Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2613

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-01-2017
Datum publicatie
07-04-2017
Zaaknummer
C/10/516149 / FT EA 16/2968 - C/10/516150 / FT EA 16/2969
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek dwangakkoord tegen 1 schuldeiser. Overige schuldeisers akkoord. Verweer: geen problematische schuldensituatie. Rechtbank stelt vast dat sprake is van problematische schuldensituatie. Dwangakkoord toegewezen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 20 januari 2017

in de zaak van:

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats] ,

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 5 december 2016, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:

- Hoist Kredit AB (hierna: Hoist);

die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Hoist heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.

Ter zitting van 4 januari 2017 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekster;

  • -

    mevrouw [naam 2] , werkzaam bij GR IJsselgemeenten (hierna: schuldhulpverlening);

  • -

    mevrouw [naam 3] , werkzaam bij Schuman Incasso & Gerechtsdeurwaarders, namens Hoist,

De uitspraak is uiteindelijk bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift 10 concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 21.696,64 van verzoekster te vorderen.

Verzoekster heeft bij brief van 5 juli 2015 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 34,12% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Dit voorstel is bij brief van 20 september 2016 verhoogd naar 43,14%.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.

De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm.

De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar dienstbetrekking. Verzoekster werkt fulltime en heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden op tijd voldaan.

Ter zitting heeft verzoekster haar aanbod andermaal verhoogd, te weten tot een betaling van 72,36% tegen finale kwijting. Verzoekster heeft verklaard dat zij in overleg met en na een herberekening door schuldhulpverlening de extra correctie in de VTLB-berekening in verband met de hoge huurlasten heeft laten vervallen. Hiermee heeft verzoekster tegemoet willen komen aan het verweer van Hoist dat de crediteuren worden benadeeld door deze extra correctie in de VTLB-berekening. Verzoekster heeft verder verklaard dat zij in oktober 2016 bovenop het aanbod zelfstandig een betalingsregeling is overeengekomen met Hoist om haar goede wil te tonen. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat de betalingsregeling buiten hen om is overeengekomen en niet door hen wordt ondersteund, aangezien zij alle crediteuren gelijk dient te behandelen binnen het minnelijke traject en dat de kans groot is dat door deze extra regeling achterstanden en / of nieuwe schulden ontstaan.

Negen schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Hoist stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 8.557,72 op verzoekster, welke 39,44% van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

In haar verweerschrift heeft Hoist onder meer gesteld dat er naar haar mening geen sprake is van een problematische schuldensituatie. Verzoekster is bij het aangaan van het krediet willens en wetens een langdurige aflosverplichting aangegaan. Hoist is nog steeds bereid een minnelijke regeling met verzoekster te treffen. Verzoekster is ook kennelijk in staat meer te betalen, getuige de betalingsregeling die zij in oktober 2016 met Hoist is overgekomen bovenop het gedane aanbod. Hoist heeft verder gesteld dat de schuld van verzoekster niet te goeder trouw is ontstaan. Van toelating van verzoekster tot de schuldsaneringsregeling kan in de visie van Hoist geen sprake zijn.

Hoist heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangeboden regeling niet goed is gedocumenteerd en dat deze onvoldoende financieel transparant is. Zo is de aflossingscapaciteit verkeerd berekend en bedraagt bijna de helft van hetgeen in het verhoogde voorstel van 20 september 2016 is berekend. Verder is er sprake van te hoge huurlasten, waardoor verzoekster geen recht heeft op huurtoeslag en zij dus minder kan reserveren. De hoge huurlasten hebben tot gevolg dat in de VTLB-berekening een extra correctie is opgenomen, waardoor er over 36 maanden ruim € 9.700,- minder zal worden gereserveerd en de schuldeisers hiermee worden benadeeld. In de visie van Hoist heeft verzoekster dan ook niet het maximaal haalbare aangeboden en dient zij op zoek te gaan naar een goedkopere huurwoning. Verzoekster is nog relatief jong en kan nog vele jaren op de arbeidsmarkt participeren en in de toekomst een hogere afloscapaciteit genereren. Daarbij is het WSNP-traject met strengere waarborgen omkleed, wordt er actief toezicht gehouden op naleving van de regels en kunnen er meer gelden worden gereserveerd.

Hoist heeft tot slot verzocht om, naast afwijzing van het onderhavige verzoek, verzoekster te veroordelen in de proceskosten. Het verhoogde aanbod van verzoekster was voor Hoist geen aanleiding alsnog in te stemmen met het dwangakkoord.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Hoist bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Hoist in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zijheeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Hoist een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 39,44%.

Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk negen van de tien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt voorts vast dat er, in tegenstelling tot wat Hoist heeft aangevoerd, sprake is van een problematische schuldensituatie. Uit het dossier en het verklaarde ter zitting is afdoende gebleken dat verzoekster, binnen haar persoonlijke omstandigheden, heeft getracht een oplossing te vinden voor de schuldenlast. Nu haar dit, ondanks haar inkomsten uit een langdurig voltijds dienstverband, zelfstandig niet lukte heeft verzoekster zich hierbij genoodzaakt gezien om een beroep op schuldhulpverlening te doen teneinde een stabiele situatie te creëren voor het oplossen van haar schuldenproblematiek. Uit het van juni 2016 tot en met december 2016 voor haar schuldeiser gereserveerd bedrag van € 2.614,95 blijkt dat zij haar aanbod aan haar schuldeisers heeft kunnen nakomen.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten GR IJsselgemeenten. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd, alsmede financieel transparant. Verzoekster en schuldhulpverlening hebben ter zitting een afdoende toelichting gegeven op het verhoogde aanbod van 72,36%, mede onder overlegging van een nieuwe berekening van het vrij te laten bedrag, waaruit blijkt dat de aflossingscapaciteit substantieel hoger is geworden na het schrappen van de extra correctie voor de hoge huurlasten. Hoist heeft dit ook niet weersproken.

De rechtbank is van oordeel dat het verhoogde voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster beschikt over een fulltime baan, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat verzoekster reeds voldoet aan de in de schuldsaneringsregeling bestaande werkverplichting voor 36 uur per week. Verder is ter zitting aannemelijk geworden dat verzoekster thans niet voor een goedkopere huurwoning in aanmerking komt. Desalniettemin heeft verzoekster als tegemoetkoming op het verweer van Hoist de extra correctie voor haar hoge huurlasten uit de VTLB-berekening geschrapt. Hiermee heeft verzoekster haar aflossingsmogelijkheden tot het uiterste opgerekt ten behoeve van de gezamenlijk schuldeisers. De extra betalingsregeling die verzoekster met Hoist in oktober 2016 is overeengekomen past niet binnen het minnelijke traject waarbij het uitgangspunt is dat alle schuldeisers gelijk worden behandeld.

Door schuldhulpverlening is afdoende verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen, is voldaan.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Schuldhulpverlening brengt daarentegen geen kosten in rekening voor het minnelijke traject. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag in jaarlijkse termijnen betaalbaar wordt gesteld.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Hoist, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om Hoist te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

Hoist zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt Hoist om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt Hoist in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van N. van Gaans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2017. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.