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst (hierna: de Aanvulling) opgesteld en deze naar alle werknemers verzonden, met het verzoek bij akkoord de Aanvulling te ondertekenen en retour te zenden aan APMT MVII. In de Aanvulling is het volgende vermeld:

Als aanvulling op uw individuele arbeidsovereenkomst met APM Terminals Maasvlakte II B.V. (APMT MVII) gelden de onderstaande voorwaarden:

1. APMT MVII garandeert de werkgelegenheid en bijbehorend inkomen tot 1 juli 2020 voor u, indien u op 1 december 2015 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met APMT MVII heeft. Deze garantie geldt niet voor een ontslag op grond van andere redenen dan om bedrijfseconomische of organisatorische redenen.

2. Introductie van een Senioren Haven FIT regeling voor een periode van 5 jaar, waarbij oudere medewerkers minder werken dan ze betaald krijgen. De regeling biedt toetreding per 1 juli 2016 voor de medewerkers met geboortejaar 1952-1953-1954-1955-1956.

Indien u geboren bent in één van deze jaren, kunt u vanaf de leeftijd van 60 jaar, gedurende maximaal 5 jaar 60% werken tegen betaling van 95% van het loon en met behoud van 100% pensioenopbouw.

Indien u met ingang van 01 juli 2016 of later gaat deelnemen aan de Senioren Haven FIT regeling geldt een eenmalige extra dienstjarenpremie van € 5.000 bruto. Als voorwaarde geldt dat u aansluitend aan de periode van gebruikmaking aan de (uitgebreide) Senioren Haven FIT regeling uiterlijk op uw 65-jarige leeftijd met pensioen gaat. De mogelijke toetreding tot deze uitgebreide Senioren Haven FIT regeling geldt tot 1 juli 2020. Indien u in de periode van 1 juli 2016 tot 1 juli 2020 gebruik bent gaan maken van de uitgebreide Senioren Haven FIT regeling kan u onder de geldende voorwaarden gebruik blijven maken van deze regeling tot het moment van pensionering.

3. Indien u behoort tot de doelgroep introduceren wij voor u een regeling Compensatie Pensioenen volgens voorstel zoals dat eerder door de vakorganisaties is gedaan, waarbij er gekeken is naar het aantal dienstjaren dat men bij APMTR heeft gewerkt en dit als uitgangspunt wordt genomen voor de te compenseren periode bij APMT MVII. Indien u behoort tot de doelgroep van deze regeling heeft u daar in oktober 2015 een bevestigingsbrief van gehad.

Op basis van het tekort in opgebouwd pensioenkapitaal bedraagt de maximale vergoeding per jaar €4.000,- bruto waarbij de uitkeringsduur gelijk is aan de lengte van het dienstverband bij APMTR.

- Het dienstverband beperkt zich tot de APMTR diensttijd. Voorafgaande diensttijd binnen de APMM

groep telt niet mee.

- Maximale uitkeringsduur is tot de 65 jarige leeftijd.

- Bij beëindiging van het dienstverband met APMT MVII stopt de uitkering.

Voor afronding zal er opnieuw met de vakorganisaties in overleg worden getreden.

2.12

Bij brieven van 11 januari 2016 hebben de vakbonden APMT MVII erop gewezen dat zij met het aanbieden van de Aanvulling de CAO niet naleeft en hebben zij APMT MVII verzocht dit aanbod aan haar werknemers in te trekken. Hierop heeft een correspondentiewisseling tussen partijen plaatsgevonden en op initiatief van APMT MVII een overleg op 21 januari 2016. Op een daaropvolgende uitnodiging voor een overleg op 27 januari 2016 hebben de vakbonden als volgt gereageerd: “(…) Wij hebben u aangegeven dat wij met u aanvullende afspraken willen maken, indien nodig, nadat wij sectoraal afspraken hebben gemaakt. Dat wij daartoe graag van u voorstellen ontvangen zodat wij deze ordentelijk met onze leden kunnen bespreken en t.z.t. met u inhoudelijk kunnen bespreken. Wij melden nog maar eens ten overvloede dat wij niet bereid zijn om het container sectoroverleg te ondermijnen door op bedrijfsniveau aparte afspraken te maken ten aanzien van “mogelijk” dezelfde onderwerpen die in het sectoraal overleg aan de orde zijn. (…) Wel zijn wij bereid met u als Cao partij verkennend / informeel te overleggen op de door u aangegeven datum over de huidige situatie in het container sectoroverleg, uw aanbod aan individuele medewerkers en de motivatie uwerzijds waarom u denkt de Cao te mogen schenden. (…) ”

2.13

Op 19 februari 2016 hebben de vakbonden APMT MVII in kort geding gedagvaard en (samengevat) gevorderd een verbod om aan haar werknemers voor te stellen de Aanvulling te ondertekenen. Bij vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 6 april 2016 is de vordering van de vakbonden in al haar onderdelen afgewezen.

2.14

De werkgevers, de vakbonden en het Havenbedrijf Rotterdam hebben op 5 juli 2016 overeenstemming bereikt over het Werkzekerheidsakkoord containersector Rotterdam (hierna: het Werkzekerheidsakkoord). Hierin zijn onder meer afspraken vastgelegd over een werkgelegenheidsgarantie, een uitbreiding van de Senioren Haven Fitregeling en behoedzaam personeelsbeleid. Het Werkzekerheidsakkoord, dat 10 oktober 2016 is ondertekend, is aangegaan onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een positief oordeel van de ACM.

3 Het geschil

3.1

De vakbonden hebben gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. te verklaren voor recht dat de door APMT MVII met haar werknemers overeengekomen dan wel over een te komen aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst in strijd is met de CAO APMT MVII en daarom nietig is;

B. APMT MVII te verbieden om aan haar werknemers voor te stellen om de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 8 januari 2016 te ondertekenen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per keer dat APMT MVII na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis dit verbod overtreedt;

C. APMT MVII te bevelen om aan de werknemers, die haar voorstel om de aanvulling op de arbeidsovereenkomst d.d. 8januari 2016 hebben ontvangen, maar die de aan hen gezonden aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst nog niet hebben ondertekend, per brief te berichten dat het aanbod tot het aangaan van de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst wordt ingetrokken en dat zij aan hen niet heeft mogen voorstellen om de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 8 januari 2016 te ondertekenen, omdat zulks in strijd met de geldende cao is, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag, een gedeelte van een dag tot het geheel rekenend, dat APMT MVII na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis nalaat aan dit bevel te voldoen;

D. APMT MVII te bevelen om aan de werknemers, die de aan hen gezonden aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 8 januari 2016 al wel hebben ondertekend, per brief te berichten dat zij aan hen niet heeft mogen voorstellen om de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 8 januari 2016 te ondertekenen, omdat zulks in strijd met de geldende cao is en dus nietig, dat hetgeen in de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 8 januari 2016 staat niet geldt en dat de werknemers die getekend hebben aan de overeengekomen aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst geen rechten kunnen ontlenen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag, een gedeelte van een dag tot het geheel rekenend, dat APMT MVII na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis nalaat aan dit bevel te voldoen;

E. APMT MVII te bevelen dat zij in het door haar periodiek aan de werknemers te verstrekken nieuwsbulletin bericht dat:

- de aangeboden aanvulling op de arbeidsovereenkomst nietig is vanwege strijdigheid met de geldende cao en nooit aanboden had mogen worden;

- het aanbod voor zover niet reeds getekend, ingetrokken wordt;

- reeds ondertekende aanvullingen op de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig zijn overeengekomen en in plaats daarvan de geldende cao van toepassing is;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00voor iedere dag, een gedeelte van een dag tot het geheel rekenend, dat APMT MVII na betekening van dit vonnis nalaat aan dit bevel te voldoen;

F. APMT MVII te veroordelen tot betaling van:

- aan ieder van de vakbonden een bedrag van € 10.000,00 aan schadevergoeding in de zin van artikel 15 en 16 wet CAO, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

- aan ieder van de vakbonden een bedrag van € 5.000,00 aan vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding;

G. APMT MVII te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2

Aan de vordering hebben de vakbonden – kort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Er is volgens artikel 3 van de CAO sprake van een standaard-cao. Afwijking daarvan, in gunstige of ongunstige zin, is niet toegestaan. Enkel arbeidsvoorwaarden die met de vakbonden zijn overeengekomen in de CAO mogen door APMT MVII worden aangeboden aan haar werknemers. Indien andere voorwaarden worden aangeboden, dienen deze te zijn afgesproken met de vakbonden en dat is hier niet het geval. Door een aanvulling op de arbeidsovereenkomst af te spreken met de ondernemingsraad en deze aan de werknemers aan te bieden, heeft APMT MVII in strijd met artikel 3, 4, 5 en 8 van de CAO gehandeld. Die afspraken zijn op de voet van artikel 12 Wet CAO nietig. Dat de vakbonden zich op deze nietigheid beroepen kan niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Het levert evenmin misbruik van bevoegdheid op. De vakbonden hebben een voldoende en eigenstandig belang bij naleving van de CAO. Door de weigering van APMT MVII om de CAO op correcte wijze na te leven, ondervinden de vakbonden schade, die met name bestaat uit het verlies van vertrouwen van de leden in de vakbonden en het verlies van werfkracht ten aanzien van nieuwe leden. Ook hebben zij buitengerechtelijke kosten moeten maken die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.3

APMT MVII heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

4.1

Het meest verstrekkende verweer van APMT MVII is dat de vakbonden geen belang (meer) hebben bij hun vorderingen. Daartoe wordt aangevoerd dat anders dan in de aanloop naar de kort gedingprocedure inmiddels in het kader van het sectoraal overleg het Werkzekerheidsakkoord tot stand is gekomen, zodat dat argument is weggevallen. Meer in het bijzonder hebben de vakbonden volgens APMT MVII geen belang meer om tegen de uitbreiding van de Senioren Fit regeling te protesteren nu deze in lijn is met de regeling uit het Werkzekerheidsakkoord.

4.2

Het verweer wordt verworpen. De vakbonden hebben in het licht van de door hen ingenomen standpunten het belang bij de vorderingen – dat met name ziet op hun eigen positie – meer dan voldoende geconcretiseerd. Hiervoor wordt onder meer redengevend geacht dat is aangegeven dat het gezag en de betrouwbaarheid van de vakbonden wordt aangetast als een CAO niet worden nageleefd, dat als zij dit toestaan zij bij de vaststelling van arbeidsvoorwaarden buitenspel kunnen komen te staan met alle onwenselijke gevolgen van dien en dat andere werkgevers in de containersector niet in de verleiding moeten komen om in navolging van APMT MVII buiten de vakbonden tot aanvullende afspraken met hun werknemers te komen.

4.3

De kantonrechter komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil. De vraag die daarbij voorligt, is of APMT MVII met het afspreken van het Akkoord en het aanbieden van de Aanvulling aan haar werknemers in strijd heeft gehandeld met de CAO.

4.4

Voor de beoordeling van die vraag wordt het volgende juridische kader als uitgangspunt genomen. Artikel 12 Wet CAO bepaalt dat een beding tussen een werkgever en een werknemer, dat strijdig is met een cao, waardoor werkgever en werknemer gebonden zijn, nietig is. Het is toegestaan dat de individuele arbeidsovereenkomst voor de werknemer gunstiger bedingen inhoudt dan de cao, tenzij die cao zogenaamde standaard- of maximumbepalingen bevat. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR

10 december 2004, JAR 2005, 31) zijn bij de uitleg van een cao-bepaling de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst en een eventuele schriftelijke toelichting daarop, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de cao, voor zover deze niet uit de cao-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de cao en de toelichting daarop. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden.

4.5

De vakbonden zijn van mening dat de CAO gelet op het bepaalde in artikel 3 als standaard moet worden aangemerkt en dat daarvan volgens die bepaling in geen enkel opzicht mag worden afgeweken. Door APMT MVII wordt aangevoerd dat in genoemd artikel staat dat niet van de inhoud van de bepalingen mag worden afgeweken, maar dat dat wel kan als het een minimumbepaling betreft. Hoewel aan APMT MVII kan worden toegegeven dat per cao-bepaling moet worden bekeken of deze een standaardkarakter heeft of niet, is de tekst van artikel 3 duidelijk. Daarin is uitdrukkelijk bepaald dat de CAO een standaard-cao is, hetgeen betekent dat niet in voor de werknemer gunstige of ongunstige zin van de inhoud van de bepalingen mag worden afgeweken. In samenhang met (de bewoordingen van) artikel 4, 5 en 8 kan de kantonrechter bezwaarlijk anders concluderen dat APMT MVII met betrekking tot de loon- en arbeidsvoorwaarden van haar werknemers niet in gunstige of ongunstige zin kan afwijken van wat daarover in de CAO is bepaald, tenzij de CAO daartoe ruimte biedt of de wijziging is overeengekomen met de vakbonden.

4.6

Nu het standaardkarakter van de CAO is vastgesteld, dient het volgende geschilpunt zich aan. Dat betreft de vraag of dat ook geldt voor loon- en arbeidsvoorwaarden die niet in de CAO zijn geregeld. Door de vakbonden wordt die vraag bevestigend beantwoord. Onder verwijzing naar een uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2014 (JAR 2014, 202) nemen zij het standpunt in dat het niet zo is dat geen sprake is van een schending van een (standaard)cao als afspraken worden gemaakt over ongeregelde arbeidsvoorwaarden. APMT MVII is een andere mening toegedaan. Daarbij wordt onder meer gewezen op de context van de uitspraak waarop de vakbonden zich beroepen, te weten een algemeen verbindend verklaarde bedrijfstak-cao met als doel het voorkomen van loonconcurrentie. In een dergelijk bijzonder geval is het wellicht nog te billijken dat een cao als uitputtend wordt beschouwd, maar verdient, zo besluit APMT MVII, geen navolging in een geval als dit waarbij het niet gaat om een algemeen verbindende verklaarde bedrijfscao in een andere branche.

4.7

Met APMT MVII wordt de gememoreerde uitspraak niet dusdanig vergelijkbaar geacht dat alleen al om die reden daaraan geen steun kan worden ontleend voor de stellingname van de vakbonden. Ook anderszins wordt die stellingname niet onderschreven. De kantonrechter overweegt dat beantwoording van de vraag of aan de CAO een uitputtend karakter moet worden toegekend, een kwestie is van uitleg aan de hand van de eerdergenoemde door de Hoge Raad geformuleerde norm. De tekst van de artikelen 2, 3, 6 en 9 speelt daarbij dus weer een belangrijke rol. Deze biedt als zodanig geen aanleiding om te concluderen dat de door APMT MVII overeen te komen arbeidsvoorwaarden uitputtend zijn geregeld in de CAO. Voor het overige kan aan de CAO evenmin een dergelijke conclusie worden ontleend. Een uitputtende regeling zou ook niet zonder meer voor de hand liggen, omdat dat in de weg zou staan aan het afspreken van noodzakelijke arbeidsvoorwaarden die niet in de CAO zijn geregeld, waaronder onderwerpen als werklocatie, telefoon, geheimhouding en non-concurrentie. In rechte wordt daarom ervan uitgegaan dat het APMT MVII is toegestaan met haar werknemers arbeidsvoorwaarden overeen te komen die niet in de CAO zijn geregeld.

4.8

In vervolg op wat hiervoor is overwogen, wordt aanleiding gezien om per onderwerp dat bij de Aanvulling is aangeboden, te bespreken of sprake is van strijdigheid met de CAO. Het betreft hier achtereenvolgend drie onderwerpen, te weten een werkgelegenheidsgarantie, een Senioren Haven FIT regeling en een regeling inzake Compensatie Pensioenen. Niet in geschil is dat de eerste twee genoemde onderwerpen in het geheel niet in de CAO is geregeld. Dit betekent dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden vastgesteld dat APMT MVII met dit aanbod niet in strijd handelt met de CAO. De vorderingen van de vakbonden komen om deze reden in zoverre dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

4.9

Ten aanzien van de Compensatie Pensioenen heeft APMT MVII erkend dat daarvoor overleg met de vakbonden is vereist. Met dit aanbod wordt dus inbreuk gemaakt op de CAO. APMT MVII heeft echter betoogd dat het buiten toepassing laten van de Aanvulling leidt tot een resultaat dat op de voet van artikel 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hiertoe wordt onder meer aangedragen dat de vakbonden positief staan en stonden tegenover de aangeboden pensioencompensatie en dat de regeling inmiddels in kannen en kruiken is. Daarnaast is naar voren gebracht dat de werknemers zich in een situatie bevonden waarin op sectorniveau onduidelijk was of en wanneer afspraken tot stand zouden komen, dat dit tot onrust leidde en dat de ondernemingsraad APMTR pas heeft benaderd toen bleek dat de vakbonden niet bereid waren op bedrijfsniveau met APMT MVII en APMTR afspraken te maken.

4.10.

Dat het handhaven van de CAO voor APMT MVII tot onaanvaardbare gevolgen leidt, is met de door haar daartoe genoemde feiten en omstandigheden volgens de vakbonden niet inzichtelijk gemaakt. Het is voor de vakbonden duidelijk dat APMT MVII de Aanvulling niet zozeer heeft aangebonden om onzekerheid bij de werknemers weg te nemen, maar als poging om de aangekondigde stakingen te breken. Verder is aangevoerd dat niet alle uitnodigingen van APMT MVII van de hand zijn gewezen en dat ook overleg heeft plaatsgevonden. De vakbonden hebben, zo wordt benadrukt, echter meer dan eens aangegeven waarom overleg op bedrijfsniveau over toekomstig banenverlies niet wenselijk is in verhouding tot sectoraal overleg. Door de vakbonden is erop gewezen dat de toets van artikel 6:248 lid 2 BW een zware is, waarbij rechterlijke terughoudendheid is geboden. Sterker nog, op zitting is het standpunt bepleit dat als eenmaal het dwingende karakter van een cao-bepaling vaststaat geen plaats meer is voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Daartoe is verwezen naar (de conclusie van AG Hartkamp bij) het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 1998 (NJ 1998, 709) en een citaat uit een niet gepubliceerde uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 januari 2017.

4.11

Om te beginnen kan de kantonrechter de vakbonden in dit laatste standpunt niet volgen. De onderbouwing daarvan overtuigt niet. Uit het aangehaalde arrest en de daarbij behorende conclusie kan niet worden afgeleid dat toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW ingeval van standaard cao-bepalingen onder alle omstandigheden als uitgesloten moet worden beschouwd. Of en in hoeverre een dergelijk oordeel mogelijk wel volgt uit de uitspraak van het hof is op basis van een enkel citaat niet vast te stellen. Doordat het arrest niet is gepubliceerd of overgelegd, kan namelijk de context van dat citaat niet worden beoordeeld. Het had op de weg van de vakbonden gelegen om ervoor zorg te dragen dat in ieder geval kennis kon worden genomen van de uitspraak. Een andere stelling van de vakbonden waaraan voorbij zal worden gegaan, is dat APMT MVII de Aanvulling is aangegaan om de aangekondigde stakingen te breken. Enige concrete aanwijzing daarvoor ontbreekt. Het lijkt erop dat het hier niets anders betreft dan een op gevoel gebaseerd vermoeden of, zoals de vakbonden het zelf hebben verwoord, een boosaardige gedachte. Er wordt daarom van uitgegaan dat APMT MVII met de Aanvulling de intentie heeft gehad om rust bij en voor haar werknemers te creëren.

4.12

Met het voorgaande is vastgesteld dat in een geval als het onderhavige ruimte bestaat voor toepassing van het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW, zodat wordt toegekomen aan de bespreking van het daarop door APMT MVII gedane beroep. Daarbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden meegewogen. Als eerste wordt daartoe in acht genomen dat de vakbonden en APMT MVII als contractspartijen bij de CAO zich ten opzichte van elkaar overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid moeten gedragen en dat vaststaat dat partijen zich tot de aanleiding van onderhavig geschil ook als zodanig hebben opgesteld. In dat kader wordt verder belang gehecht aan het gegeven dat de vakbonden met betrekking tot de voorliggende kwestie, ondanks herhaalde uitnodiging daartoe, vóór 8 januari 2016 nooit met APMT MVII om de tafel zijn gaan zitten, met als belangrijkste argument dat zij sectorbreed tot afspraken wilden komen. Het is de kantonrechter op de zitting niet duidelijk geworden of gemaakt waarom het één het ander zou moeten uitsluiten. Ten derde kan bezwaarlijk voorbij worden gegaan aan de vaststelling dat de aangeboden pensioencompensatie de onweersproken steun had en instemming heeft van de vakbonden. Voor zover de vakbonden hebben gezegd dat zij er niet alleen zijn voor de werknemers van APMT MVII, wordt opgemerkt dat dat in zijn algemeenheid natuurlijk juist is. Het biedt alleen geen begrijpelijke verklaring voor het laten liggen van een mogelijkheid om met het oog op werkgelegenheidsbehoud een toekomstige positieverbetering te realiseren ten behoeve van een specifieke groep werknemers van wie de vakbonden zeggen ook de belangen te behartigen en van wie de werkgever bovendien bereid is daaraan haar medewerking te verlenen.

4.13

Bij dit alles komt, ten slotte, dat sectorbreed, waaronder partijen begrepen, het Werkzekerheidsakkoord tot stand is gekomen. Hiermee is een streep gehaald door het argument van de vakbonden om geen individuele afspraken met APMT MVII te willen maken – wat daarvan verder ook zij – omdat zij een sectorale oplossing voor ogen stonden. Die oplossing is er nu. Dit een en ander in ogenschouw nemend, brengt de kantonrechter tot het oordeel dat het buiten toepassing laten van de Aanvulling voor zover het betreft de pensioencompensatie tot een resultaat zou leiden dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het daarop gerichte beroep van APMT MVII slaagt dan ook.

4.14

Gelet op het voorgaande behoeven de overige onderdelen van de vordering van de vakbonden geen bespreking meer. De slotsom moet dan ook zijn dat de vordering in zijn geheel zal worden afgewezen. De vakbonden zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van APMT MVII begroot op € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x tarief € 400,00). De over deze kosten gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar als gevorderd. De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering in al haar onderdelen af;

veroordeelt de vakbonden in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van APMT MVII vastgesteld op € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening, en indien de vakbonden niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis hebben voldaan, begroot op

€ 131,00 aan nakosten, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.F. Milders en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

568