Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2699

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
14-04-2017
Zaaknummer
10/701368-16 / TUL VV 10/691024-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/701368-16

Parketnummer vordering TUL VV: 10/691024-16

Datum uitspraak: 31 maart 2017

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteland verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief in de PI Zuid West - De Dordtse Poorten, locatie Dordrecht,

raadsman mr. W. Suttorp, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 31 maart 2017.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel onder parketnummer 10-691024-16, in die zin dat de gevangenisstraf voor de duur van 1 maand wordt omgezet in een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Waardering van het bewijs

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van de poging tot diefstal met braak. De verdediging stelt hiertoe dat de verdachte hooguit op de uitkijk heeft gestaan voor de medeverdachte. Dit is onvoldoende om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten die gericht was op de inbraak. Er is voorafgaand aan het feit evenmin sprake geweest van enige afstemming tussen de verdachten.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden worden op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

  1. De verdachte stond op 25 december 2016 met medeverdachte [naam medeverdachte] ter hoogte van het pand aan [straatnaam 1] . Er wordt bij het pand aangebeld en door het raam naar binnen gekeken door de verdachte en zijn medeverdachte. De verdachten lopen vervolgens naar het pand aan [straatnaam 2] . Daar maakt de medeverdachte bij een raam wrikbewegingen. De verdachte staat ernaast en kijkt in het rond. Als vervolgens de politie aankomt, rennen beide verdachten weg en gaan zij ieder een portiek in.

  2. Als de politie ter plaatse is gearriveerd treffen zij in twee portieken de verdachten aan.

  3. De politie ziet aan het pand [straatnaam 2] verse braaksporen en zij treffen voor pandnummer [nummer] een schroevendraaier aan.

Op het moment waarop de verdachten op heterdaad betrapt werden en wegrenden voor de aanrijdende politie, bevond de inbraak zich in de fase waarin nog slechts sprake was van een poging. Gelet op het beperkte tijdsbestek van een pogingsfase in het algemeen en in dit geval in het bijzonder zijn nog niet veel verschillende handelingen van de verdachten te onderscheiden. Op het moment van de betrapping zijn nog geen concrete handelingen te duiden die ofwel zien op de voltooiing van het delict ofwel (slechts) zijn aan te merken als zuivere ondersteuningshandelingen. Ook de rollen van de verdachten zijn nog nauwelijks verdeeld, liggen daarmee niet vast en zijn nog inwisselbaar. Uit de verrichte handelingen volgt dan ook niet dat het aandeel van de ene verdachte kleiner zou zijn geweest dan die van de andere.

Wel blijkt uit de handelingen dat er een voorgenomen plan was om (ergens) in te breken en is uiteindelijk gekozen voor de desbetreffende woning. De door de beide verdachten verrichte handelingen zijn op dat moment van even groot belang en noodzakelijk voor de voorgenomen inbraak. De handelingen van de verdachten hebben daarom in een nauwe en bewuste samenwerking tussen de twee verdachten plaatsgehad.

Conclusie

Het verweer wordt verworpen. De verdachte wordt als medepleger van de poging tot woninginbraak aangemerkt.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 25 december 2016 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander

ter uitvoering van het voornemen om

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen

aan de [straatnaam 1] weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn, verdachtes, en

zijn mededaders gading, toebehorende aan [naam slachtoffer 1]

en/of [naam slachtoffer 2] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het

misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen geld en/of goed(eren) onder

hun bereik te brengen door middel van braak

met een voorwerp, heeft getracht om een raam van voornoemde woning te forceren,

terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit/de feiten uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning. Met dit feit heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft hier hinder en schade van ondervonden. Hiernaast zorgen degelijke feiten voor gevoelens van onveiligheid, zowel bij het slachtoffer als in de samenleving in het algemeen, nu de woning bij uitstek de plaats is waar men zich veilig moet kunnen voelen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 maart 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportages

Het Leger des Heils, afdeling Jeugdbescherming & Reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 16 maart 2017. Dit rapport houdt het volgende in.

Er is veelvuldig contact geweest met de verdachte in het kader van eerdere toezichten. De reclassering geeft aan dat reeds vele malen getracht is een behandeltraject met de verdachte op te starten of hem te begeleiden naar een zinvolle dagbesteding. Dit is echter tot op heden niet gelukt. Deels werd dit veroorzaakt doordat de verdachte weer gedetineerd raakte door een nieuw strafbaar feit, deels kwam dit doordat de verdachte niet mee wilde werken. De reclassering adviseert vanwege bovenstaande een onvoorwaardelijke straf op te leggen, omdat zij op dit moment geen heil meer zien in een begeleidingstraject voor de verdachte. Hiernaast is een meldplicht eveneens ontoereikend omdat de verdachte niet mee wil werken en hij in een wijk woont waar de medeverdachten wonen en diverse problemen spelen.

De verdachte heeft ter zitting herhaald dat hij geen hulp wil van de reclassering. Als hij de juiste dagbesteding heeft gevonden dan kan hij zichzelf redden en hij zal zich niet meer laten meeslepen door vrienden.

De rechtbank vindt de conclusie van de reclassering zorgelijk gezien de jonge leeftijd van de verdachte, maar begrijpt deze wel. De rechtbank heeft op grond van deze conclusies en de weigerachtige opstelling van de verdachte er op dit moment geen vertrouwen in dat de verdachte zich zal houden aan bijzondere voorwaarden in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf. De rechtbank zal de verdachte dan ook een geheel onvoorwaardelijke straf opleggen.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank acht een vrijheidsstraf passend en geboden. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

Vordering tenuitvoerlegging

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 21 juni 2016 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 4 maanden, waarvan een gedeelte groot 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 6 juli 2016.

Standpunt verdediging

De verdediging pleit ervoor dat de proeftijd wordt verlengd met één jaar. Het toezicht van de reclassering kan in dat geval doorlopen en er kunnen eventueel aanvullende bijzondere voorwaarden worden opgelegd.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Er zijn evenwel termen aanwezig om in plaats daarvan een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis te gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikelen 45 en 311 het Wetboek van Strafrecht.

Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling;

legt - in plaats van de gevorderde last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 21 juni 2016 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf – aan de veroordeelde een taakstraf op voor de duur van 60 uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. A.A.T. Werner en R.H. Kroon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. van der Drift-Visser, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 december 2016 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voornemen om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen

aan [straatnaam 1] weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn, verdachtes, en/of

zijn mededaders gading, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1]

en/of [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het

misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen geld en/of goed(eren) onder

zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, met een schroevendraaier, althans een stuk gereedschap/(breek)voorwerp, heeft getracht om een raam van voornoemde woning te forceren, terwijl de uitvoering van dat voornemen niet is voltooid.