Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2838

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-04-2017
Datum publicatie
24-04-2017
Zaaknummer
5278337 / CV EXPL 16-32305
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfscao. Aanvullende afspraken tussen werkgever en ondernemingsraad. Strijd met artikel 12 Wet CAO. Toepassing artikel 6:248 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2124
AR-Updates.nl 2017-0523
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5278337 / CV EXPL 16-32305

uitspraak: 14 april 2017

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CNV Vakmensen.nl,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.T. Chinnoe te Utrecht,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Federatie Nederlandse Vakbeweging,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigden: mr. M.J.M. Postma en mr. C.C. Wijburg te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap

APM Terminals Rotterdam B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.E.N. Ploum te Rotterdam.

Partijen worden hierna afzonderlijk “CNV”, “FNV” en “APMTR” genoemd. CNV en FNV worden gezamenlijk “de vakbonden” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de inhoud van de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 21 juli 2016, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het vonnis van 28 november 2016 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- de brief van de gemachtigde van CNV van 7 februari 2017, met producties;

- de brief van de gemachtigde van APMTR van 8 februari 2017, met een productie;

- de ter gelegenheid van de op 17 februari 2017 gehouden comparitie van partijen overgelegde aantekeningen en (pleit)notities van de gemachtigden van partijen.

1.2

Bij deze rechtbank is tevens aanhangig een procedure met zaaknummer

5267708 / CV EXPL 16-31517, waarin CNV en FNV als eiseressen optreden en APM

Terminals Maasvlakte II B.V. (hierna: APMT MVII) als gedaagde.

1.3

Het vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1

APMTR houdt zich bezig met de ontwikkeling en de commerciële exploitatie van een containerterminal. De activiteiten bestaan uit laad-, los- en overslagactiviteiten voor de zeevaart. APM MVII is een zusteronderneming die een containerterminal exploiteert op Maasvlakte-2.

2.2

De werknemers van APMTR vallen onder de bedrijfscao die APMTR heeft gesloten met de vakbonden en die loopt van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017 (hierna: de CAO).

2.3

In de CAO is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Artikel 2: Vaststelling van de loon- en arbeidsvoorwaarden

De loon- en arbeidsvoorwaarden voor de werknemers zijn vastgesteld gelijk omschreven in de artikelen van deze overeenkomst, alsmede de aan deze overeenkomst gehechte en – overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 – alsnog te hechten bijlagen, welke door partijen zijn gewaarmerkt.

Artikel 3: Aanvullingen en wijzigingen van de loon- en arbeidsvoorwaarden

Partijen keuren bij voorbaat goed dat loon- en arbeidsvoorwaarden, welke na ondertekening van deze overeenkomst tussen partijen mochten worden overeengekomen, alsnog aan deze overeenkomst zullen worden gehecht.

Bij tussentijdse wijziging of aanvulling ten gevolge van algemeen overleg over de in deze overeenkomst genoemde en door partijen gewaarmerkte loon- en arbeidsvoorwaarden, zullen deze gewijzigde of nieuwe loon- en arbeidsvoorwaarden eveneens aan deze overeenkomst worden gehecht en door partijen worden gewaarmerkt.

Deze overeenkomt blijft overigens onveranderd van kracht.

Artikel 4:Buitengewone veranderingen in de algemeen sociaal-economische verhoudingen

In geval van buitengewone veranderingen in de algemeen sociaal-economische verhoudingen in Nederland en/of wijzigingen in de loon- en prijspolitiek van de regering zijn zowel ondergetekende onder 1 als ondergetekenden onder 2 gerechtigd tijdens de duur van de overeenkomst wijzigingen van de overeenkomst, welke met deze veranderingen in direct verband staan, aan de orde te stellen.

Partijen zijn in deze gevallen verplicht de aan de orde gestelde voorstellen in behandeling te nemen. (…)

Artikel 6: Verplichtingen van de werkgever

De ondergetekende onder 1 verbindt zich tegenover de ondergetekenden onder 2 de werknemers op geen andere voorwaarden arbeid te laten verrichten dan de in artikel 2 genoemde. (…)

Artikel 7: Verplichtingen van de werknemers

De ondergetekenden onder 2 verbinden zich tegen over ondergetekende onder 1 dat hun leden bij APM Terminals Rotterdam B.V. voor het verrichten van arbeid aan de werkgever geen andere voorwaarden zullen stellen dan de in artikel 2 genoemde en slechts op deze voorwaarden zich voor arbeid bij en voor de werkgever beschikbaar zullen stellen en hun werkzaamheden zullen verrichten. (…)

Artikel 9: Afwijkende regelingen

In bijzondere gevallen kan van deze loon- en arbeidsvoorwaardenregeling worden afgeweken, indien hierover tussen partijen overeenstemming is bereikt.

(...)”

2.4

In februari 2015 is op initiatief van het Havenbedrijf Rotterdam het Sociaal Overleg Containersector (hierna: het sectoraal overleg) gestart met als deelnemers de werkgevers in de sector, waaronder APMTR en APMT MVII, de vakbonden en het Havenbedrijf zelf. Het doel van het sectoraal overleg was om te komen tot gezamenlijke afspraken met betrekking tot de (toekomstige) werkgelegenheid in de sector. Begin november 2015 is het sectoraal overleg vastgelopen, waarna de vakbonden eind van die maand een voorultimatum bij de betrokken werkgevers hebben neergelegd.

2.5

Naar aanleiding van het ontvangen voorultimatum heeft APMTR de vakbonden uitgenodigd voor een gesprek op 2 december 2015. Hierop hebben de vakbonden bij brieven van 1 december 2015 laten weten dat zij niet op de uitnodiging ingaan, omdat zij – kort gezegd – sectorale oplossingen willen.

2.6

Door de werkgevers is op 11 december 2015 in het kader van het sectoraal overleg een tegenvoorstel gedaan. De vakbonden hebben dit voorstel niet geaccepteerd. Bij brieven van

31 december 2015 hebben zij vervolgens een ultimatum gesteld aan de werkgevers, met de aankondiging van collectieve acties als daarmee niet uiterlijk 6 januari 2016 om 12:00 uur akkoord zou worden gegaan.

2.7

Bij brief van 31 december 2015 heeft APMTR de vakbonden uitgenodigd voor een bespreking op 6 januari 2016 om 9:00 uur en daarbij het volgende bericht: “ (…) Wij hebben u recentelijk al uitgenodigd voor het voeren van overleg, te weten op 2 december 2015 welk overleg u heeft afgeslagen. U hebt aangegeven dat u uitsluitend sectorbreed wilt overleggen ondanks het feit dat wij met u een rechtstreekse relatie hebben. (…) Wij zijn van mening dat wij met elkaar in gesprek moeten blijven om op bedrijfsniveau een oplossing te zoeken. In aansluiting op de vorige uitnodiging gaan wij daarom graag met u in gesprek over de items die spelen. (…) ” In reactie hierop heeft de CNV het volgende laten weten: “(…) Een gesprek op bedrijfsniveau kan altijd zinvol zijn, maar in reactie op ons ultimatum is dit niet aan de orde; voor ons bestaat er in deze slechts één overlegorgaan namelijk: het Sociaal Overleg/ Sociale Dialoog Containersector. (…)

2.8

APMTR heeft de vakbonden bij e-mail van 5 januari 2016 nogmaals uitgenodigd voor “het voeren van technisch overleg op woensdag 6 januari 2016 om 11:00 uur”. Op deze uitnodiging zijn de vakbonden niet ingegaan, waarop APMTR vervolgens op 6 januari 2016 de volgende e-mail aan ze heeft gestuurd: “Graag nodigen wij jullie uit voor een bijeenkomst op donderdag 7 januari 2016 om 8:30 uur in Hotel van der Valk te Ridderkerk om jullie te consulteren over afspraken die de directie van APMTR voornemens is te maken met haar ondernemingsraad.

2.9

CNV heeft als volgt gereageerd: “(…) Ik lees je uitnodiging als een uitnodiging aan de betrokken vakbondsbestuurder bij de CAO APMTR als sociale partner. In dat kader gaan wij graag in op je uitnodiging tot een consultatiegesprek, nu je in genoemde hoedanigheid blijkbaar graag iets met ons wilt bespreken / ons wilt consulteren. (…) Graag zien wij een datumprikker tegemoet om met elkaar tot een datum te komen om uw gewenste consultatiegesprek te kunnen voeren. ” Door het FNV is bij brief van 7 januari 2016 de volgende reactie gegeven: “(…) Als reactie op ons ultimatum van 31 december 2015 heeft u ons op 4 januari en 6 januari 2016 wederom uitgenodigd voor overleg. Wij hebben u naar aanleiding van beide brieven gevraagd of u in dit overleg op de eisen van ons ultimatum zou willen ingaan. Dit heeft u niet kenbaar willen maken. (…) Eventuele acties kunt u voorkomen door alsnog samen met de andere werkgevers en het Rotterdams Havenbedrijf op de eisen in te gaan zoals geformuleerd in ons ultimatum van 31 december 2015. Vanzelfsprekend zijn wij niet gebonden aan eventuele afspraken die u met uw ondernemingsraad maakt, noch kunnen dergelijke afspraken gezien worden als tegemoetkoming aan onze eisen.

2.10

Op 6 januari 2016 heeft APMTR een ‘Akkoord Werkgelegenheid APMT Rotterdam BV’ (hierna: het Akkoord) gesloten met de ondernemingsraad met betrekking tot de werkgelegenheidsgarantie, schadeloosstelling bij boventalligheid, uitbreiding van de Senioren Fit regeling en een vergoeding indien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet wordt verlengd.

2.11

Naar aanleiding van het Akkoord is op 7 januari 2016 door APMTR een aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst (hierna: de Aanvulling) opgesteld, die naar alle werknemers is verzonden met het verzoek bij akkoord de Aanvulling te ondertekenen en retour te zenden aan APMTR. In de Aanvulling, waarmee inmiddels circa 85% van de werknemers van APMTR heeft ingestemd, is het volgende vermeld:

“Als aanvulling op uw individuele arbeidsovereenkomst met APM Terminals Rotterdam B.V. (APMTR) gelden de onderstaande voorwaarden:

1. APMTR garandeert de werkgelegenheid en bijbehorend inkomen tot 01 juli 2020 voor u, indien u op 06 januari 2016 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met APMTR heeft. Deze garantie geldt niet voor een ontslag op grond van andere redenen dan om bedrijfseconomische of organisatorische redenen.

2. In geval er sprake is van boventalligheid vanaf 01 juli 2020 tot 01 juli 2021 zal een aanbod voor beëindiging van het dienstverband op initiatief van werkgever worden gedaan, dan wel zal een ontslagprocedure worden gevoerd en uw dienstverband worden opgezegd, waardoor uw dienstverband zal eindigen hetzij via een vaststellingsovereenkomst dan wel na een ontslagprocedure. Als schadeloosstelling geldt in deze situatie de “kantonrechtersformule 2008 met een correctiefactor 2”.

3. De bestaande Senioren Fit regelingen bij APMTR worden per 01 juli 2016 voor geboortejaren 1952-1953-1954-1955-1956 uitgebreid.Indien u geboren bent in één van deze jaren, kunt u vanaf de leeftijd van 60 jaar, gedurende maximaal 5 jaar 60% werken tegen betaling van 95% van het loon en met behoud van 100% pensioenopbouw.

Indien u met ingang van 01 juli 2016 of later gaat deelnemen aan de (uitgebreide) Senioren Fit regeling geldt een eenmalige extra dienstjarenpremie van € 5.000 bruto. Als voorwaarde geldt dat u aansluitend aan de periode van gebruikmaking aan de (uitgebreide) Senioren Fit regeling uiterlijk op uw 65-jarige leeftijd met pensioen gaat. De mogelijke toetreding tot deze uitgebreide Senioren Fit regeling geldt tot 01 juli 2020. Indien u in de periode van 01 juli 2016 tot 01 juli 2020 gebruik bent gaan maken van de uitgebreide Senioren Fit regeling kan u onder de geldende voorwaarden gebruik blijven maken van deze regeling tot het moment van pensionering.

4. Indien u op 06 januari 2016 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft, en uw overeenkomst niet wordt verlengd of omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, biedt APMTR u een vergoeding naar rato van € 4.500 bruto per gewerkt jaar, dus maximaal € 9.000 bruto indien uw arbeidsovereenkomst na 2 jaar niet wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.”

2.12

Bij brieven van 11 januari 2016 hebben de vakbonden APMTR erop gewezen dat zij met het aanbieden van de Aanvulling de CAO niet naleeft en hebben zij APMTR verzocht dit aanbod aan haar werknemers in te trekken. Hierop heeft een correspondentiewisseling tussen partijen plaatsgevonden en op initiatief van APMTR een overleg op 21 januari 2016. Op een daaropvolgende uitnodiging voor een overleg op 27 januari 2016 hebben de vakbonden als volgt gereageerd: “(…) Wij hebben u aangegeven dat wij met u aanvullende afspraken willen maken, indien nodig, nadat wij sectoraal afspraken hebben gemaakt. Dat wij daartoe graag van u voorstellen ontvangen zodat wij deze ordentelijk met onze leden kunnen bespreken en t.z.t. met u inhoudelijk kunnen bespreken. Wij melden nog maar eens ten overvloede dat wij niet bereid zijn om het container sectoroverleg te ondermijnen door op bedrijfsniveau aparte afspraken te maken ten aanzien van “mogelijk” dezelfde onderwerpen die in het sectoraal overleg aan de orde zijn. (…) Wel zijn wij bereid met u als Cao partij verkennend / informeel te overleggen op de door u aangegeven datum over de huidige situatie in het container sectoroverleg, uw aanbod aan individuele medewerkers en de motivatie uwerzijds waarom u denkt de Cao te mogen schenden. (…) ”

2.13

Op 19 februari 2016 hebben de vakbonden APMTR in kort geding gedagvaard en (samengevat) gevorderd een verbod om aan haar werknemers voor te stellen de Aanvulling te ondertekenen. Bij vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 6 april 2016 is de vordering van de vakbonden in al haar onderdelen afgewezen.

2.14

De werkgevers, de vakbonden en het Havenbedrijf Rotterdam hebben op 5 juli 2016 overeenstemming bereikt over het Werkzekerheidsakkoord containersector Rotterdam (hierna: het Werkzekerheidsakkoord). Hierin zijn onder meer afspraken vastgelegd over een werkgelegenheidsgarantie, een uitbreiding van de Senioren Haven Fitregeling en behoedzaam personeelsbeleid. Het Werkzekerheidsakkoord, dat 10 oktober 2016 is ondertekend, is aangegaan onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een positief oordeel van de ACM.

3 Het geschil

3.1

De vakbonden hebben gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. te verklaren voor recht dat de door APMTR met haar werknemers overeengekomen dan wel over een te komen aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst in strijd is met de CAO APMTR en daarom nietig is;

B. APMTR te verbieden om aan haar werknemers voor te stellen om de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 7 januari 2016 te ondertekenen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per keer dat APMTR na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis dit verbod overtreedt;

C. APMTR te bevelen om aan de werknemers, die haar voorstel om de aanvulling op de arbeidsovereenkomst d.d. 7 januari 2016 hebben ontvangen, maar die de aan hen gezonden aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst nog niet hebben ondertekend, per brief te berichten dat het aanbod tot het aangaan van de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst wordt ingetrokken en dat zij aan hen niet heeft mogen voorstellen om de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 7 januari 2016 te ondertekenen, omdat zulks in strijd met de geldende cao is, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag, een gedeelte van een dag tot het geheel rekenend, dat APMTR na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis nalaat aan dit bevel te voldoen;

D. APMTR te bevelen om aan de werknemers, die de aan hen gezonden aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 7 januari 2016 al wel hebben ondertekend, per brief te berichten dat zij aan hen niet heeft mogen voorstellen om de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 7 januari 2016 te ondertekenen, omdat zulks in strijd met de geldende cao is en dus nietig, dat hetgeen in de aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst d.d. 7 januari 2016 staat niet geldt en dat de werknemers die getekend hebben aan de overeengekomen aanvulling op de individuele arbeidsovereenkomst geen rechten kunnen ontlenen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag, een gedeelte van een dag tot het geheel rekenend, dat APMTR na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis nalaat aan dit bevel te voldoen;

E. APMTR te bevelen dat zij in het door haar periodiek aan de werknemers te verstrekken nieuwsbulletin bericht dat:

- de aangeboden aanvulling op de arbeidsovereenkomst nietig is vanwege strijdigheid met de geldende cao en nooit aanboden had mogen worden;

- het aanbod voor zover niet reeds getekend, ingetrokken wordt;

- reeds ondertekende aanvullingen op de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig zijn overeengekomen en in plaats daarvan de geldende cao van toepassing is;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00voor iedere dag, een gedeelte van een dag tot het geheel rekenend, dat APMTR na betekening van dit vonnis nalaat aan dit bevel te voldoen;

F. APMTR te veroordelen tot betaling van:

- aan ieder van de vakbonden een bedrag van € 10.000,00 aan schadevergoeding in de zin van artikel 15 en 16 wet CAO, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

- aan ieder van de vakbonden een bedrag van € 5.000,00 aan vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding;

G. APMTR te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2

Aan de vordering hebben de vakbonden – kort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Uit artikel 2, 3, 6 en 9 van de CAO volgt dat er sprake is van een standaard-cao. Afwijking daarvan, in gunstige of ongunstige zin, is niet toegestaan. Enkel arbeidsvoorwaarden die met de vakbonden zijn overeengekomen in de CAO mogen door APMTR worden aangeboden aan haar werknemers. Indien andere voorwaarden worden aangeboden, dienen deze te zijn afgesproken met de vakbonden en dat is hier niet het geval. Door een aanvulling op de arbeidsovereenkomst af te spreken met de ondernemingsraad en deze aan de werknemers aan te bieden, heeft APMTR in strijd met de CAO gehandeld. Die afspraken zijn op de voet van artikel 12 Wet CAO nietig. Dat de vakbonden zich op deze nietigheid beroepen kan niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Het levert evenmin misbruik van bevoegdheid op. De vakbonden hebben een voldoende en eigenstandig belang bij naleving van de CAO. Door de weigering van APMTR om de CAO op correcte wijze na te leven, ondervinden de vakbonden schade, die met name bestaat uit het verlies van vertrouwen van de leden in de vakbonden en het verlies van werfkracht ten aanzien van nieuwe leden. Ook hebben zij buitengerechtelijke kosten moeten maken die voor vergoeding in aanmerking komen.

3.3

APMTR heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

4.1

Het meest verstrekkende verweer van APMTR is dat de vakbonden geen belang (meer) hebben bij hun vorderingen. Daartoe wordt aangevoerd dat anders dan in de aanloop naar de kort gedingprocedure inmiddels in het kader van het sectoraal overleg het Werkzekerheidsakkoord tot stand is gekomen, zodat dat argument is weggevallen. Meer in het bijzonder hebben de vakbonden volgens APMTR geen belang meer om tegen de uitbreiding van de Senioren Fit regeling te protesteren nu deze in lijn is met de regeling uit het Werkzekerheidsakkoord.

4.2

Het verweer wordt verworpen. De vakbonden hebben in het licht van de door hen ingenomen standpunten het belang bij de vorderingen – dat met name ziet op hun eigen positie – meer dan voldoende geconcretiseerd. Hiervoor wordt onder meer redengevend geacht dat is aangegeven dat het gezag en de betrouwbaarheid van de vakbonden wordt aangetast als een CAO niet worden nageleefd, dat als zij dit toestaan zij bij de vaststelling van arbeidsvoorwaarden buitenspel kunnen komen te staan met alle onwenselijke gevolgen van dien en dat andere werkgevers in de containersector niet in de verleiding moeten komen om in navolging van APMTR buiten de vakbonden tot aanvullende afspraken met hun werknemers te komen.

4.3

De kantonrechter komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil. De vraag die daarbij voorligt, is of APMTR met het afspreken van het Akkoord en het aanbieden van de Aanvulling aan haar werknemers in strijd heeft gehandeld met de CAO.

4.4

Voor de beoordeling van die vraag wordt het volgende juridische kader als uitgangspunt genomen. Artikel 12 Wet CAO bepaalt dat een beding tussen een werkgever en een werknemer, dat strijdig is met een cao, waardoor werkgever en werknemer gebonden zijn, nietig is. Het is toegestaan dat de individuele arbeidsovereenkomst voor de werknemer gunstiger bedingen inhoudt dan de cao, tenzij die cao zogenaamde standaard- of maximumbepalingen bevat. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR

10 december 2004, JAR 2005, 31) zijn bij de uitleg van een cao-bepaling de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst en een eventuele schriftelijke toelichting daarop, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de cao, voor zover deze niet uit de cao-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de cao en de toelichting daarop. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden.

4.5

De vakbonden zijn van mening dat de CAO gelet op de onder 2.3 weergegeven bepalingen van artikel 2, 3, 6 en 9 als standaard moet worden aangemerkt en dat daarvan dus in geen enkel opzicht mag worden afgeweken. Door APMTR wordt daarentegen het standpunt ingenomen dat het hier om een minimum-cao gaat met standaardbepalingen. Uit de artikelen 2, 6 en 7 van de CAO volgt dat partijen de wederkerige verplichting op zich hebben genomen om voor het “verrichten van arbeid” het loon en de arbeidsvoorwaarden te hanteren die in de CAO zijn overeengekomen. Hieruit vloeit voort dat uitsluitend de loon- en arbeidsvoorwaarden uit de CAO die rechtstreeks verband houden met de door de werknemers te verrichten arbeid standaard zijn. Dit betekent, aldus nog steeds APMTR, dat afwijkingen of aanvullingen op andere punten is toegestaan, waaronder de onderwerpen die in de Aanvulling zijn opgenomen nu deze niet zien op voorwaarden die rechtstreeks verband houden met de verrichte arbeid.

4.6

Zoals terecht door APMTR benadrukt, moet per cao-bepaling worden bekeken of deze een standaardkarakter heeft of niet. Artikel 2 en 6 van de CAO, waarop de discussie tussen partijen zich met name richt, zijn volgens APMTR standaard voor zover deze direct zien op het verrichten van arbeid en moeten voor het overige als minimumbepaling worden aangemerkt. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben de vakbonden zich echter op goede gronden verzet tegen een dergelijk beperkte uitleg. Niet valt in te zien hoe de door APMTR verdedigde uitleg van genoemde artikelen past binnen de hierboven onder 4.4 weergegeven norm die de Hoge Raad heeft aangelegd. De bewoordingen van artikel 2 zijn zodanig duidelijk dat daaruit niet meer of minder kan worden opgemaakt dan wat er staat, namelijk dat het gaat over loon- en arbeidsvoorwaarden voor werknemers zoals omschreven in de bepalingen van de CAO en de daartoe behorende bijlagen. Enige aanwijzing, passend binnen de eerderbedoelde norm, dat dat beperkt zou zijn tot die voorwaarden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van arbeid ontbreekt. Die beperking kan evenmin gelezen worden in de tekst van artikel 6. Daarin wordt namelijk zonder voorbehoud of nadere duiding verwezen naar de in artikel 2 genoemde voorwaarden. Een en ander betekent dat artikel 2 en 6 niet als minimumbepaling hebben te gelden en dat daaruit het standaardkarakter logischerwijs volgt. In samenhang met (de bewoordingen van) artikel 3 en 9 komt de kantonrechter vervolgens tot het oordeel dat APMTR met betrekking tot de loon- en arbeidsvoorwaarden van haar werknemers niet in gunstige of ongunstige zin kan afwijken van wat daarover in de CAO is bepaald, tenzij de CAO daartoe ruimte biedt of de wijziging is overeengekomen met de vakbonden.

4.7

Nu is vastgesteld dat in ieder geval de in het kader van deze procedure relevante artikelen van de CAO het stempel standaardbepaling hebben, dient het volgende geschilpunt zich aan. Dat betreft de vraag of dat stempel ook moet worden toegepast als het gaat over loon- en arbeidsvoorwaarden die niet in de CAO zijn geregeld. Door de vakbonden wordt die vraag bevestigend beantwoord. Onder verwijzing naar een uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2014 (JAR 2014, 202) nemen zij het standpunt in dat het niet zo is dat geen sprake is van een schending van een (standaard)cao als afspraken worden gemaakt over ongeregelde arbeidsvoorwaarden. APMTR is een andere mening toegedaan. Daarbij wordt onder meer gewezen op de context van de uitspraak waarop de vakbonden zich beroepen, te weten een algemeen verbindend verklaarde bedrijfstak-cao met als doel het voorkomen van loonconcurrentie. In een dergelijk bijzonder geval is het wellicht nog te billijken dat een cao als uitputtend wordt beschouwd, maar dat verdient, zo besluit APMTR, geen navolging in een geval als dit waarbij het niet gaat om een algemeen verbindende verklaarde bedrijfscao in een andere branche.

4.8

Met APMTR wordt de gememoreerde uitspraak niet dusdanig vergelijkbaar geacht dat alleen al om die reden daaraan geen steun kan worden ontleend voor de stellingname van de vakbonden. Ook anderszins wordt die stellingname niet onderschreven. De kantonrechter overweegt dat beantwoording van de vraag of aan de CAO een uitputtend karakter moet worden toegekend, een kwestie is van uitleg aan de hand van de eerdergenoemde door de Hoge Raad geformuleerde norm. De tekst van de artikelen 2, 3, 6 en 9 speelt daarbij dus weer een belangrijke rol. Deze biedt als zodanig geen aanleiding om te concluderen dat de door APMTR overeen te komen arbeidsvoorwaarden uitputtend zijn geregeld in de CAO. Voor het overige kan aan de CAO evenmin een dergelijke conclusie worden ontleend. Een uitputtende regeling zou ook niet zonder meer voor de hand liggen, omdat dat in de weg zou staan aan het afspreken van noodzakelijke arbeidsvoorwaarden die niet in de CAO zijn geregeld, waaronder onderwerpen als werklocatie, telefoon, geheimhouding en non-concurrentie. In rechte wordt daarom ervan uitgegaan dat het APMTR is toegestaan met haar werknemers arbeidsvoorwaarden overeen te komen die niet in de CAO zijn geregeld.

4.9

Door APMTR is verder naar voren gebracht dat de in de Aanvulling neergelegde afspraken voor het overgrote deel zullen ingaan na de looptijd van de CAO en dat het haar vrij stond om die afspraken al te maken. Dat dit is toegestaan, volgt volgens haar uit het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 1999 (NJ 1999, 509). In hun dagvaarding hebben de vakbonden aanvankelijk een andere lezing van die uitspraak betoogd. De kantonrechter neemt echter aan dat zij die lezing hebben laten varen, nu niet meer inhoudelijk is gereageerd op de wijze waarop APMTR in haar conclusie van antwoord het aangehaalde arrest heeft uitgelegd. De kantonrechter onderschrijft deze uitleg en komt in het licht daarvan tot het oordeel dat het APMTR vrijstaat om met haar werknemers arbeidsvoorwaarden overeen te komen die betrekking hebben op de periode na het einde van de looptijd van de CAO. Dat is 31 december 2017, zij het onder het voorbehoud dat de CAO tegen die datum met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden door één van de partijen wordt opgezegd.

4.10

Voor zover APMTR als verweer nog heeft aangedragen dat de afspraken in de Aanvulling op één uitzondering na geen arbeidsvoorwaarden zijn in de zin van artikel 1 Wet CAO en dus ook niet in strijd kunnen zijn met artikel 12 Wet CAO, wordt daaraan voorbij gegaan. De kantonrechter overweegt daartoe dat uit het Akkoord, de Aanvulling, de correspondentie en discussie die daarop is gevolgd en de overige inhoud van haar processtukken bezwaarlijk anders kan worden geconcludeerd dan dat APMTR kennelijk ook zelf altijd ervan is uitgegaan dat het hier bij de arbeidsovereenkomst in acht te nemen arbeidsvoorwaarden betrof. Het verweer komt in die zin dan ook zodanig uit de lucht vallen dat van APMTR had mogen worden verwacht dat zij daaraan aanzienlijk meer handen en voeten zou hebben gegeven.

4.11

In vervolg op wat hiervoor is overwogen, wordt aanleiding gezien om per onderwerp dat bij de Aanvulling is aangeboden, te bespreken of sprake is van strijdigheid met de CAO. Het betreft hier achtereenvolgend vier onderwerpen, te weten een vergoeding bij het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, een werkgelegenheidsgarantie, een schadeloosstelling bij boventalligheid en een uitbreiding van de Senioren Fit regeling.

4.12

Niet in geschil is dat de aangeboden beëindigingsvergoeding bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in het geheel niet in de CAO is geregeld. Dit betekent dat gelet op de overweging onder 4.8 moet worden vastgesteld dat APMTR met dit aanbod niet in strijd handelt met de CAO. De vorderingen van de vakbonden komen om deze reden in zoverre dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

4.13

Voor de werkgelegenheidsgarantie en de schadeloosstelling geldt wel dat dat onderwerpen zijn waarin de CAO voorziet. Zo is een werkgelegenheidsgarantie gegeven tot 1 januari 2017 en een schadeloosstelling bij boventalligheid vanaf 1 januari 2017. Bij de Aanvulling heeft APMTR een uitbreiding van de werkgelegenheidsgarantie aangeboden tot 1 juli 2020 en een daarmee samenhangende aanpassing van de schadeloosstelling bij boventalligheid vanaf 1 juli 2020 tot 1 juli 2021. Deze verruiming heeft dus ook betrekking op de periode van 1 januari tot en met 31 december 2017 en valt in zoverre binnen de looptijd van de CAO. Een en ander leidt tot het oordeel nu de CAO daarop geen afwijking toelaat, beide onderwerpen voor zover van toepassing gedurende de looptijd van de CAO in beginsel in strijd zijn met de CAO.

4.14

Hetzelfde geldt voor de Senioren Fit regeling. In de Aanvulling is de bestaande Senioren Fit regeling voor de werknemers die zijn geboren in de jaren 1952-1956 uitgebreid van maximaal 2,5 jaar 80% werken tegen 90% loon en 100% pensioenopbouw (artikel 16 van de CAO) naar maximaal 5 jaar 60% werken tegen 95% loon en 100% pensioenopbouw. Deze uitbreiding gaat volgens de Aanvulling in per 1 juli 2016. Ook hier duldt de CAO geen afwijking, zodat het gedeelte van de aangeboden uitbreiding dat werking heeft gedurende de looptijd van de CAO in beginsel niet is toegestaan.

4.15

Ten aanzien van de door APMTR aangeboden werkgelegenheidsgarantie, schadeloosstelling bij boventalligheid en Senioren Fit regeling moet dus worden vastgesteld dat zij daarmee in ieder geval voor een deel inbreuk heeft gemaakt op de CAO. APMTR heeft echter met het oog op deze uitkomst betoogd dat het buiten toepassing laten van het Akkoord en de Aanvulling leidt tot een resultaat dat op de voet van artikel 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hiertoe wordt onder meer aangedragen dat de werknemers zich in een situatie bevonden waarin op sectorniveau onduidelijk was of en wanneer afspraken tot stand zouden komen, dat dit tot onrust leidde, dat de ondernemingsraad APMTR pas heeft benaderd toen bleek dat de vakbonden niet bereid waren op bedrijfsniveau met APMTR afspraken te maken, dat de afspraken uiteindelijk tot gevolg hebben dat de rechtspositie van de werknemers in positieve zin wordt gewijzigd of verbeterd, dat de uitbreiding van de Senioren Fit regeling in lijn is met het Werkzekerheidsakkoord en dat inmiddels bijna 85% van de werknemers akkoord is gegaan met de Aanvulling.

4.16

Dat het handhaven van de CAO voor APMTR tot onaanvaardbare gevolgen leidt, is met de door haar daartoe genoemde feiten en omstandigheden volgens de vakbonden niet inzichtelijk gemaakt. Het is voor de vakbonden duidelijk dat APMTR de Aanvulling niet zozeer heeft aangebonden om onzekerheid bij de werknemers weg te nemen, maar als poging om de aangekondigde stakingen te breken. Verder is aangevoerd dat niet alle uitnodigingen van APMTR van de hand zijn gewezen en dat ook overleg heeft plaatsgevonden. De vakbonden hebben, zo wordt benadrukt, echter meer dan eens aangegeven waarom overleg op bedrijfsniveau over toekomstig banenverlies niet wenselijk is in verhouding tot sectoraal overleg. Door de vakbonden is erop gewezen dat de toets van artikel 6:248 lid 2 BW een zware is, waarbij rechterlijke terughoudendheid is geboden. Sterker nog, op zitting is het standpunt bepleit dat als eenmaal het dwingende karakter van een cao-bepaling vaststaat geen plaats meer is voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Daartoe is verwezen naar (de conclusie van AG Hartkamp bij) het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 1998 (NJ 1998, 709) en een citaat uit een niet gepubliceerde uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 januari 2017.

4.17

Om te beginnen kan de kantonrechter de vakbonden in dit laatste standpunt niet volgen. De onderbouwing daarvan overtuigt niet. Uit het aangehaalde arrest en de daarbij behorende conclusie kan niet worden afgeleid dat toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW ingeval van standaard cao-bepalingen onder alle omstandigheden als uitgesloten moet worden beschouwd. Of en in hoeverre een dergelijk oordeel mogelijk wel volgt uit de uitspraak van het hof is op basis van een enkel citaat niet vast te stellen. Doordat het arrest niet is gepubliceerd of overgelegd, kan namelijk de context van dat citaat niet worden beoordeeld. Het had op de weg van de vakbonden gelegen om ervoor zorg te dragen dat in ieder geval kennis kon worden genomen van de uitspraak. Een andere stelling van de vakbonden waaraan voorbij zal worden gegaan, is dat APMTR het Akkoord en de Aanvulling is aangegaan om de aangekondigde stakingen te breken. Enige concrete aanwijzing daarvoor ontbreekt. Het lijkt erop dat het hier niets anders betreft dan een op gevoel gebaseerd vermoeden of, zoals de vakbonden het zelf hebben verwoord, een boosaardige gedachte. Er wordt daarom van uitgegaan dat APMTR met het Akkoord en de Aanvulling de intentie heeft gehad om rust bij en voor haar werknemers te creëren.

4.18

Met het voorgaande is vastgesteld dat in een geval als het onderhavige ruimte bestaat voor toepassing van het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW, zodat wordt toegekomen aan de bespreking van het daarop door APMTR gedane beroep. Daarbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden meegewogen. Als eerste wordt daartoe in acht genomen dat de vakbonden en APMTR als contractspartijen bij de CAO zich ten opzichte van elkaar overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid moeten gedragen en dat vaststaat dat partijen zich tot de aanleiding van onderhavig geschil ook als zodanig hebben opgesteld. In aansluiting hierop wordt verder belang gehecht aan het gegeven dat de vakbonden met betrekking tot de voorliggende kwestie, ondanks herhaalde uitnodiging daartoe, vóór of op 6 januari 2016 nooit met APMTR om de tafel zijn gaan zitten, met als belangrijkste argument dat zij sectorbreed tot afspraken wilden komen. Het is de kantonrechter op de zitting niet duidelijk geworden of gemaakt waarom het één het ander zou moeten uitsluiten. Voorts moet onder ogen worden gezien dat het initiatief van het overleg tussen APMTR en de ondernemingsraad bij laatstgenoemde lag, omdat zij, zo is aangegeven, geen gehoor vond bij de vakbonden. Ten vierde kan bezwaarlijk voorbij worden gegaan aan de vaststelling dat de aangeboden arbeidsvoorwaarden in de Aanvulling de positie van de werknemer op niet onaanzienlijke wijze verbeteren en dat ook al bijna 85% van de werknemers ermee heeft ingestemd. Hierover hebben de vakbonden gezegd dat zij er niet alleen zijn voor de werknemers van APMTR. Dat is in zijn algemeenheid natuurlijk juist. Het biedt alleen geen begrijpelijke verklaring voor het laten liggen van een mogelijkheid om met het oog op werkgelegenheidsbehoud een toekomstige positieverbetering te realiseren ten behoeve van een specifieke groep werknemers van wie de vakbonden zeggen ook de belangen te behartigen en van wie de werkgever bovendien bereid is daaraan haar medewerking te verlenen.

4.19

Bij dit alles komt, ten slotte, dat sectorbreed, waaronder partijen begrepen, het Werkzekerheidsakkoord tot stand is gekomen, dat daarin afspraken zijn opgenomen over werkgelegenheidsgarantie en uitbreiding van de Senioren Fit regeling en dat dit laatste onderwerp zelfs in lijn is met die in de Aanvulling. Hiermee is een streep gehaald door het argument van de vakbonden om geen individuele afspraken met APMTR te willen

maken – wat daarvan verder ook zij – omdat zij een sectorale oplossing voor ogen stonden. Die oplossing is er nu. Dit een en ander in ogenschouw nemend, brengt de kantonrechter tot het oordeel dat het buiten toepassing laten van het Akkoord en de Aanvulling voor zover het betreft de werkgelegenheidsgarantie, de schadeloosstelling bij boventalligheid en de Senioren Fit regeling, tot een resultaat zou leiden dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het daarop gerichte beroep van APMTR slaagt dan ook.

4.20

Gelet op het voorgaande behoeven de overige onderdelen van de vordering van de vakbonden geen bespreking meer. De slotsom moet dan ook zijn dat de vordering in zijn geheel zal worden afgewezen. De vakbonden zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van APMTR begroot op € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x tarief € 400,00). De over deze kosten gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar als gevorderd. De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering in al haar onderdelen af;

veroordeelt de vakbonden in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van APMTR vastgesteld op € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover in de zin van artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van de algehele voldoening, en indien de vakbonden niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis hebben voldaan, begroot op

€ 131,00 aan nakosten, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.F. Milders en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

568