Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:248

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
ROT 16/1077
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BIZ, het afgebakende gebied van de BI-zone is in redelijkheid logisch en samenhangend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/633
FutD 2017-0758
NTFR 2017/909 met annotatie van mr. B.S. Kats
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 16/1077

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser],

[gemachtigde]

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente], verweerder,

gemachtigde: mr. E. Blom.

Procesverloop

Bij aanslag met als dagtekening 30 september 2015 (de aanslag) heeft verweerder voor het belastingjaar 2015 van eiser [bedrag] aan BIZ bijdrage geheven.

Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 7 januari 2016 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is [a] ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De aanslag is aan eiser als firmant van [de vof] opgelegd. [de vof] is gevestigd in [de onroerende zaak].

1.2

De aanslag is opgelegd op basis van de Verordening BI-zone centrum [gemeente] 2015-2019 (de Verordening). In geschil is of deze aanslag terecht is opgelegd.

2. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de bedrijveninvesteringszones
(de Wet BIZ) kan de gemeenteraad onder de naam BIZ-bijdrage een belasting instellen ter zake van binnen een bepaald gebied in de gemeente (bedrijveninvesteringszone) gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.

Op grond hiervan heeft de gemeenteraad van de gemeente [gemeente] de Verordening vastgesteld.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Verordening is de BI-zone het gebied van het winkelcentrum van [gemeente], te weten alle ondernemers binnen het centrum gevestigd [c] Het aangewezen gebied is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deeluitmakende kaart (bijlage 1) en in de lijst met objecten (bijlage 2).

Op grond van artikel 3 van de Verordening is de BIZ-bijdrage, conform artikel 1 lid 2 van de wet, een bestemmingsheffing die strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten in de openbare ruimte en op het internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Verordening, voor zover van belang, wordt de belasting gedurende een periode van 5 jaren jaarlijks geheven ter zake van

binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning

dienen.

3. Niet in geschil is dat de onroerende zaak in de BI-zone is gelegen en niet

in hoofdzaak dient tot woning, zodat is voldaan aan het belastbare feit dat uit artikel 4, eerste lid, van de Verordening volgt.

4. Eiser stelt dat de aanslag desondanks niet aan hem kan worden opgelegd en voert hiertoe aan dat de vaststelling van het BI-zone niet voldoet aan het vereiste dat het een logisch en samenhangend geheel moet zijn en dat er een geen aantoonbare relatie bestaat tussen de onroerende zaak en de ontplooide activiteiten, zodat de Verordening onverbindend is.

5.1

Wat betreft de afbakening van het gebied van een BI-zone zijn in de Wet BIZ geen nadere regels gegeven. Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wet BIZ volgt over de afbakening van het gebied dat sprake dient te zijn van een logisch afgebakend gebied van een bepaalde omvang, bijvoorbeeld een winkelstraat, centrumgebied of bedrijventerrein en dat het aan de gemeente is om te oordelen of de afbakening van het gebied een logisch en samenhangend geheel vormt (Kamerstukken II, 2007/2008, 31 430, nr. 6, p. 10). Gelet hierop heeft de gemeentelijke wetgever een ruime beoordelingsvrijheid bij de vaststelling van de omvang van het gebied waarbinnen de BIZ-bijdrage zal worden geheven. De door de gemeenteraad gemaakte keuze dient de rechtbank te respecteren, tenzij de gemeentelijke wetgever bij de afbakening van het gebied de grenzen van de redelijkheid heeft overschreden. Hiervan is in dit geval geen sprake.

Eiser beroept zich op de aan hem bij brief van 22 maart 2015 door Burgemeester en wethouders van [gemeente] toegezonden “Toelichting op de Verordening, uitvoeringsovereenkomst en de wet op de bedrijveninvesteringszones”. Hierin staat onder meer het volgende:

“Als eis aan de begrenzing van het bedrijveninversteringszone gebied wordt gesteld dat het een logisch en samenhangend geheel moet zijn en dat de relatie met de activiteiten aantoonbaar is.”

Deze toelichting is evenwel niet bij de Verordening zelf bijgesloten. Ter zitting kon verweerder geen duidelijkheid verschaffen over de status van deze brief met toelichting. Onduidelijk is daarom gebleven in hoeverre eiser zich hierop kan beroepen, maar zelfs indien eiser zich hierop in rechte kan beroepen, baat dit hem niet. Anders dan eiser betoogt is aan het in toelichting genoemde criterium van een aantoonbare relatie tussen de onroerende zaak en de activiteiten voldaan. Daargelaten dat dit vereiste niet uit de parlementaire geschiedenis volgt (vergelijk ook Kamerstukken II, 2007/2008, 31 430, nr. 6, p. 6 onderaan).

Uit de uitvoeringsovereenkomst tussen de gemeente [gemeente] en de Stichting BIZ Centrum [gemeente] (de Stichting) blijkt dat er in de periode van 2015-2019 onder meer activiteiten worden ontwikkelt op het gebied van:

-een schoon, heel en veilig winkelgebied, zoals een onderzoek naar de mogelijkheden om zwerfafval terug te brengen;

- het aanbieden van mogelijkheden voor het realiseren van kostenbesparingen voor ondernemers op het (winkel)gebied, zoals een onderzoek naar aanbevelingen voor optimaal onderhoud pand/kantoor;

- de lokale en regionale promotie van het winkelgebied, zoals de organisatie van evenementen.

De bovenstaande activiteiten zullen (of kunnen) een positieve weerslag hebben op de bedrijfsvoering van [de vof]. Dat [de vof] een zorgvoorziening is en geen winkel, waar eiser op wijst, betekent niet dat [de vof] geen belang heeft bij de voormelde activiteiten. Zo heeft ook [de vof] belang bij een veilige en schone parkeerplaats en is ook voor [de vof] het optimaal onderhoud van zijn pand van belang. Derhalve heeft eiser belang bij ontplooide activiteiten en bestaat er in redelijkheid een aantoonbare relatie tussen de te ondernemen activiteiten en de onroerende zaak.

Eiser voert verder aan dat hij geen enkele raakvlak heeft met acties van de Stichting en dat de straatnaam waaraan de onroerende zaak is gelegen, [d], in het logo van de Stichting ontbreekt. Dit betekent echter niet dat er geen aantoonbare relatie bestaat met de bovengenoemde activiteiten. De stelling van eiser ter zitting dat bepaalde activiteiten van de Stichting bij hem niet worden uitgevoerd, zoals sneeuwruimen en het ophangen van kerstverlichting, leidt evenmin tot een ander oordeel, aangezien deze activiteiten los staan van de voormelde activiteiten waarbij eiser in redelijkheid belang heeft. Niet gebleken is dat de voormelde activiteiten niet (zullen) worden uitgevoerd.

5.2

Ook overigens is het in de Verordening bepaalde gebied van de BI-zone logisch en samenhangend. Het winkelcentrum is het uitgangspunt voor de BI-zone. De onroerende zaak grenst aan het parkeerterrein van het winkelcentrum, maar ligt niet zo ver weg van het winkelcentrum dat het in redelijkheid onlogisch zou zijn om de apotheek bij de BI-zone te betrekken.

6. Gelet op het vorenstaande is de aanslag terecht opgelegd. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.dr. M.I. Blagrove, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Noordegraaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 januari 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).