Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2713

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-04-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
10/692109-16 en 10/711013-16 TUL 10/164692-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen sprake van ne bis in idem; officier van justitie ontvankelijk. Vrijspraak voor deelneming aan een terroristische organisatie.

De kern van het beschikbare bewijsmateriaal wordt gevormd door een ambtsbericht van de AIVD, inhoudende dat in een bestand op een harde schijf, welk bestand wordt toegeschreven aan IS, een formulier is aangetroffen met daarop personalia die bezwaarlijk van iemand anders kunnen zijn dan van de verdachte. Op die harde schijf zijn nog zeven andere formulieren aangetroffen met daarop personalia van personen die uit Nederland zouden komen. De officier van justitie heeft gesteld dat van tenminste drie andere op die formulieren genoemde personen binnen Nederland bekend is dat zij Syriëgangers zijn. Maar de bron waarnaar de officier van justitie verwijst, is een krantenartikel. Een krantenartikel waaruit op geen enkele wijze blijkt dat de oorspronkelijke bron is geraadpleegd, laat staan geverifieerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een bewijsmiddel. Van bevestiging van de gegevens uit het ambtsbericht in ander bewijsmateriaal is geen sprake. De overige door de officier van justitie genoemde omstandigheden zijn buitengewoon verdacht, maar dat is precies wat het is: verdacht. Bewijs levert het niet op, ook niet in zaken over terroristische misdrijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/692109-16 (dagvaarding I) en 10/711013-16 (dagvaarding II)

Parketnummer TUL: 10/164692-15

Datum uitspraak: 12 april 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie (TA)1,

raadsman mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van achtereenvolgens 17 mei 2016, 9 juni 2016, 1 september 2016 (dagvaarding II), 1 november 2016, 17 januari 2017, 30 januari 2017 en 29 maart 2017 (dagvaarding I en II).

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen I en II. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het bij dagvaarding I ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het bij dagvaarding II onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest;

  • -

    tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf onder parketnummer 10/164692-15.

4 Ontvankelijkheid officier van justitie

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter aanvulling op zijn pleitnotitie - kort en zakelijk weergegeven - bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens schending van het in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) geformuleerde ‘ne bis in idem’ beginsel. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de onder dagvaarding I, onder D tenlastegelegde feitelijke gedraging - te weten het trachten een vuurwapen aan te schaffen - hetzelfde feit betreft als de onder dagvaarding II onder feit 6 tenlastegelegde poging tot het aanschaffen van een vuurwapen, nu dit op hetzelfde vuurwapen betrekking heeft.

Ter toelichting heeft de raadsman onder andere gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 26 november 1996, NJ 1997, 209, waar de Hoge Raad als volgt heeft overwogen:

“6.4. Ook al is de strekking van art. 140 Sr een andere dan die van art. 225 Sr, het valt niet uit te sluiten dat met betrekking tot in opeenvolgende telasteleggingen omschreven feiten, strafbaar ingevolge art. 140 Sr onderscheidenlijk art. 225 Sr., sprake is van omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte, dat ook dan beginselen van een behoorlijke procesorde zich ertegen verzetten dat tegen degene die ter zake van art. 140 Sr is of wordt vervolgd, vervolgens ook ter zake van feiten strafbaar ingevolge art. 225 Sr een vervolging wordt ingesteld.

6.5.

Van dergelijke omstandigheden is sprake indien in de op art. 140 Sr toegesneden telastelegging de daarin bedoelde deelneming van de verdachte aan de organisatie aldus is omschreven dat deze (mede) heeft bestaan uit het begaan van concrete misdrijven ingevolge art. 225 Sr, welke vervolgens in een tweede vervolging ingevolge art. 225 Sr afzonderlijk worden telastegelegd.”

Beoordeling

De verdachte wordt, kort gezegd, onder dagvaarding I ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie met oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, terwijl zijn deelname onder andere heeft bestaan uit het proberen een vuurwapen te kopen (sub D). Onder feit 6 op dagvaarding II wordt hem poging tot het aanschaffen van een vuurwapen ten laste gelegd. Het betreft, zoals de raadsman terecht heeft opgemerkt, in beide gevallen hetzelfde vuurwapen. Dagvaarding II is eerder uitgebracht dan dagvaarding I. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman nu zo, dat het ne bis in idem-beginsel in artikel 68 Sr althans de in het arrest van de Hoge Raad uit 1997 genoemde beginselen van een behoorlijke procesorde, vervolging voor het feit op dagvaarding I (sub D) in de weg staan, nu dit hetzelfde feit betreft als feit 6 op dagvaarding II. Echter, een tweede vervolging is alleen uitgesloten op grond van artikel 68 Sr als over het zelfde feit eerder bij gewijsde is beslist. Er is geen gewijsde. In zoverre mist het verweer feitelijke grondslag.

Wat betreft het - impliciete - beroep op schending van beginselen van behoorlijke procesorde overweegt de rechtbank als volgt.

In de zaak die heeft geleid tot het bovenbedoelde arrest van de Hoge Raad uit 1997 was sprake van twee afzonderlijke procedures. In de strafzaak met betrekking tot artikel 140 Sr dat strafbaar stelt deelneming aan een organisatie met oogmerk tot het plegen van misdrijven, was door de ene rechtbank reeds uitspraak gedaan alvorens de dagvaarding die op grond van hetzelfde feitencomplex (mede) was toegesneden op artikel 225 Sr voor de andere rechtbank werd uitgebracht. De onderhavige zaak verschilt daarvan in zoverre dat beide feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank zijn onderworpen. Dan zijn de bepalingen van samenloop als bedoeld in artikel 55 ev. Sr van toepassing.

Conclusie

Het verweer van de raadsman wordt verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk.

5 Waardering van het bewijs

Ten aanzien van dagvaarding I: vrijspraak

De verdachte wordt onder dagvaarding I - als gezegd - verweten dat hij in de periode van 1 juni 2014 tot en met 12 februari 2016 heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (hierna: IS).

De rechtbank overweegt als volgt.

De kern van het beschikbare bewijsmateriaal wordt gevormd door een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) van 29 maart 2016. Dit komt er kort gezegd op neer dat in een bestand op een harde schijf, die in 2015 in Syrië zou zijn aangetroffen en welk bestand wordt toegeschreven aan IS, een formulier is aangetroffen met daarop personalia die, zo oordeelt de rechtbank, bezwaarlijk van iemand anders kunnen zijn dan van de verdachte. Hij zou volgens dit formulier op 10 juni 2014 zijn ingereisd en op 22 juni 2014 zijn uitgereisd. Zijn rol zou die van inghimasi/inghamasi zijn. Een inghamasi zou blijkens bronnen op het internet een zelfmoordstrijder van IS zijn.

De raadsman heeft de authenticiteit van de harde schijf betwist en er voorts op gewezen dat het AIVD-ambtsbericht dient te worden aangemerkt als een ander geschrift dat op grond van artikel 344 lid 1 aanhef en sub 5 van het Wetboek van Strafvordering slechts in verband met ander bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring mag bijdragen. Dat andere bewijsmateriaal ontbreekt, zodat hoe dan ook vrijspraak dient te volgen.

Op de harde schijf zijn nog zeven andere formulieren aangetroffen met daarop personalia van personen die uit Nederland zouden komen. De officier van justitie heeft gesteld dat van tenminste drie andere op die formulieren genoemde personen binnen Nederland bekend is dat zij Syriëgangers zijn. Maar de bron waarnaar de officier van justitie verwijst, is een krantenartikel, dat zegt als bron te gebruiken een usb-stick die door een oud-IS strijder aan Britse journalisten zou zijn gegeven. Of deze usb-stick en de eerder genoemde harde schijf een en hetzelfde voorwerp zijn, zoals de raadsman heeft betoogd, kan in het midden blijven. Een krantenartikel waaruit op geen enkele wijze blijkt dat de oorspronkelijke bron is geraadpleegd, laat staan geverifieerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een bewijsmiddel.

De officier van justitie heeft voorts nog gewezen op de omstandigheden dat:

  • -

    blijkens een mutatie van de politie een aantal bladzijden uit het (oude) paspoort van de verdachte ontbrak;

  • -

    de verdachte zich op 7 juni 2014 heeft uitgeschreven uit het bevolkingsregister en een niet bestaand adres in de Verenigde Staten als nieuw adres heeft opgegeven;

  • -

    de verdachte op 26 juni 2014 weer terug was in Nederland;

  • -

    de partner van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte na een ruzie met onbekende bestemming was vertrokken. Zij kon niet uitsluiten dat hij naar de strijdgebieden in het Midden-Oosten was vertrokken;

  • -

    de verdachte verschillende verklaringen heeft afgelegd over waar hij in juni 2014 is geweest: Turkije, Marokko en Syrië passeren de revue, maar geen van deze verklaringen is aannemelijk.

Hoewel de politie nader onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van het ambtsbericht, komt de rechtbank tot de conclusie dat van bevestiging van die gegevens uit ander bewijsmateriaal geen sprake is. Meer in het bijzonder is, voor zover is gebleken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, niet (verder) in politiegegevens onderzocht of de informatie over één of meer van de zeven andere uit Nederland afkomstige personen juist zou zijn. Evenmin is door de AIVD of door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid daarover nadere informatie verstrekt, niet over de herkomst van de harde schijf en niet over de authenticiteit en de betekenis van de gegevens.

De overige door de officier van justitie genoemde omstandigheden zijn buitengewoon verdacht, waarbij de rechtbank ook opmerkt dat de verdachte ter terechtzitting ontwijkend en innerlijk tegenstrijdig heeft verklaard over waar hij in de periode tussen 7 juni 2014 en 26 juni 2014 is geweest. Maar dat is precies wat het is: verdacht. Bewijs levert het niet op, ook niet in zaken over terroristische misdrijven.

Conclusie

Het verweer van de raadsman treft doel. Het onder dagvaarding I ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft verzocht de heer [naam] , hoofd van [naam organisatie] , als getuige te horen indien de rechtbank het ambtsbericht van [naam organisatie] op enigerlei wijze als bewijs zou gebruiken. Nu de rechtbank de verdachte zal vrijspreken, is de voorwaarde niet vervuld en behoeft de rechtbank niet in te gaan op het verzoek van de raadsman.

Ten aanzien van dagvaarding II: vrijspraak ten aanzien van feit 5

Volgens de tenlastelegging zou de verdachte [naam slachtoffer 1] hebben bedreigd door hem toe te voegen: “Als een rechter, de Raad voor de Kinderbescherming vinden dat de kinderen toch naar school moeten dan maak ik ze en jou kapot.”

De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd en verklaard dat hij heeft gezegd: “dan maken ze mij kapot”. Nu geen ander bewijsmateriaal de verklaring van [naam slachtoffer 1] bevestigt, dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van dagvaarding II: bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend en ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 4 en 6 ten laste gelegde zijn namens de verdachte geen verweren gevoerd die, gelet op het bepaalde in artikel 359 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, nadere bespreking behoeven. Deze feiten zullen daarom zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

6 Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud opgenomen van de wettige bewijsmiddelen die zien op de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II onder 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

Hij op 14 oktober 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanuit een winkelpand

gelegen aan [adres delict] , heeft weggenomen een doos met speelgoed,

toebehorende aan [naam bedrijf 1] ,

2.

hij op 12 februari 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

[naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik sla jouw kankerkop eraf"

3.

Hij op 12 februari 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, te weten [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5] (allen hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam), werkzaam in de rechtmatige

uitoefening van hun bediening, te weten het na aanhouding van

verdachte overbrengen naar een voorlopig verblijf aan een politiebureau te

Spijkenisse, door

- met zijn arm(en) zwaaiende en/of slaande beweging(en) te maken en- zich te bewegen in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde opsporingsambtenaren hem, verdachte, trachtten te bewegen en

- het geven van een kopstoot in de richting van die [naam slachtoffer 4] ,

terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig

lichamelijk letsel, te weten een bebloede wond op de rechterhand en een

bloeduitstorting op de rechter scheenbeen bij die [naam slachtoffer 3] ten gevolge heeft

gehad;

4.

hij

in de periode van 01 mei 2015 tot en

met 12 februari 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

[naam slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de

algemene veiligheid van personen ontstaat,

immers heeft verdachte dreigend de deur van een klaslokaal opengegooid en

opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 6] dreigend (op luide toon en op korte afstand van

die [naam slachtoffer 6] ) de woorden toegevoegd:

- " Ze zeggen ook dat ik een wapen heb" en- "Ik weet je te vinden" en- "Ik let op je, ik hou je in de gaten en ik weet je te vinden",

6.

hij

in de periode van 01 juli 2015 tot en met 01 augustus 2015 te

Rotterdam en Blijham, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II onder 2 van de

Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3

van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk Astra STG4, type

M16, voorhanden te hebben

- op de website van [naam bedrijf 2] een vragenlijst/bestelformulier

heeft ingevuld (waarbij verdachte gebruik heeft gemaakt van een

verlofhoudernummer van een ander en een valse naam heeft ingevuld),

zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

7 Strafbaarheid feiten

De bij dagvaarding II bewezen feiten leveren op:

feit 1:

diefstal;

feit 2:

bedreiging met zware mishandeling;

feit 3:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

feit 4:

bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen ontstaat;

feit 6:

poging tot handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

8 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

9 Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging een automatisch vuurwapen aan te schaffen.

Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal.

Voorts heeft hij zich schuldig gemaakt aan verbale bedreiging van een hoofdagent van politie alsmede van een lerares op een basisschool.

Ten slotte heeft de verdachte zich, nadat hij was aangehouden, schuldig gemaakt aan het met geweld verzetten tegen drie politieagenten, waarbij één van die agenten letsel aan zijn hand en been heeft opgelopen.

Vuurwapens worden steeds meer gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vuurwapens kunnen (ook bij het enkel voorhanden hebben daarvan) tot zeer gevaarzettende situaties leiden. Dit brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving met zich en daarom dient streng tegen het illegaal voorhanden proberen te krijgen van vuurwapens te worden opgetreden.

De door de verdachte gepleegde diefstal is een ergerlijk feit dat naast materiële schade, hinder voor de gedupeerde winkelier veroorzaakt.

Daarnaast moeten ambtenaren van politie hun taak kunnen uitoefenen zonder aan bedreiging en geweld te worden blootgesteld.

Ten slotte heeft de verdachte de persoon tegen wie hij zijn bedreigingen heeft geuit, angst aangejaagd. In het bijzonder neemt de rechtbank het op haar school bedreigen van de juf van één van de kinderen van de verdachte hoog op. Die school dient, net als elke andere school, voor de leerkrachten, voor de ouders én voor de kinderen een veilige plaats te zijn om te werken en te leren. De verdachte heeft die veiligheid ernstig verstoord met zijn bedreigingen en grote onrust teweeggebracht.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 maart 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, voor met name vermogensdelicten, is veroordeeld.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 mei 2013. De rechtbank begrijpt dat deze datum - gelet op de inhoud van dit rapport dat ten behoeve van de zitting van 17 mei 2016 is uitgebracht alsmede het feit dat op pagina 1 van het rapport van 11 maart 2017 wordt verwezen naar het rapport van 12 mei 2016 - een kennelijke verschrijving betreft en dat dit 12 mei 2016 moet zijn. De rechtbank heeft kennis genomen van dit rapport.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het over de verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapport, opgemaakt en ondertekend door T. ’t Hoen, gezondheidszorgpsycholoog, gedateerd 11 mei 2016, respectievelijk van het over de verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapport, opgemaakt en ondertekend door J.L.M. Dinjens, psychiater, gedateerd 13 mei 2016.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapport, afkomstig van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum (hierna: PBC-rapport), opgemaakt en ondertekend door C.J. Kerssens, psychiater en P.G. Smits, psycholoog, gedateerd 26 januari 2017. Uit dit rapport komt - kort samengevat en voor zover relevant - het volgende naar voren.

De verdachte heeft niet aan het onderzoek in het PBC willen meewerken en niet over de ten laste gelegde feiten willen spreken. Een aantal stoornissen zijn op grond van de observaties

wel uit te sluiten. Ten eerste: van zwakbegaafdheid of zwakzinnigheid lijkt geen

sprake. Op grond van de observaties in het PBC waren er voorts geen aanwijzingen voor

een stemmingsstoornis als een manie of een depressieve stoornis. Ook van een ernstig psychotisch beeld met afwijkend, bizar of hallucinatoir gedrag was geen sprake. Echter, een psychose of waanstoornis (al dan niet in samenhang met drugs) is op grond van de

stukken niet uit te sluiten, maar door de weigering van de verdachte om mee te werken aan het onderzoek komen de gedragsdeskundigen niet verder dan hypotheses en kan niet tot een diagnostisch oordeel worden gekomen. De gedragsdeskundigen kunnen dan ook niet adviseren over de doorwerking en over de mate van toerekeningsvatbaarheid.

Ten slotte heeft de rechtbank acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte rapport afkomstig van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering), gedateerd 11 maart 2017. Uit dit rapport komt - kort samengevat en voor zover relevant - het volgende naar voren.

Het ontbreekt de verdachte aan zelfinzicht, probleembesef, copingvaardigheden en er is

sprake van een beperkte impulsregulatie. Hij weet zich tijdens bilaterale gesprekken goed te presenteren en is verbaal vaardig, maar heeft toch moeite met communicatie en houding in het algemeen. Om met zijn gevoel, geloof en verstand op één lijn te komen is een complex proces. Zo geeft hij aan dat geloof een beperkte rol speelt in zijn leven, maar laten zijn daden een heel ander beeld zien.

De verdachte staat open voor hulp op het gebied van praktische zaken, maar is niet bereid in gesprek te gaan met een psycholoog of psychiater. De reclassering meent juist dat behandeling een vereiste is om te kunnen komen tot het beperken van het recidiverisico dat als hoog wordt ingeschat. Omdat de verdachte nu stelt absoluut niet mee te willen werken met een diagnose (of daaruit voortvloeiende behandeling) meent de reclassering dat sprake is van een verhoogde kans op het onttrekken aan de door hen geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Volledig toerekeningsvatbaar

Nu de conclusies van de psychiater en de psycholoog van het PBC worden gedragen door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Aangezien door de gedragsdeskundigen van het PBC geen uitspraak wordt gedaan over de toerekenbaarheid van de verdachte, dient het ervoor de worden gehouden dat de verdachte tijdens het begaan van de bewezen stafbare feiten volledig toerekeningsvatbaar was.

Straf

Gezien de ernst van de feiten zoals hierboven onder Feiten waarop de straf is gebaseerd in het bijzonder uiteen is gezet, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Daarbij laat de rechtbank wel meewegen dat de verdachte op 24 november 2015 door de politierechter in deze rechtbank is veroordeeld, waarbij de bij dagvaarding II onder 1 en 6 bewezen feiten hadden kunnen worden betrokken. Dit betekent dat artikel 63 Sr van toepassing is. Hierom en mede in aanmerking genomen dat de rechtbank het onder dagvaarding I tenlastegelegde niet bewezen acht, zal de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf aanzienlijk lager zijn dan door de officier van justitie is gevorderd.

Slotsom

Alles afwegend acht de rechtbank een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van hierna te melden duur passend en geboden. De rechtbank zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich vóór het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank ziet geen aanleiding de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op te leggen aangezien de verdachte zich niet behandelbaar opstelt.

10 Vordering tenuitvoerlegging

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 24 november 2015 is de verdachte ter zake van - kort gezegd - twee diefstallen en twee vernielingen veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De proeftijd is ingegaan op 9 december 2015.

Beoordeling

De hierboven bij dagvaarding II onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van het vonnis van de politierechter en vóór het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen:

  • -

    14a, 14b, 14c, 45, 57, 63, 181, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13 Beslissing

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit alsmede het bij dagvaarding II onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding II onder 1, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 (drie) jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 24 november 2015 aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 2 (twee) weken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. M.V. Scheffers en M.M. Koevoets, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.N Maat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 april 2017.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt bij dagvaarding I ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 12 februari 2016

te Rotterdam en/of Spijkenisse, althans in Nederland en/of Syrië en/of in

Irak, met een of meer anderen,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten de terroristische organisatie

Islamitische Staat, althans een terroristische gewapende Jihadistische

strijdgroep, welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van terroristische

misdrijven, te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands

dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht)

(te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van

het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals

bedoeld in artikel 289 jo 83 en artikel 288a Wetboek van Strafrecht),

- de samenspanning en/of voorbereiding van en/of bevordering tot het

opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood

ten gevolge heeft, en/of moord, telkens met een terroristisch oogmerk (zoals

bedoeld in artikel 176b en/of 289a jo 96 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het voorhanden hebben van een of meer wapens en/of van munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet Wapens

en Munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet Wapens en Munitie),

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 12 februari 2016

te Rotterdam en/of Spijkenisse, althans in Nederland en/of Syrië en/of in

Irak, met een of meer anderen,

met het oogmerk om ter voorbereidíng en/of ter bevordering van de/het

(meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood

ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te)

begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het

Wetboek van Strafrecht) en/of

- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- moord (te) begaan met een terrorístisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)

- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen

plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe

gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan

zich of aan anderen heeft verschaft en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot

het plegen van het misdrijf,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

A. de reis gemaakt naar Syrië en/of Irak ten behoeve van het zich begeven naar

het strijdgebied aldaar en/of zich te voegen bij de terroristische organisatie

Islamitische Staat en/of daartoe een (aanmeldings)formulier ingevuld en/of

deelgenomen aan ideologische en gevechtstrainingen van de terroristische

organisatie Islamitische Staat en/of ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd

in Syrië en/of Irak en/of

zich gevoegd bij de Jihadstrijd in Syrië en/of Irak gevoerd door de

terroristische organisatie Islamitische Staat en/of een of meerdere strijders

van Islamitische Staat ondersteund bij het voeren van die Jihadstrijd en/of

getracht een vuurwapen aan te schaffen;

in welke Jihadstrijd moord en/of doodslag en/of brandstichting en/of het

teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch

oogmerk;

art 140a lid 1 Wetboek van Strafrecht

Aan de verdachte wordt bij dagvaarding II ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 14 oktober 2015 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanuit een winkelpand

gelegen op/aan [adres delict] , heeft weggenomen

een doos met speelgoed, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [naam bedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op of omstreeks 12 februari 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

[naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[naam slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik sla jouw kankerkop eraf",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij

op of omstreeks 12 februari 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer

ambtenaren, te weten [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] (allen

hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam), werkzaam in de rechtmatige

uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten het na aanhouding van

verdachte overbrengen naar een voorlopig verblijf aan een politiebureau te

Spijkenisse, door meermalen, althans éénmaal,

- met zijn arm(en) (een) zwaaiende en/of slaande beweging(en) te maken en/of

- zich te bewegen in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde

opsporingsambtenaren hem, verdachte, trachtten te bewegen en/of

- het geven van een kopstoot in de richting van die [naam slachtoffer 4] ,

terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig

lichamelijk letsel, te weten een bebloedde wond op de rechterhand en/of een

bloeduitstorting op de rechter scheenbeen bij die [naam slachtoffer 3] ten gevolge heeft

gehad;

art 181 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 mei 2015 tot en

met 12 februari 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

[naam slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling, althans met enig misdrijf waardoor gevaar voor de

algemene veiligheid van personen ontstaat,

immers heeft verdachte dreigend de deur van een klaslokaal opengegooid en/of

opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 6] dreigend (op luide toon en op korte afstand van

die [naam slachtoffer 6] ) de woorden toegevoegd:

- " Ik ben Allah en jij deugt niet" en/of

- " Ze zeggen ook dat ik een wapen heb" en/of

- " Ik weet je te vinden" en/of

- " Ik let op je, ik hou je in de gaten en ik weet je te vinden",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

en/of (daarbij)

- dreigend op de ramen van het gebouw gebonkt;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij

op of omstreeks 11 februari 2016 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

[naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[naam slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Als een rechter, de Raad voor de

Kinderbescherming, vinden dat de kinderen toch naar school moeten dan maak ik

ze en jou kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij

in of omstreeks de periode van 01 juli 2015 tot en met 01 augustus 2015 te

Rotterdam en/of Blijham, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

een of meer wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II onder 2 van de

Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3

van die wet, geschikt om automatisch te vuren, van het merk Astra STG4, type

M16, voorhanden te hebben

- op de website van [naam bedrijf 2] een vragenlijst/bestelformulier

heeft ingevuld (waarbij verdachte gebruik heeft gemaakt van een

verlofhoudernummer van een ander en/of een valse naam heeft ingevuld),

zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid;

art 26 lid 1 Wet Wapens en Munitie

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 De voorlopige hechtenis is op 29 maart 2017, na beraadslaging in raadkamer, bij aparte beslissing opgeheven.