Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2338

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
519656 / HA RK 17-93
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Bij gelegenheid van de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling heeft de rechter-commissaris te oordelen over de vraag of er op dat moment sprake is van een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de feiten waarvan betrokkene wordt verdacht. De beslissing die de rechter-commissaris alsdan geeft, wordt door hem gebaseerd op de stand en de resultaten van het onderzoek op dat moment. Dat is een momentopname en de daarbij door de rechter-commissaris gegeven motivering ziet de wrakingskamer in de context van de onderbouwing van dat voorlopig oordeel. Niet juist is derhalve de visie van verzoeker dat de rechter-commissaris met zijn mededeling een beslissing nam ten aanzien van een centrale vraag in de strafzaak zelf. Gelet hierop leveren de bewoordingen van de rechter-commissaris geen zwaarwegende aanwijzing op voor gebrek aan onpartijdigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 519656 / HA RK 17-93

Beslissing van 31 januari 2017

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres],

verzoeker,

advocaat mr. M.C. Levy te Rotterdam,

strekkende tot wraking van:

mr. J.B. Smits, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam, team kabinet RC (hierna: de rechter-commissaris).

1 Het procesverloop en de processtukken

Op 27 januari 2017 heeft de rechter-commissaris naar aanleiding van het verzoek van de officier van justitie als bedoeld in artikel 59a, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, verzoeker en zijn advocaat gehoord en vervolgens de inverzekeringstelling bij beschikking van diezelfde dag als niet onrechtmatig beoordeeld, onder afwijzing van het verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling van verzoeker.

De strafzaak tegen verzoeker, waarin dit alles plaats vond, draagt als parketnummer 10/960332-16.

Bij brief van 27 januari 2017 heeft de raadsvrouw van verzoeker wraking van de rechter-commissaris verzocht.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    het proces-verbaal van politie met nummer 26Springdale-00095 tegen verzoeker als verdachte;

  • -

    de informatiestaat en een uittreksel uit de justitiële documentatie ten name van verzoeker;

  • -

    het bevel beperkingen, door de officier van justitie op 26 januari 2017 gegeven ten aanzien van verzoeker;

  • -

    de beschikking van de rechter-commissaris van 27 januari 2017;

  • -

    het e-mailbericht van de rechter-commissaris van 27 januari 2017.

Verzoeker, zijn advocaat, de rechter-commissaris, alsmede de officier van justitie zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter-commissaris is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter-commissaris heeft bij die gelegenheid aangegeven dat hij niet in de wraking berust.

Ter zitting van 31 januari 2017, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen: de advocaat van verzoeker, de rechter-commissaris en de officier van justitie. Zij hebben ieder hun standpunt nader toegelicht, waarbij de raadsvrouw het woord heeft gevoerd overeenkomstig pleitaantekeningen, welke op haar verzoek aan het proces-verbaal van de zitting zijn gehecht.

Verzoeker is niet ter zitting verschenen. Nadat hij per e-mailbericht van zijn raadsvrouw van 29 januari 2017 aan de secretaris van de wrakingskamer had doen meedelen dat hij afzag van zijn recht om ter zitting te worden gehoord, is geen aanvraag ingediend voor het vervoer van verzoeker van de plaats van zijn detentie naar de zitting van de wrakingskamer.

Op 30 januari 2017 heeft verzoeker telefonisch bij monde van zijn raadsvrouw meegedeeld dat hij van gedachten was veranderd en toch de zitting van de wrakingskamer wilde bijwonen, op welk tijdstip er onvoldoende tijd resteerde om alsnog het vervoer van verzoeker en de handhaving van het vereiste veiligheidsniveau rondom vervoer en zitting te organiseren. Verzoeker heeft vervolgens afgezien van zijn recht de zitting bij te wonen.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker bij monde van zijn raadsvrouw het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

Verzoeker is op 27 januari 2017 voorgeleid aan de rechter-commissaris in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van zijn inverzekeringstelling. Verzoeker wordt verdacht van:

  • -

    deelneming aan een terroristische organisatie en

  • -

    het opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, al dan niet terwijl het feit wordt gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

2.1.2

Tijdens het meedelen van zijn beslissing heeft de rechter-commissaris (onder andere) tegen verzoeker gezegd dat:

  • -

    zijn raadsvrouw kennelijk over een ander dossier beschikt dan hijzelf;

  • -

    hij wel degelijk aan het redelijk vermoeden van schuld komt;

  • -

    “(…) en dan hebben we het nog niet over de omstandigheden waaronder u naar Barcelona bent gekomen,”

2.1.3

Verzoeker ontkent echter, zoals ook uit het dossier blijkt, degene te zijn geweest die vanuit Hatay (grensplaats in Turkije nabij Syrië) naar Istanbul en vervolgens Barcelona is gereisd.

Met laatstbedoelde mededeling heeft de rechter-commissaris er blijk van gegeven reeds nu een beslissing te hebben genomen op een centrale vraag in de strafzaak. Dat brengt met zich mee dat sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

2.2

De rechter-commissaris heeft niet in de wraking berust.

De rechter-commissaris bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

2.2.1

Het is de bedoeling dat de rechter-commissaris belast blijft met het verdere onderzoek in de strafzaak tegen verzoeker als verdachte. De voorgeleiding van verzoeker voor de rechter-commissaris is gepland voor 1 februari 2017 te 9.00 uur bij mr. Smits.

2.2.2

De feiten waarvan verzoeker wordt verdacht zijn door de raadsvrouw juist weergegeven.

De rechter-commissaris heeft op 27 januari 2017 niet tegen verzoeker gezegd: “en dan hebben we het nog niet gehad over de omstandigheden waaronder u naar Barcelona bent gekomen”, doch heeft meegedeeld: “en dan hebben we het nog niet gehad over de omstandigheden waaronder de reis naar Barcelona is ondernomen”.

De rechter-commissaris heeft dit als zijn voorlopig oordeel medegedeeld. De rechter-commissaris heeft ook gezegd: “Als de raadsvrouw hier vertelt dat zij geen enkel vermoeden van schuld ziet, dan heeft zij een ander dossier gelezen dan ik”. Wellicht had de rechter-commissaris dat niet zo moeten doen, maar dat was in reactie op de stelligheid van de raadsvrouw in haar betoog dat er geen verdenking kon bestaan tegen haar cliënt.

2.2.3

De rechter-commissaris zag het redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van beide feiten wel en heeft dat meegedeeld. Daarmee heeft hij al gezegd dat naar zijn voorlopig oordeel op basis van dit dossier en de op dat moment gekregen informatie verzoeker de man is die is gereisd naar Barcelona. Hij heeft dit voorlopig oordeel vervolgens gemotiveerd. De toevoeging daarna, waarover verzoeker valt en op grond waarvan hij zijn wrakingsverzoek doet, voegt daaraan niets meer toe. De omstandigheden daarbij waren niet eens noodzakelijk voor het oordeel. Dat verzoeker de man is die naar Barcelona kwam, had de rechter-commissaris daarvoor al uitgesproken. De opmerking die de rechter-commissaris verweten wordt, zegt niets meer dan het oordeel dat hij wel een redelijk vermoeden van schuld zag.

Je moet als rechter op enig moment een oordeel geven; dat is in deze fase van de strafzaak een voorlopig oordeel. Het is wel de overtuiging die de rechter-commissaris op dat moment op basis van de stukken heeft verkregen. Dat is de kerntaak van de rechter-commissaris.

2.3

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter-commissaris door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter-commissaris jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt hieromtrent als volgt:

3.5

Volgens verzoeker heeft de rechter-commissaris op 27 januari 2017 bij het uitspreken van zijn oordeel gezegd: “en dan hebben we het nog niet over de omstandigheden waaronder u naar Barcelona bent gekomen”.

Volgens de rechter-commissaris heeft hij bij die gelegenheid gezegd: “en dan hebben we het nog niet gehad over de omstandigheden waaronder de reis naar Barcelona is ondernomen”.

Uit deze formulering door de rechter-commissaris kan geen zwaarwegende aanwijzing voor een gebrek aan onpartijdigheid worden gedestilleerd. Evenmin volgt dat uit de bewoordingen waarvan de raadsvrouw stelt dat deze door de rechter-commissaris zijn gebruikt.

3.6

Bij gelegenheid van de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling heeft de rechter-commissaris te oordelen over de vraag of er op dat moment sprake is van een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de feiten waarvan betrokkene wordt verdacht. De beslissing die de rechter-commissaris alsdan geeft, wordt door hem gebaseerd op de stand en de resultaten van het onderzoek op dat moment. Dat is een momentopname en de daarbij door de rechter-commissaris gegeven motivering ziet de wrakingskamer in de context van de onderbouwing van dat voorlopig oordeel. Niet juist is derhalve de visie van verzoeker dat de rechter-commissaris met zijn mededeling een beslissing nam ten aanzien van een centrale vraag in de strafzaak zelf. Gelet hierop leveren de bewoordingen van de rechter-commissaris geen zwaarwegende aanwijzing op in voormelde zin.

3.5

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. J.B. Smits.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.P. Hameete, voorzitter, mr. I.K. Rapmund en mr. L.C. van Walree, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2017 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- verzoeker

- mr. M.C. Levy

- mr. J.B. Smits

- mr. F. van Veghel