Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2325

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
13-04-2017
Zaaknummer
5351775 CV EXPL 16-6914
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen overgang van onderneming; schoonmaakbranche; beeindigingsvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1929
AR-Updates.nl 2017-0474
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 5351775 CV EXPL 16-6914

uitspraak: 23 maart 2017

vonnis in de hoofdzaak van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaatsnaam],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

gemachtigde: mr. M.W. Huijzer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dienstverlening “Van Adrichem” B.V.,

gevestigd te Sliedrecht,

gedaagde in hoofdzaak,

eiseres in het incident,

gemachtigde: mr. I.C.M. de Boer.

Partijen blijven hierna aangeduid als [eiser] en Van Adrichem.

Verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  1. Het vonnis in incident van deze rechtbank van 22 december 2016 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  2. de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging/vermindering van eis;

  3. de conclusie van dupliek.

Verdere beoordeling

1.1

Beoordeeld dient te worden of er sprake is van een overgang van onderneming per

1 april 2014 waardoor Van Adrichem per die datum niet meer de werkgever van [eiser] zou zijn.

1.2

Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap/Unie is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW van belang of er sprake is geweest van de overgang van een georganiseerd economisch verband, waarbij het aankomt op de omstandigheden van het geval. Bij een overgang van onderneming in een sector als de schoonmaakbranche – een arbeidsintensieve sector – waar een eenheid werknemers zonder specifieke materiële of immateriële activa van betekenis kan functioneren, is met name van belang of de overnemende onderneming de activiteiten van de overgenomen onderneming voortzet en of daarbij gebruik wordt gemaakt van een qua aard en deskundigheid wezenlijk deel van het personeel dat haar voorganger voor die activiteiten had ingezet.

Dat Groeneweg Diensten B.V. (hierna: Groeneweg), de overnemende onderneming, bij die schoonmaakactiviteiten gebruik maakt van dezelfde machines, schoonmaakmiddelen, werkroosters en hogedrukreinigers als Van Adrichem, zoals Van Adrichem heeft aangevoerd, is in beginsel niet relevant omdat die activa bij het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden niet van essentieel belang zijn. Anders lag dit in de zaak van een werknemer versus ISS Food & Hygiëne B.V. (JAR 2007/304) waarnaar Van Adrichem heeft verwezen. In die zaak speelde dat ISS Food & Hygiëne B.V. haar identiteit niet ontleende aan haar arbeidskrachten, maar aan de uitrusting waaronder speciale chemicaliën en een door haar uitgewerkte procedé waarbij zij gebruik maakt van door haar ontwikkelde private label-producten. Van een dergelijke uitzondering is hier geen sprake nu het hier gaat om standaard hogedrukreinigers inclusief bijbehorende middelen. Althans Van Adrichem heeft niet gesteld noch is het de kantonrechter anderszins gebleken dat het hier om specifieke materiële of immateriële activa van betekenis gaat. Daarbij wordt opgemerkt dat de door de Teflonfabriek van DuPont B.V. uitgevaardigde instructies, die volgens Van Adrichem kenmerkend zijn, niet tot de materiele of immateriële activa van Van Adrichem behoren.

1.3

Van belang is of door Groeneweg, die de activiteiten ‘pack out en de industriële reinigingswerkzaamheden’ van Van Adrichem in de Teflonfabriek heeft voortgezet, gebruik wordt gemaakt van een qua aard en deskundigheid wezenlijk deel van de georganiseerde groep werknemers die bij Van Adrichem tezamen op die activiteiten werd ingezet.

Van de zestien medewerkers van Van Adrichem die voor de pack out en de industriële reinigingswerkzaamheden werden ingezet, heeft Groeneweg aan zes medewerkers een arbeidsovereenkomst aangeboden, waaronder [eiser]. Uiteindelijk zijn vier werknemers bij Groeneweg in dienst getreden, [eiser] maakt geen deel uit van deze vier. Anders dan Van Adrichem aanvoert, betreft dit niet een wezenlijk deel van het personeel, in ieder geval niet qua aantal. Onbekend is gebleven of deze vier qua aard en deskundigheid een wezenlijk deel uitmaakten, nu Van Adrichem hieromtrent niets heeft gesteld.

Nu Groeneveld geen wezenlijk deel van de groep van zestien werknemers van Van Adrichem heeft overgenomen, is er geen sprake van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW. [eiser] is dus na 1 april 2014 bij Van Adrichem in dienst gebleven.

1.4

Aan de arbeidsovereenkomst tussen Van Adrichem en [eiser] is met het onherroepelijk worden van de beschikking van deze rechtbank van 14 mei 2014 een einde gekomen en zodoende heeft [eiser] recht op de in genoemde beschikking toegekende ontbindingsvergoeding van € 7.440,92.

Het verweer van Van Adrichem dat het onredelijk is om de ontbindingsvergoeding toe te kennen aan [eiser] omdat hij geweigerd heeft een arbeidsovereenkomst met Groeneweg te sluiten wordt verworpen. Van Adrichem heeft destijds zelf ervaren dat Groeneweg de zes werknemers van Van Adrichem slechts een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met verslechterde arbeidsvoorwaarden heeft aangeboden. Niet valt in te zien waarom het weigeren door [eiser] van het aanbod van Groeneweg onredelijk zou zijn voor Van Adrichem.

Van Adrichem zal dan ook veroordeeld worden tot het betalen van de ontbindingsvergoeding.

1.5

De gevorderde (verschenen) wettelijke rente zal als onweersproken en op de wet gegrond eveneens worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

1.6

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen, nu voldoende is gesteld en gebleken dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

1.7

Van Adrichem wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 96,01 aan dagvaardingskosten, € 79,- aan vast recht en € 500,- aan salaris voor de gemachtigde.

De beslissing

De kantonrechter,

veroordeelt Van Adrichem om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 8.587,90, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 7.440,92 vanaf 1 september 2016 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Van Adrichem in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op:

€ 72,01, te weten 75% van de explootkosten, waarvoor Van Adrichem van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een nota met betaalinstructies ontvangt, alsmede

€ 500,- aan salaris voor de gemachtigde,

€ 24,- aan resterende explootkosten en

€ 79,- voor het door [eiser] verschuldigde en door de gemachtigde betaalde griffierecht,

van welke bedragen het totaal rechtstreeks aan die gemachtigde dient te worden voldaan;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

745