Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2404

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
10/701244-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering hervatting dwangverpleging na voorwaardelijke beëindiging tbs ivm uitzetting naar buitenland.

Door terugkeer naar Nederland is tbs herleefd.

Door afwijzing vordering hervatting dwangverpleging eindigt herleefde tbs.

Art. 38la Sr

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/701244-11

Datum uitspraak: 7 maart 2017

Beslissing van de rechtbank Rotterdam, raadkamer voor strafzaken, met betrekking tot de vordering tot hervatting van de verpleging van overheidswege van

[naam veroordeelde] (de ter beschikking gestelde),
geboren te [geboorteplaats veroordeelde] ( [geboorteland veroordeelde] ) op [geboortedatum veroordeelde] ,

verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum Veldzicht te Balkbrug (de inrichting),

raadsman mr. T.P. van der Eerden, advocaat te Rotterdam.

1 Procesverloop

Bij vonnis van deze rechtbank, uitgesproken op 5 december 2012, is de ter beschikking gestelde ter zake van zware mishandeling ter beschikking gesteld met voorwaarden betreffende zijn gedrag.

De termijn van de terbeschikkingstelling is aangevangen op 7 december 2012.

Bij beslissing van deze rechtbank van 20 november 2013 is de terbeschikkingstelling met voorwaarden omgezet naar een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging). Bij beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 maart 2014 is de beslissing van de rechtbank bevestigd.

Bij beslissing van deze rechtbank van 23 december 2014 is de terbeschikkingstelling met dwangverpleging laatstelijk verlengd met twee jaar. Bij beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 mei 2015 is de beslissing van de rechtbank bevestigd.

Bij besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 april 2016 is de terbeschikkingstelling beëindigd met als doel de ter beschikking gestelde uit te zetten naar Portugal, onder de voorwaarde dat de ter beschikking gestelde niet naar Nederland terugkeert.

De rechtbank heeft op 15 februari 2017 van het openbaar ministerie ontvangen een vordering tot hervatting van de dwangverpleging (artikel 38la, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van 14 februari 2017. Bij die vordering is gevoegd een proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer [procesverbaalnummer] , waaruit blijkt dat de ter beschikking gestelde in februari 2017 is aangehouden in Nederland.

Later is nog overgelegd een brief van de inrichting waar de ter beschikking gestelde (formeel) verblijft, gedateerd 2 maart 2017.

De vordering is op de zitting van 7 maart 2017 in het openbaar behandeld. Officier van justitie mr. B.G.H. de Ruijter, de ter beschikking gestelde, bijgestaan door zijn raadsman, en de deskundige [naam] , als gz-psycholoog verbonden aan de inrichting, zijn gehoord.

2 Standpunt van partijen

2.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de behandeling van de vordering voor onbepaalde tijd aan te houden om de inrichting wederom in de gelegenheid te stellen een onderzoek in te stellen naar een passende voorziening voor de ter beschikking gestelde in Portugal, zodat hij wederom kan worden gerepatrieerd.

2.2.

Standpunt van de ter beschikking gestelde

De ter beschikking gestelde en zijn raadsman hebben primair afwijzing van de vordering bepleit. Subsidiair is aanhouding van de zaak bepleit, zoals gevorderd door de officier van justitie.

3 Adviezen

3.1.

Brief van de inrichting

De brief van de inrichting van 2 maart 2017 houdt – zakelijk weergegeven – het volgende in.

De ter beschikking gestelde is op 28 april 2016 vanuit de inrichting teruggebracht naar Portugal. In Lissabon heeft een overdracht plaatsgevonden aan de psychiater en psycholoog van [naam instelling] in aanwezigheid van de ter beschikking gestelde, zijn moeder en haar partner. Er zijn afspraken gemaakt over een vervolgbehandeling.

Op 10 februari 2017 werd de inrichting door het ministerie geïnformeerd over de terugkeer van de ter beschikking gestelde in Nederland. De ter beschikking gestelde is vervolgens op 22 februari 2017 weer in de inrichting opgenomen.

De ter beschikking gestelde maakt bij opname een stabiele indruk. Hij is helder en vertelt zijn verhaal op een geordende wijze. Hij kan adequaat antwoord geven op vragen en het affect moduleert adequaat.

In gesprekken heeft de ter beschikking gestelde verteld dat hij in Portugal de huisarts heeft benaderd met de vraag hem zijn medicatie voor te schrijven. Dit heeft de huisarts gedaan en de ter beschikking gestelde heeft verteld dat hij zijn medicatie altijd trouw heeft ingenomen, omdat hij weet dat hij het zonder medicatie niet redt. De ter beschikking gestelde komt hierin oprecht over. Verdere hulpverlening heeft hij in Portugal niet gehad.

Nadat het niet goed ging tussen de ter beschikking gestelde en zijn moeder heeft hij besloten naar zijn vader te reizen in Nederland, omdat hij hoopte dat deze hem aan werk kon helpen. Dit bleek niet het geval, aldus de ter beschikking gestelde.

De ter beschikking gestelde besefte dat hij niet in Nederland mocht zijn en had geen geld om terug naar Portugal te gaan. Hij heeft daarom contact gezocht met de politie. Hij verwachtte dat zij hem zouden aanhouden en op het vliegtuig naar Portugal zouden zitten.

3.2.

Ter zitting gegeven toelichting

De als deskundige gehoorde Philipi, als gz-psycholoog verbonden aan de inrichting, heeft ter zitting verklaard - zakelijk weergegeven – dat de ter beschikking gestelde stabiel is. Als de dwangverpleging wordt hervat, dan zal geen behandeling worden opgestart, omdat de ter beschikking gestelde alle mogelijke behandelingen reeds succesvol heeft doorlopen en afgerond. De psychiatrische problematiek is niet verder te behandelen, anders dan met de voorgeschreven medicatie die de ter beschikking gestelde ook inneemt. Een resocialisatietraject is niet mogelijk, omdat de ter beschikking gestelde nog steeds een ongewenst vreemdeling in Nederland is. Het enige wat de inrichting nog kan doen is de overdracht naar Portugal deze keer met meer waarborgen omkleden.

Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. Dat was ook zo ten tijde van het vertrek naar Portugal in 2016. Met de informatie die nu over de ter beschikking gestelde voorhanden is, wordt op lange termijn het recidiverisico ingeschat op matig. De inrichting heeft vanuit Portugal of Nederland geen berichten van nieuwe strafbare feiten ontvangen.

4 Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de ter beschikking gestelde de voorwaarde die de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de beëindiging van de terbeschikkingstelling van 19 april 2016 heeft verbonden heeft geschonden door naar Nederland terug te keren. Nu de ter beschikking gestelde zich niet aan deze voorwaarde heeft gehouden, is de teerbeschikkingstelling herleefd (artikel 38la, zesde lid, Sr).

De rechtbank stelt voorts vast de ter beschikking gestelde is uitbehandeld, resocialisatie in Nederland niet mogelijk is en de kans op recidive voor zowel de korte als de lange termijn laag moet worden ingeschat. Niet gebleken is dat de ter beschikking gestelde nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Van een situatie waarbij de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de hervatting van de verpleging van overheidswege eist is dus geen sprake.

Het door de officier van justitie gevorderde onderzoek naar een nieuwe repatriëring van de ter beschikking gestelde naar Portugal is daarom niet meer aan de orde.

De vordering van de officier van justitie tot hervatting van de dwangverpleging zal worden afgewezen. Door deze afwijzing eindigt de herleefde terbeschikkingstelling (artikel 38la, zevende lis Sr).

5 Beslissing

De rechtbank:

wijst af de vordering van de officier van justitie.

Deze beschikking is gegeven door

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. J. van Dort en F.W.H. van den Emster, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,

en is in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.