Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2336

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
518480 / HA RK 17-22
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Een rechter heeft in zijn algemeenheid niet of nauwelijks bemoeienis met de administratieve handelingen die leiden tot inschrijving van een zaak op de rol, welke handelingen hun weerslag vinden in het kantonroljournaal. Een en ander wordt feitelijk uitgevoerd door de administratieve ondersteuning van de rechtbank. De klachten van verzoeker daarover horen naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook thuis in een klachtenprocedure bij de president van de rechtbank.

De omstandigheid dat de rechter verzoeker bij rolbeslissing heeft verzocht zich nader uit te laten over de geldigheid van de dagvaarding en verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld een mogelijk gebrek van de inleidende dagvaarding te herstellen, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Het staat de rechter ingevolgde artikel 22 Rv immers vrij in alle gevallen en in elke stand van de procedure een partij te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde bescheiden over te leggen. Dat de rechter van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt is niet onbegrijpelijk, in het licht van de aanwijzingen in het dossier dat de inleidende dagvaarding mogelijk niet op het juiste adres is betekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer / rekestnummer: 10/51840 / HA RK 17-22

Beslissing van 2 februari 2017

op het verzoek van

[naam verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde dhr. J.R. Seedorf, gevestigd de Rotterdam,

strekkende tot wraking van:

mr. W.J.J. Wetzels, rechter in de rechtbank Rotterdam, team kanton 1 (hierna: de rechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Op 12 december 2016 is in opdracht van verzoeker een dagvaarding uitgebracht aan [naam vennootschap] B.V (hierna [naam vennootschap]), op het kantooradres van mr. M.H.G. de Neef (hierna mr. De Neef) om op 22 december 2016 te verschijnen voor de kantonrechter. Die procedure, hierna aan te duiden als: de rolzaak, draagt als kenmerk 5597028 CV EXPL 16-52213.

Op 22 december 2016 heeft mr. De Neef onder verwijzing naar die dagvaarding aan de griffie van de rechtbank meegedeeld dat [naam vennootschap] geen woonplaats of kantoor bij hem heeft gekozen. Hij heeft er daarbij ook op gewezen dat er zijns inziens gebreken kleven aan die dagvaarding die tot nietigheid daarvan zouden moeten leiden.

Op de rolzitting van 22 december 2016 is de zaak door de rolrechter voor beraad aangehouden tot 2 januari 2017. In het roljournaal dat op de griffie wordt aangehouden is vermeld dat [naam vennootschap] is verschenen en dat mr. De Neef optreedt als haar gemachtigde.

Op 23 december 2016 heeft de griffier per brief aan de gemachtigde van verzoeker bericht dat hem daarbij als bijlage een reactie van de wederpartij wordt gezonden met de mededeling dat op 2 januari 2017 wordt beslist over het verloop van de procedure.

Bij faxbericht van 27 december 2016 aan de griffie wijst een kantoorgenoot van

mr. De Neef de griffier er nogmaals op dat haar kantoor niet optreedt als gemachtigde voor [naam vennootschap] en verzoekt de griffier de andersluidende vermelding uit het roljournaal te verwijderen.

Bij rolbeslissing van 6 januari 2017 heeft de rechter de uitspraak van het vonnis in de rolzaak aangehouden en de zaak verwezen naar de rolzitting van 2 maart 2017, zodat de verzoeker zich onder meer kan uitlaten over de geldigheid van de dagvaarding en de betekenis voor de rolzaak van een inmiddels onherroepelijk geworden eindbeschikking in een verzoekschriftprocedure tussen dezelfde partijen. Die procedure wordt hierna aangeduid als: de verzoekschriftprocedure.

De verzoeker heeft bij brief van 9 januari 2017 daarop de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft naast de relevante stukken van de bodemprocedure kennis genomen van de volgende stukken:

- de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek d.d. 9 januari 2017 van de gemachtigde
van verzoeker;

- de aanvullende toelichting op het wrakingsverzoek d.d. 10 januari 2017 van de
gemachtigde van verzoeker;

- de brief van 10 januari 2017 van de griffier van deze rechtbank aan de gemachtigde van
verzoeker;

- de aanvullende gronden met betrekking tot het wrakingsverzoek d.d. 12 januari 2017 van
de gemachtigde van verzoeker.

Verzoeker en de rechter zijn op de hoogte gesteld van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 16 januari 2017.

Ter zitting van 19 januari 2017, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verzoeker, diens gemachtigde en de rechter verschenen. De gemachtigde van verzoeker heeft aan de hand van een pleitnota zijn standpunten nader toegelicht.

2 Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Gemachtigde heeft – ook na herhaalde verzoeken – geen afschriften ontvangen van de brieven van 22 december 2016 en 27 december 2016 die door mr. De Neef aan de rechtbank zijn gezonden. Aan deze brieven wordt door de rechter wel uitdrukkelijk gerefereerd in diens rolbeslissing van 6 januari 2017. Er worden verzoeker door de rechtbank informatie en stukken onthouden, waarop verzoeker recht heeft.

De rechter bevestigt in de rolbeslissing van 6 januari 2017 de stelling van mr. De Neef, doch handelt in strijd met artikel 120 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv). Uit het roljournaal blijkt bovendien dat mr. De Neef in de rolzaak wel optreedt als gemachtigde van [naam vennootschap].

De dagvaarding is op 12 december 2016 uitgebracht om op 22 december 2016 voor de kantonrechter te verschijnen. Op 23 december 2016 is de termijn voor hoger beroep tegen de beschikking in de verzoekschriftprocedure verstreken. Voor een advocaat resteerden op 12 december 2016 nog twee weken om een pro-forma beroep in te stellen. Aan de gemachtigde en verzoeker worden geen stukken toegestuurd c.q. geen informatie verstrekt over de dagvaardingsprocedure. Op 6 januari 2017, precies twee weken ná 23 december 2016, neemt de rechter de rolbeslissing. Door die gang van zaken heeft de gemachtigde geen mogelijkheid meer de zaak over te dragen aan een advocaat om alsnog een pro-forma beroep in te stellen.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Uit het dat verzoeker niet onmiddellijk afschriften heeft ontvangen van de twee brieven van mr. De Neef, valt geen vooringenomenheid van de rechter af te leiden. De brieven zijn per abuis niet door de griffie aan verzoeker (mee-)gezonden.

Omdat mr. De Neef uitdrukkelijk heeft meegedeeld dat [naam vennootschap] voor het uitbrengen van de dagvaarding geen woonplaats op zijn kantoor heeft gekozen, kon tegen [naam vennootschap] geen verstek worden verleend. Daarom is de rolbeslissing van 6 januari 2017 gegeven.

Volgens vaste rechtspraak is een onwelgevallige beslissing van een rechter geen reden voor wraking. Dit kan anders zijn indien een aangevochten beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is gegeven dat dan de beslissing door vooringenomenheid is ingegeven. Daarvan is in dit geval echter geen sprake, nu de rolbeslissing deugdelijk en uitgebreid is gemotiveerd.

Verder valt niet in te zien dat verzoeker het recht van appel tegen de beschikking in de verzoekschriftprocedure is ontnomen, doordat hij niet onmiddellijk kennis heeft kunnen nemen van beide brieven van mr. De Neef.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.

3.4

De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

3.5

Ten aanzien van de aangevoerde wrakingsgrond dat verzoeker informatie dan wel stukken zijn onthouden geldt het volgende.

Een rechter heeft in zijn algemeenheid niet of nauwelijks bemoeienis met de administratieve handelingen die leiden tot inschrijving van een zaak op de rol, welke handelingen hun weerslag vinden in het kantonroljournaal. Een en ander wordt feitelijk uitgevoerd door de administratieve ondersteuning van de rechtbank. De klachten van verzoeker daarover, ook waar het betreft het aanvankelijk niet bijvoegen van aangekondigde bijlagen bij een brief aan verzoeker, horen naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook thuis in een klachtenprocedure bij de president van de rechtbank. Zij leveren in ieder geval geen grond op voor een gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid of een gebrek aan onpartijdigheid bij de rechter. Dit argument kan dus niet tot toewijzing van het verzoek leiden.

3.6

De omstandigheid dat de rechter verzoeker bij rolbeslissing van 6 januari 2017 heeft verzocht zich nader uit te laten over de geldigheid van de dagvaarding en verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld een mogelijk gebrek van de inleidende dagvaarding te herstellen, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Het staat de rechter ingevolgde artikel 22 Rv immers vrij in alle gevallen en in elke stand van de procedure een partij te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde bescheiden over te leggen. Dat de rechter van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt is niet onbegrijpelijk, in het licht van de aanwijzingen in het dossier dat de inleidende dagvaarding mogelijk niet op het juiste adres is betekend. Daaruit kan naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook niet worden afgeleid dat de rechter zich daarmee in enig opzicht partijdig heeft betoond.

3.7

Ten slotte kan het niet aan de rechter worden verweten dat verzoeker of diens gemachtigde de beroepstermijn tegen de beschikking in de verzoekschriftprocedure ongebruikt heeft laten verlopen. Daar staat de rechter immers volledig buiten.

3.8

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van mr. W.J.J. Wetzels.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter en mrs. W.P.M. Jurgens en W.J. Roos-van Toor en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2017 in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot, griffier.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-