Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2457

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
08-08-2017
Zaaknummer
C/10/520887 / KG ZA 17-150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

franchisegever heeft de franchiseovereenkomst ten onrechte opgezegd en dient de overeenkomst voort te zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/520887 / KG ZA 17-150

Vonnis in kort geding van 31 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R. Chalmers Hoynck van Papendrecht te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRAM LADAGE EXPLOITATIE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRAM LADAGE VERSE PATAT B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagden,

advocaat mr. J. van Londen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna afzonderlijk [eiser] , Bram Ladage Exploitatie B.V. en Bram Ladage Verse Patat B.V. genoemd worden. Gedaagden worden gezamenlijk Bram Ladage c.s. genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 6 maart 2017, met producties 1 t/m 13;

  • -

    de producties 1 t/m 18 van Bram Ladage c.s.;

  • -

    de mondelinge behandeling op 17 maart 2017;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van Bram Ladage c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 1 december 1997 heeft [eiser] als franchisenemer met Bram Ladage Verse Patat B.V. met kvk-nummer 24216412 (niet-zijnde gedaagde 2) als franchisegever een franchiseovereenkomst (hierna: “de Franchiseovereenkomst”) gesloten, op grond waarvan aan [eiser] het uitsluitend recht is verleend om als zelfstandig ondernemer een snackbar te drijven conform het Bram Ladage-systeem in de bedrijfsruimte in het winkelcentrum De Koperwiek te Capelle aan den IJssel.

2.2.

In de Franchiseovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“(…)

Artikel 1 : inleidende bepalingen

Franchisegever garandeert aan franchisenemer de juistheid en volledigheid van de volgende gegevens:

1. (…)

4. Door franchisegever zullen aan andere franchisenemers onder soortgelijke omstandigheden in dezelfde contractperiode geen andere voorwaarden worden gesteld dan die worden genoemd in deze overeenkomst, onverminderd het recht van gever om gedurende de duur van de overeenkomst in bedoelde voorwaarden wijzigingen te brengen, indien een daadwerkelijke wijziging in het systeem dit in redelijkheid rechtvaardigt.

(…)

Artikel 5 : rayon en/of rayonbescherming

  1. (…)

  2. Zonder toestemming van de franchisenemer zal franchisegever aan derden het gebruik van het systeem, zoals in deze overeenkomst geregeld niet toestaan, noch zelf volgens het systeem geëxploiteerde bedrijven stichten in een rayon, binnen een straal van een (1) kilometer, te rekenen vanaf in lid 1 beschreven bedrijfsruimte.

Artikel 6 : duur van de overeenkomst

  1. Deze overeenkomst wordt aangegaan voor een periode van 15 jaar ingaande op 1 januari, 1998 en derhalve eindigende op 2013. Behoudens opzegging per aangetekend schrijven of bij deurwaardersexploit door franchisenemer aan franchisegever, ten minste 6 maanden voor afloop van de overeenkomst, zal deze telkens voor 5 jaren worden verlengt, behoudens opzegging met inachtneming van het bovenstaande.

  2. Franchisegever is slechts gerechtigd tegen de expiratiedatum de overeenkomst per aangetekend schrijven of per deurwaardersexploit op te zeggen met inachtneming een termijn van 6 maanden, indien van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd de onderhavige overeenkomst te laten voortduren.

  3. De opzegtermijnen worden verlengd tot 13 maanden indien door franchisegever bij wijze van onderverhuur bedrijfsruimte aan franchisenemer ter beschikking is gesteld, dan wel franchisenemer, met het oog op de exploitatie van de franchise-zaak, met derden daarvoor een huurovereenkomst is aangegaan en de huurperiode nagenoeg synchroon lopen met die van de franchiseovereenkomst

(…)

Artikel 12 : geheimhouding en/of concurrentie

  1. (…)

  2. De franchisenemer zal, behoudens schriftelijke toestemming van franchisegever, gedurende een periode van een jaar na de beeindiging van deze overeenkomst direct noch indirect, zelfstandig, in dienstbetrekking of in de vorm van een vennootschap werkzaam zijn of financiële belangen hebben bij een bedrijf, dat is gevestigd binnen voornoemd rayon en werkzaam is in de branche waarin het gefranchisede bedrijf werkzaam was.

(…)”

2.3.

De statutaire naam van Bram Ladage Verse Patat B.V. met kvk-nummer 24216412 is op 30 december 1998 gewijzigd in Bram Ladage Holding B.V. en vervolgens op

29 november 2016 in Bram Ladage Exploitatie B.V. (gedaagde sub 1).

2.4.

Bij brief van 29 november 2016 heeft Bram Ladage Verse Patat B.V. (met kvk-nummer 24422458), gedaagde sub 2, de Franchiseovereenkomst opgezegd tegen

31 december 2017 op grond van artikel 6 van de Franchiseovereenkomst. Als reden voor de opzegging is – kort gezegd – aangegeven dat [eiser] de meest recente standaard franchiseovereenkomst niet wenst te ondertekenen noch bereid is om daarover in overleg te gaan met de franchisegever, zodat van Bram Ladage Verse Patat B.V. in redelijkheid niet meer kan worden verlangd de franchiseovereenkomst na de expiratiedatum te laten voorduren.

2.5.

Sinds 19 mei 1998 huurt [eiser] de bedrijfsruimte in het winkelcentrum

De Koperwiek rechtstreeks van (de rechtsvoorgangster van) Wereldhave Nederland B.V. (hierna: “Wereldhave”). Omdat de huurovereenkomst tussen [eiser] en Wereldhave medio maart 2017 eindigt, heeft [eiser] in december 2016 een nieuwe huurovereenkomst met Wereldhave ondertekend. Het winkelcentrum De Koperwiek is thans in verbouwing, als gevolg waarvan [eiser] zijn zaak tijdelijk elders moet onderbrengen. Na afronding van de verbouwing, zal de zaak van [eiser] terugkeren in een ander pand in het winkelcentrum, dichtbij de huidige locatie.

2.6.

Bij dagvaarding van 15 maart 2017 heeft [eiser] een bodemprocedure betreffende de nakoming van de Franchiseovereenkomst en de werking van het non-concurrentiebeding aanhangig gemaakt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. - primair: Bram Ladage c.s. te gebieden om in weerwil van de opzeggingsbrief van 29 november 2016, ook na 31 december 2017 al haar verplichtingen uit de Franchiseovereenkomst met [eiser] onverkort en zonder voorbehoud volledig na te komen, totdat met inachtneming van de daarin vervatte opzegtermijn van 13 maanden na rechtsgeldige opzegging van de Franchiseovereenkomst, een eind zal zijn gekomen aan de franchiserelatie tussen partijen, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of dagdeel dat Bram Ladage c.s. niet voldoet aan dit gebod;

- subsidiair: Bram Ladage c.s. te gebieden om de franchiserelatie met [eiser] zoals vervat in de Franchiseovereenkomst voort te zetten, totdat het in de bodemprocedure tussen partijen te wijzen vonnis betreffende de nakoming van de Franchiseovereenkomst en de werking van het non-concurrentiebeding in kracht van gewijsde is gegaan, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of dagdeel dat Bram Ladage c.s. niet voldoet aan dit gebod;

2. Voor het geval de voorzieningenrechter de vordering onder 1 niet toewijsbaar acht en de opzegging van de Franchiseovereenkomst van 29 november 2016 in stand laat:

- primair: met onmiddellijke ingang [eiser] te ontheffen van het postcontractuele non-concurrentiebeding uit artikel 12 van de Franchiseovereenkomst;

- subsidiair: met onmiddellijke ingang de werking van het postcontractuele non-concurrentiebeding zoals opgenomen in artikel 12 van de Franchiseovereenkomst in tijdsduur te beperken tot nihil;

- meer subsidiair: te bepalen dat het postcontractuele non-concurrentiebeding uit artikel 12 van de Franchiseovereenkomst met onmiddellijke ingang wordt opgeschort totdat het in de bodemprocedure tussen partijen te wijzen vonnis betreffende nakoming van de Franchiseovereenkomst en de werking van het non-concurrentiebeding in kracht van gewijsde is gegaan;

3. met veroordeling van Bram Ladage c.s. in de kosten van het geding, te vermeerderen met nakosten en rente.

3.2.

Bram Ladage c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gezien de omstandigheid dat [eiser] na de verbouwing van het winkelcentrum

De Koperwiek een nieuw pand zal betrekken dat hij opnieuw dient in te richten om in september 2017 gereed te zijn voor exploitatie, waarvoor een grote investering (ca.

€ 300.000,-) noodzakelijk is, is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Om een weloverwogen beslissing te nemen of en in hoeverre hij deze investeringen zal moeten doen, kan de uitkomst in de bodemprocedure niet worden afgewacht. Het antwoord op de vraag of [eiser] het aan zichzelf te wijten heeft dat hij in deze situatie is beland, doordat hij Bram Ladage c.s. niet heeft betrokken bij de besprekingen met Wereldhave over de nieuwe huurovereenkomst, zoals door Bram Ladage c.s. is gesteld maar door [eiser] is betwist, doet niet af aan het spoedeisend belang van [eiser] en kan daarom in het midden blijven.

4.2.

In de eerste plaats heeft [eiser] , onder verwijzing naar de kvk-nummers van de verschillende vennootschappen, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij de Franchiseovereenkomst is aangegaan met Bram Ladage Exploitatie B.V. en dat, nu de opzegging is gedaan door Bram Ladage Verse Patat B.V. – een vennootschap waar [eiser] geen contractuele relatie mee heeft – de opzegging geen rechtsgevolg heeft gehad en de Franchiseovereenkomst derhalve ook na 31 december 2017 dient door te lopen.

Daartegenover heeft Bram Ladage c.s., onder uitvoerige omschrijving van de historische ontwikkeling van de structuur van de Bram Ladage-groep, aangevoerd dat uiteindelijk alle activiteiten binnen de franchiseformule in 2007 zijn overgedragen aan Bram Ladage Verse Patat B.V., zodat wel degelijk door de juiste partij is opgezegd.

4.3.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kan aan de hand van de overgelegde stukken – met de beperkte mogelijkheden die een procedure als de onderhavige nu eenmaal kent voor de vaststelling van feiten – niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld welke vennootschap als contractspartij van [eiser] moet worden aangemerkt.

Naast het feit dat [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat de gestelde contractsoverneming heeft plaatsgevonden, heeft Bram Ladage c.s. geen akte van die overname overgelegd noch een stuk waaruit ondubbelzinnig blijkt dat [eiser] daar zijn medewerking aan heeft verleend.

Van een contractsoverneming in de zin van artikel 6:159 BW is derhalve vooralsnog niet gebleken.

Aan de andere kant heeft Bram Ladage c.s. wel voldoende aannemelijk gemaakt dat, nadat er al vele structuurwijzigingen hadden plaatsgevonden binnen de Bram Ladage groep, de groep in 2007 heeft beoogd om alle franchisecontracten onder te brengen bij Bram Ladage Verse Patat B.V. en dat zij daar vervolgens uitvoering aan heeft gegeven. Zo blijkt uit het financieel jaarrapport van Bram Ladage Verse Patat B.V. over 2008 dat zij opbrengst heeft behaald uit franchise-activiteiten. Verder staat als onweersproken vast dat de franchisefees vanaf januari 2008 bij [eiser] in rekening zijn gebracht door Bram Ladage Verse Patat B.V. middels facturen waarop het nieuwe kvk-nummer en bankrekening-nummer is vermeld en dat [eiser] al die jaren, zonder daartegen bezwaren te maken, de franchisefees heeft overgemaakt naar het rekeningnummer van Bram Ladage Verse Patat B.V. Ook heeft [eiser] door de jaren heen steeds contact gehad met dezelfde contactpersonen. Dat die contactpersonen handelden vanuit verschillende vennootschappen, is voor [eiser] nimmer een punt van discussie geweest. Tegen die achtergrond valt niet uit te sluiten dat de bodemrechter tot de conclusie komt dat de Franchiseovereenkomst rechtsgeldig is overgegaan op Bram Ladage Verse Patat B.V. zodat de opzegging door de juiste vennootschap is gedaan of dat, indien de gestelde contractsoverneming niet komt vast te staan, wordt geoordeeld dat [eiser] het gegeven dat door de verkeerde vennootschap is opgezegd redelijkerwijs niet kan tegenwerpen aan Bram Ladage c.s.

4.4.

De omstandigheid dat in het beperkte bestek van dit kort geding niet kan worden vastgesteld of de Franchiseovereenkomst door de juiste partij is opgezegd, staat echter niet in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of er sprake is van een gerechtvaardigde grond om de Franchiseovereenkomst op te zeggen. Voldoende gebleken is immers dat de huurperiode van de huurovereenkomst tussen [eiser] en Wereldhave niet synchroon loopt met die van de Franchiseovereenkomst, zodat de opzegtermijn van

6 maanden zoals bedoeld in artikel 6 lid 2 van de Franchiseovereenkomst van toepassing is. Dat betekent dat, tot 1 juli 2017, de Franchiseovereenkomst in beginsel kan worden opgezegd door Bram Ladage Exploitatie B.V., zodat herstel van een eventuele niet rechtsgeldige opzegging nog mogelijk is.

4.5.

Gelet op het voorgaande, kan het antwoord op de vraag wie de franchisegever is in het midden worden gelaten en zal de verdere beoordeling van het geschil zowel Bram Ladage Verse Patat B.V. als Bram Ladage Exploitatie B.V. raken.

4.6.

Ten aanzien van de vraag of er een gerechtvaardigde grond is om de Franchiseovereenkomst op te zeggen, wordt het volgende overwogen.

4.7.

Uit artikel 6 lid 1 van de Franchiseovereenkomst volgt dat de overeenkomst is aangegaan voor 15 jaar en dat deze na ommekomst van die periode telkens voor 5 jaar wordt verlengd, behoudens opzegging door de franchisenemer. Vervolgens is in lid 2 van dat artikel bepaald dat de franchisegever slechts gerechtigd is om tegen de expiratiedatum de overeenkomst op te zeggen, indien van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd de overeenkomst te laten voortduren. Gelet op de voorwaarde die in artikel 6 lid 2 van de Franchiseovereenkomst is gesteld aan een opzegging door de franchisegever, ligt het op de weg van Bram Ladage c.s. om feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat van haar in redelijkheid niet kan worden verlangd de overeenkomst te laten voortduren.

4.8.

Het nastreven van uniformiteit in alle franchisecontracten is op zichzelf geen rechtvaardiging voor een opzegging. Dat Bram Ladage c.s. op grond van artikel 1 lid 4 van de Franchiseovereenkomst verplicht is om in gelijke gevallen gelijke voorwaarden te hanteren, brengt niet met zich dat [eiser] zonder meer gehouden is om in te stemmen met aanpassing van de Franchiseovereenkomst. Het desbetreffende lid geeft de franchisegever weliswaar het recht om wijzigingen aan te brengen in de voorwaarden van de overeenkomst, maar alleen indien een daadwerkelijke wijziging in het systeem dit in redelijkheid rechtvaardigt. Dat daarvan sprake is, is door Bram Ladage c.s. onvoldoende onderbouwd.

Daar waar [eiser] heeft aangevoerd dat de nieuwe standaardovereenkomst bepalingen bevat die de zakelijke belangen van [eiser] schaden zonder dat deze van invloed zijn op de uitstraling en de kwaliteit van de winkel – zoals de wijziging die de franchisegever kan aanbrengen in het rayon bij verlenging van de overeenkomst, het open einde van de marketingkosten, de minimum omzetbepaling, de ophoging van het boetebeding en de uitbreiding van het concurrentiebeding – heeft Bram Ladage c.s. gesteld dat de standaard franchiseovereenkomst alleszins redelijk is, zonder echter duidelijk te maken waarom de wijzigingen redelijk zijn in de situatie dat die bepalingen evident een verslechtering betekenen voor de positie van [eiser] als franchisenemer.

Bram Ladage c.s. heeft aangevoerd dat de tekst in de Franchiseovereenkomst uit 1997 verouderd is en door de jaren heen voor grote problemen heeft gezorgd, zoals onder meer het gebrek aan de bevoegdheid tot controle en opvolging van de hygiëneregels en de onmogelijkheid als franchisegever om bij te kunnen sturen en franchisenemer aan te spreken bij bijvoorbeeld teruglopende omzetten of achterblijvende kwaliteit van de bedrijfsvoering. Nog daargelaten dat gesteld noch gebleken is dat die problemen zich concreet hebben voorgedaan bij de vestiging van [eiser] , heeft Bram Ladage c.s. ook niet onderbouwd dat dergelijke problemen, voor zover zij zich voordeden bij andere franchisevestigingen, een direct gevolg waren van de verouderde tekst van de betreffende franchiseovereenkomst.

4.9.

Verder is niet aannemelijk gemaakt dat de houding van [eiser] zodanig is geweest dat van Bram Ladage c.s. niet meer kan worden gevergd om nog met hem samen te werken. Uit de stukken is gebleken dat Bram Ladage c.s. zowel in 2001 als in 2013 [eiser] heeft benaderd om hem te bewegen de nieuwe standaard franchiseovereenkomst te ondertekenen. Nadat [eiser] had aangegeven dat hij niet bereid was om te tekenen, omdat het een verslechtering betekende van zijn rechtspositie ten opzichte van de franchisegever, heeft Bram Ladage c.s. niet verder aangedrongen. De stelling van Bram Ladage c.s. dat zij bij de weigering in 2013 [eiser] in het vooruitzicht heeft gesteld dat het eindigen van de looptijd in 2017 zou kunnen leiden tot een definitief einde van de franchiserelatie, is door [eiser] betwist en door Bram Ladage c.s. in het geheel niet onderbouwd.

In 2016 is [eiser] wederom door Bram Ladage c.s. verzocht om de nieuwe standaard franchiseovereenkomst te tekenen. Op 14 oktober 2016 heeft een inhoudelijke bespreking tussen partijen plaatsgevonden over de inhoud van de nieuwe standaardovereenkomst.

Op 10 november 2016 heeft [eiser] per e-mail aan Bram Ladage c.s. medegedeeld dat de nieuwe overeenkomst voor hem een aanzienlijke verslechtering betekent en dat, indien Bram Ladage c.s. nog steeds van mening is dat een nieuwe overeenkomst moet worden aangegaan, [eiser] de overeenkomst ter beoordeling en vergelijk bij zijn advocaat zal neerleggen. Anders dan Bram Ladage c.s. meent, kan dit bericht niet worden beschouwd als een algehele weigering om inhoudelijk te praten over de nieuwe voorwaarden. Dat [eiser] de hulp van zijn advocaat wenste in te schakelen bij de onderhandelingen, is niet onbegrijpelijk en rechtvaardigt niet de conclusie dat een vruchtbare samenwerking tussen partijen daarmee is uitgesloten. Van Bram Ladage c.s. had mogen worden verwacht, te meer gezien de zeer lange franchiserelatie tussen partijen van bijna 20 jaar, dat zij de in de e-mail van

10 november 2016 geboden mogelijkheid om verder te onderhandelen, nader zou onderzoeken. Door dat na te laten, is Bram Ladage c.s. te snel overgegaan tot opzegging van de Franchiseovereenkomst. De indruk die hierdoor ontstaat, is dat Bram Ladage c.s. in wezen niet bereid is om, detailpunten daargelaten, inhoudelijk met [eiser] in gesprek te gaan over de inhoud van een eventueel nieuw contract en in wezen [eiser] slechts twee mogelijkheden biedt: ofwel het nieuwe contract tekenen, ofwel de relatie beëindigen. Hiermee miskent Bram Ladage c.s. dat zij zichzelf contractueel die ruimte heeft ontnomen.

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat van Bram Ladage c.s. in redelijkheid niet kan worden verlangd de overeenkomst te laten voortduren. Te verwachten is dan ook dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de Franchiseovereenkomst op onjuiste gronden is opgezegd en wordt geacht ook na 1 januari 2018 voort te duren.

4.11.

Het primair gevorderde onder punt 1. komt neer op een voorziening die de rechtstoestand tussen partijen vaststelt en zich dus niet verdraagt met het voorlopige karakter van een kort geding, zodat deze reeds om die reden wordt afgewezen.

4.12.

Het subsidiair gevorderde onder punt 1. zal worden toegewezen, in die zin dat de voorzieningenrechter Bram Ladage c.s. zal gebieden om de franchiserelatie met [eiser] zoals vervat in de Franchiseovereenkomst voort te zetten, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de nakoming van de Franchiseovereenkomst en de werking van het non-concurrentiebeding.

4.13.

De gevorderde dwangsom wordt gematigd tot € 2.500,- voor iedere dag of dagdeel dat Bram Ladage c.s. niet voldoet aan het gebod, tot een maximum van € 1.500.000,-.

4.14.

Nu de vordering onder punt 1. wordt toegewezen en de opzegging van

29 november 2016 niet in stand wordt gelaten, is de voorwaarde voor het instellen van de vordering onder punt 2. niet vervuld en behoeft dit punt geen bespreking meer.

4.15.

Bram Ladage c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op

€ 97,31 aan dagvaardingskosten, € 287,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW (aangezien de wettelijke handelsrente niet expliciet is gevorderd).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

gebiedt Bram Ladage c.s. om de franchiserelatie met [eiser] zoals vervat in de Franchiseovereenkomst voort te zetten, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk beslist is over de nakoming van de Franchiseovereenkomst en de werking van het non-concurrentiebeding, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag of dagdeel dat Bram Ladage c.s. niet voldoet aan dit gebod, tot een maximum van

€ 1.500.000,-;

5.2.

veroordeelt Bram Ladage c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.200,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na de uitspraak van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt Bram Ladage c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Bram Ladage c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. van den Hurk en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2017.

2091 / 427