Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2702

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
Lurisnummer UTL-I-2016074006
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek uitlevering aan Turkije. Toelaatbaarheid uitlevering beoordeeld. Advies aan de Minister van Veiligheid en Justitie om, onder andere, na te gaan in welke mate de huidige situatie in Turkije invloed heeft op de detentieomstandigheden aldaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Lurisnummer: UTL-I-2016074006

Datum uitspraak: 8 maart 2017

Uitspraak

van de Rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de autoriteiten tot uitlevering van:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ),

wonende te [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,

verder te noemen: de opgeëiste persoon.

Procedure

De Turkse autoriteiten hebben op 16 juni 2016 aan het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie een verzoek tot uitlevering tot tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf gedaan en daartoe stukken overgelegd.

De Minister van Justitie heeft bij brief d.d. 11 augustus 2016 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de hoofdofficier van justitie in dit arrondissement gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering d.d. 14 februari 2017, ter griffie ontvangen op diezelfde datum, gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.

Op 23 februari 2017 heeft de rechtbank ter openbare zitting gehoord:

- de officier van justitie, mr. P.A. Willemse;

- de opgeëiste persoon alsmede zijn raadsvrouw, mr. F.O. Ligeon-Merton, advocaat te Capelle aan den IJssel.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting daaromtrent aan de rechtbank overgelegd. Zij heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon gevorderd.

De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw hebben primair verzocht om de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren en subsidiair om aanhouding van de zaak.

Verzoek

De uitlevering wordt verzocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een uitspraak van de Meervoudige Kamer in strafzaken te Kirklarelí d.d. 17 september 2013, dossiernummer [nummer 1] , vonnisnummer [nummer 2] . Een verklaring van de officier van justitie te Kirklarelí d.d. 16 mei 2016, inhoudende dat deze uitspraak rechtsgeldig en voor tenuitvoerlegging vatbaar is, bevindt zich bij de stukken. Van een gedeelte van deze uitspraak is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht, waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van het feit waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.

Toepasselijke verdragen en wetten

Van toepassing zijn:

- de artikelen 1, 2 en 12 van het Europees verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 1965, 9), verder te noemen het EUV;

- artikel 5 van het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag, gesloten te Straatsburg op 17 maart 1978 (Trb. 1979, 120) (het Tweede Protocol);

- artikelen 2, 5, 26 en 28 van de Uitleveringswet;

- artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij is de persoon genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Bulgaarse nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.

Genoegzaamheid van de stukken

Onder de overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke Turkse wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de bij deze uitspraak toegevoegde bijlage de tijdsbepaling, plaats en rol van de opgeëiste persoon bij het gepleegde feit genoegzaam omschreven en zijn de rechten van de opgeëiste persoon gewaarborgd. In het uitleveringsverzoek is voorts de ‘specialiteitsgarantie’ gegeven dat de uitlevering alleen betrekking heeft op het feit waarvoor de uitlevering is verzocht.

De stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, van het EUV en artikel 18 van de Uitleveringswet.

Dubbele strafbaarheid

Het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht, is volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Turks recht strafbaar. Bij de voormelde uitspraak van de Meervoudige Kamer in strafzaken te Kirklarelí is ter zake van het daarin vermelde feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden opgelegd.

Ook naar Nederlands recht is het feit waarvoor de uitlevering wordt verzocht bij een overeenkomstige inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar gesteld en te kwalificeren als:

-medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod .

Bij deze kwalificatie gaat de rechtbank uit van veroordeling voor betrokkenheid bij het verkopen, afleveren dan wel vervoeren van verdovende middelen in Turkije, nu in het vonnis (blz. 16 van de Engelse vertaling) het strafbaar feit uitdrukkelijk niet als de uitvoer (‘export’) als bedoeld in artikel 188, eerste lid, van het Turkse wetboek van Strafrecht wordt gekwalificeerd, maar als ‘trading’ ingevolge het derde lid van dat artikel.

Voor het feit kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd.

Verstekbehandeling?

Uit het vonnis maakt de rechtbank niet met zekerheid op of de opgeëiste persoon bij de uitspraak op 17 september 2013 aanwezig is geweest (op blz. 3 en blz. 21 van de Engelse vertaling zijn niet eensluidend). Wel blijkt uit het vonnis dat de opgeëiste persoon ter zitting zelf zijn verdediging heeft kunnen voeren en tevens werd bijgestaan door een advocaat. Na de uitspraak heeft hij hoger beroep is ingesteld. Uit deze omstandigheden maakt de rechtbank op dat de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om zijn verdediging te voeren als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Uitleveringswet.

Onschuld van de opgeëiste persoon

Blijkens de verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting kan hij niet onverwijld aantonen onschuldig te zijn aan het feit waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht.

Gevoerde verweren

Detentieomstandigheden Turkije

De verdediging heeft aangevoerd dat het verzoek om uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, gelet op de noodsituatie in Turkije, waarbij het EVRM buiten werking is gesteld. Als de opgeëiste persoon in Turkije vast komt te zitten, is hij zijn leven niet zeker. Een medeverdachte is in oktober 2016 in detentie overleden, terwijl hij daarvoor niet ziek was.

De rechtbank begrijpt het verweer als een beroep op een mogelijke dreigende schending van artikel 3 EVRM.

De verontrustende informatie die via de media tot de rechtbank komt, wijzen op een politieke en maatschappelijke situatie waarin er onzekerheid is over de risico’s daarvan voor de rechtsorde.

Met betrekking tot de beoordeling van de vraag of in concreto ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake zal zijn van een schending als door de verdediging gesteld, overweegt de rechtbank het volgende.

De beoordeling in het kader van het uitleveringsrecht is een bijzondere, geregeld in nationaal en internationaal recht, alsmede Europese en nationale jurisprudentie waarbij het wederkerigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel een rol spelen. Van belang is dat er sprake is van een verdeling van bevoegdheid bij de beoordeling van de weigeringsgronden tussen de uitleveringsrechter en de Minister van Veiligheid en Justitie (de Minister). De rechtbank kan de uitlevering ontoelaatbaar verklaren, aan welk oordeel de Minister gebonden is. Indien de rechtbank de uitlevering wel toelaatbaar verklaart, adviseert zij de Minister over het aan het verzoek te geven gevolg, welk advies niet bindend is. De Minister kan een beslissing nemen tot weigering, ook als de rechter de uitlevering toelaatbaar had verklaard.
Het is aan de Minister om te beoordelen of de uitlevering geweigerd dient te worden wegens een dreigende schending van artikel 3 EVRM. Bij die beoordeling zal een rol dienen te spelen in hoeverre de vrees voor een onmenselijke behandeling in de Turkse gevangenis reëel is. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden, maar ziet in de situatie in Turkije wel aanleiding om de Minister te adviseren zoals hierna vermeld.

Van belang daarbij is dat de Turkse Staat het EVRM niet opzij heeft gezet, maar gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 15 EVRM om in tijd van oorlog of in geval van enige andere algemene noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt, maatregelen te nemen die afwijken van zijn verplichtingen ingevolge dat Verdrag. De strekking van deze bevoegdheid is in beginsel tijdelijk, zoals volgt uit het derde lid van voornoemd artikel. Het tweede lid van dat artikel biedt overigens geen ruimte om af te wijken van artikel 3 EVRM, ook niet in geval van een uitgeroepen noodtoestand. Daargelaten hoe lang deze tijdelijke situatie zal blijken voort te duren, is het bij deze stand van zaken naar het oordeel van de rechtbank aangewezen dat de Minister op grond van een actuele analyse van de politieke en juridisch situatie in Turkije in het algemeen en de concrete situatie van de opgeëiste persoon, de nadere toetsing van de risico’s van de uitlevering voor schending van de rechten op grond van artikel 3 EVRM verricht.

De rechtbank zal zich in dit geval dan ook beperken tot de toetsing aan de formele weigeringsgronden die aan de rechtbank zijn voorbehouden op grond van de wet zoals hiervoor reeds is verricht.

Vertrouwensbeginsel

De verdediging heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in 2016 een brief heeft ontvangen van de Turkse autoriteiten waaruit blijkt dat hij een boete van 125.000 Turkse Lira in 24 maandelijkse termijnen moet betalen. Uit de brief kan volgens de raadsvrouw niet worden opgemaakt of de opgeëiste persoon een gevangenisstraf moet uitzitten, of dat hij in plaats daarvan een boete moet betalen. De opgeëiste persoon heeft de brief in ieder geval op de laatste wijze uitgelegd en ging er dan ook van uit dat hij niet vast zou komen te zitten als hij de boete zou betalen. De verdediging heeft verzocht om aanhouding van de zaak, om uit te zoeken wat er in die brief precies gevraagd wordt van de opgeëiste persoon.

De rechtbank overweegt dat bij het Turkse vonnis van 17 september 2013 naast de gevangenisstraf van 12 jaar en 6 maanden ook een justitiële geldboete van 6.250 dagen aan de opgeëiste persoon is opgelegd. Blijkens pagina 10 van de beëdigde vertaling van het vonnis wordt 1 dag van deze boete op grond van artikel 52/1 van het Turkse strafrecht vermenigvuldigd met 20,00 Turkse Lira, zodat de justitiële geldboete 125.000 Turkse Lira bedraagt. Blijkens artikel 52/4 van het Turkse strafrecht dient deze justitiële geldboete in 24 maandelijkse termijnen betaald te worden, bij gebreke waarvan die wordt omgezet in gevangenisstraf, aldus het vonnis. De rechtbank gaat er vanuit dat de brief, waaraan de verdediging refereert, over die boete gaat en ziet daarom geen aanleiding om de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen over de brief, nu de stelling van de verdediging op een onvolledige lezing van het vonnis berust.

Berekening van de uit te zitten gevangenisstraf

De verdediging heeft aangevoerd dat uit de stukken niet eenduidig blijkt welke duur de uit te zitten gevangenisstraf heeft.

De rechtbank overweegt dat de berekening van de reststraf niet valt onder de toetsingsgronden van de rechtbank. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om nader onderzoek te verrichten naar de precieze hoogte van de resterende straf. Wel zal de onduidelijkheid hierover onder de aandacht van de Minister worden gebracht.

Effectief rechtsmiddel

De verdediging heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon geen garantie heeft dat hij gebruik kan maken van een effectief rechtsmiddel.

De rechtbank overweegt dat de opgeëiste persoon zelf in hoger beroep is gegaan tegen het vonnis van de rechtbank in Kirklarelí en dat een hogere rechter de strafzaak opnieuw heeft behandeld en het vonnis heeft bekrachtigd op 4 mei 2015, zodat sprake is van een onherroepelijk vonnis. Daarmee heeft de opgeëiste persoon gebruik gemaakt van een effectief rechtsmiddel. Het verweer wordt verworpen.

Advies aan de Minister

De rechtbank adviseert de Minister na te gaan:

  • -

    in welke mate de huidige situatie in Turkije invloed heeft op de detentieomstandigheden aldaar; in het bijzonder adviseert de rechtbank de Minister na te gaan of de ontstane situatie gevolgen heeft voor de bevolkingsdichtheid, overige detentieomstandigheden en of sprake is van effectieve klachtmogelijkheden voor gedetineerden in Turkse gevangenissen, die mogelijk een schending van de rechten van de opgeëiste persoon als bedoeld in artikel 3 EVRM zouden kunnen opleveren;

  • -

    daarnaast adviseert de rechtbank de Minister na te gaan hoe lang de resterende detentie van de opgeëiste persoon exact is, nu uit het uitleveringsverzoek en de bijbehorende stukken dit niet zonder meer afgeleid kan worden.

Slotsom

Nu ten aanzien van het feit ter zake waarvan de uitlevering ter strafvervolging tot tenuitvoerlegging wordt verzocht, is bevonden dat aan alle daarvoor in de wet en toepasselijk verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

VERKLAART TOELAATBAAR de uitlevering aan Turkije van

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ),

tot tenuitvoerlegging van de hiervoor genoemde rechterlijke uitspraak van de Meervoudige Kamer in strafzaken te Kirklarelí d.d. 17 september 2013.

Deze beslissing is genomen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

mrs. J. van Dort en E.G. Fels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 maart 2017.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.