Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2316

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
C/10/513200 / HA ZA 16-1060
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen sprake van onrechtmatige daad/misbruik van recht bij executie vonnis rechtbank Rotterdam. Verjaring vordering tot nakoming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1635
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/513200 / HA ZA 16-1060

Vonnis van 15 maart 2017

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.W. Huijzer te Papendrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.G.M. van der Pas te Breda.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 oktober 2016, met producties 1 tot en met 9;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;

  • -

    de brief van de rechtbank van 14 december 2016 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de ten behoeve van de comparitie overgelegde producties 10 tot en met 16 aan de zijde van [eiser] ;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en mevrouw [bestuurder van Tensurance B.V.] (hierna te noemen: [bestuurder van Tensurance B.V.] ) waren statutair bestuurders van Tensurance B.V. Tot en met 2008 werd binnen Tensurance B.V. een assurantiekantoor gedreven. Per 1 maart 2008 is de assurantieportefeuille van Tensurance B.V. verkocht aan [gedaagde] . Als koopprijs was een bedrag van € 350.000,00 overeengekomen.

2.2.

[eiser] heeft na de verkoop, vanaf 1 maart 2008, conform afspraak voor [gedaagde] gewerkt tegen een maandelijkse vergoeding van € 5.000,00 netto per maand. Tot 1 januari 2009 heeft [gedaagde] de overeengekomen vergoeding aan [eiser] betaald.

2.3.

Omdat [gedaagde] de overeengekomen koopprijs van € 350.000,00 niet volledig voldeed, heeft Tensurance B.V. een incassoprocedure opgestart. In deze procedure heeft Tensurance B.V. naast het niet betaalde deel van de koopprijs ook betaling van een aantal andere bedragen gevorderd. [gedaagde] heeft een vordering in reconventie ingesteld en zich in dat verband onder meer beroepen op dwaling bij de totstandkoming van de koopovereenkomst.

2.4.

De rechtbank Amsterdam heeft in haar vonnis van 16 mei 2012 het beroep op dwaling van [gedaagde] gegrond geacht, en de koopovereenkomst in die zin gewijzigd dat de koopprijs werd vastgesteld op € 204.169,83. Tensurance B.V. is vervolgens veroordeeld tot betaling van € 127.197,85 (ter zake wijziging gevolgen koopovereenkomst), € 20.416,98 (wegens onvolledige oplevering van het verschuldigde),

€ 37.500,00 (wegens overtreding van boetebedingen als neergelegd in artikelen 6 en 8 van de koopovereenkomst), een schadebedrag als gevolg van overtreding van de artikelen 6 en 8 van de koopovereenkomst op te maken bij staat, en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.5.

Tensurance B.V. heeft hoger beroep ingesteld tegen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2012.

2.6.

Omdat Tensurance B.V. niet in staat was om aan de veroordeling te voldoen, heeft

[gedaagde] , [eiser] en [bestuurder van Tensurance B.V.] in hun hoedanigheid van statutair bestuurders van Tensurance B.V. op 3 augustus 2012 gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam

2.7.

[eiser] is niet verschenen in de procedure. [bestuurder van Tensurance B.V.] heeft zich wel gesteld en heeft verweer gevoerd.

2.8.

Bij vonnis van 18 december 2013 van de rechtbank Rotterdam is tegen [eiser] verstek verleend en is hij veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van min of meer dezelfde bedragen als waartoe Tensurance B.V. was veroordeeld door de rechtbank Amsterdam, met dien verstande dat [eiser] tevens is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 35.700,00 zijnde de schade als gevolg van overtreding van de artikelen 6 en 8 van de koopovereenkomst. [bestuurder van Tensurance B.V.] is (hoofdelijk) veroordeeld tot betaling van

€ 110.830,17 met rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.9.

[eiser] is niet in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam. [bestuurder van Tensurance B.V.] is hiertegen wel in hoger beroep gegaan.

2.10.

Bij arrest van 14 juli 2015 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 mei 2012 vernietigd, onder meer oordelend dat geen sprake was van dwaling aan de zijde van [gedaagde] bij het sluiten van de koopovereenkomst. [gedaagde] is - kort weergegeven - veroordeeld tot betaling aan Tensurance B.V. van € 18.632,32 en € 35.000,00 (boete wegens te late betaling van de koopprijs) en Tensurance B.V. is veroordeeld tot betaling van

€ 35.000,00 (boete vanwege negatieve rekening-courantsaldi).

2.11.

Er is geen cassatie ingesteld tegen de arresten van het gerechtshof Amsterdam.

2.12.

Bij arrest van 16 februari 2016 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van 18 december 2013 van de rechtbank Rotterdam vernietigd voor zover het tussen [gedaagde] en [bestuurder van Tensurance B.V.] was gewezen. Het gerechtshof heeft, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [gedaagde] alsnog afgewezen en [gedaagde] veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen zij ten onrechte geïncasseerd had van [bestuurder van Tensurance B.V.] .

2.13.

[eiser] heeft (in ieder geval) bij brief van 6 januari 2011 aan [gedaagde] verzocht om (onder meer) betaling van achterstallig loon en juridische maatregelen aangekondigd bij gebreke van betaling door [gedaagde] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad - samengevat -:

  1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door het vonnis van 18 december 2013 te executeren en mitsdien aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden, thans lijdt en in de toekomst zal lijden;

  2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan [eiser] , op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  3. [gedaagde] te gebieden alle naar aanleiding van het vonnis van 18 december 2013 ten laste van [eiser] gelegde conservatoire en executoriale (derden)beslagen (definitief) op te heffen, de derdenbeslagenen daarover schriftelijk te informeren en (de advocaat van) [eiser] daarvan een kopie te sturen en Van derieven Hoeven te verbieden het vonnis van 18 december 2013 (verder) te executeren, althans haar te gebieden de executie van dit vonnis te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  4. [gedaagde] te veroordelen om binnen 14 dagen na het in deze procedure te wijzen vonnis aan [eiser] schriftelijk rekening en verantwoording af te leggen omtrent de executie van het vonnis van 18 december 2013 en de in dat kader door [gedaagde] geïncasseerde bedragen, voorzien van de data waarop deze bedragen zijn ontvangen alsmede van een specificatie van de herkomst van deze bedragen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  5. [gedaagde] te veroordelen om het uit voornoemde rekening en verantwoording blijkende saldo, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [eiser] ;

  6. [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.000,00 vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten;

  7. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[gedaagde] concludeert dat [eiser] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen, dan wel dat deze vorderingen hem dient te worden ontzegd, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

Onrechtmatige daad/misbruik van recht

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen zoals hiervoor weergegeven onder 1 tot en met 5 het volgende ten grondslag, zoals blijkt uit de dagvaarding en is geconcretiseerd tijdens de comparitie van partijen. Gelet op de arresten van het gerechtshof Amsterdam in de procedure tussen Tensurance B.V. en [gedaagde] en het arrest van het gerechtshof Den Haag in de procedure tussen [bestuurder van Tensurance B.V.] en [gedaagde] moet geconcludeerd worden dat er sprake is van een juridische misslag in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2013. Tensurance B.V. en [bestuurder van Tensurance B.V.] zijn beiden in hoger beroep in het gelijk gesteld. Het kan niet zo zijn dat het eerdere vonnis van 18 december 2013 dan toch geëxecuteerd wordt ten aanzien van [eiser] . De bestuurdersaansprakelijkheid betreft bovendien een afgeleide aansprakelijkheid: als de vennootschap (Tensurance B.V.) niet aansprakelijk is, kunnen de bestuurders dat ook niet zijn. Na het tussenarrest van het gerechtshof Amsterdam van 18 november 2014 kon [gedaagde] weten dat het onrechtmatig was om door te gaan met het executeren van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2013. Na het arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 februari 2016 was dat zeker het geval. Na alle gewezen arresten mag [gedaagde] in redelijkheid niet nog € 240.000,00 gaan innen bij [eiser] .

Voorts is er sprake van een noodtoestand, nu [eiser] zich wegens een gebrek aan financiën niet kon verweren in eerste aanleg en geen hoger beroep heeft kunnen instellen tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam. Als hij wel in staat was geweest om verweer te voeren en/of in hoger beroep te gaan, was dit allemaal niet gebeurd.

4.2.

[gedaagde] heeft hiertegen - samengevat - het volgende aangevoerd.

Er is geen sprake van een juridische misslag in het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2013. Deze uitspraak bevat geen evidente fout. Er is niet automatisch sprake van een juridische misslag als een vonnis later door een gerechtshof vernietigd wordt. Bovendien geldt dat [eiser] in het vonnis van de rechtbank Rotterdam tot meer en iets anders is veroordeeld dan waarvoor Tensurance B.V. door de rechtbank Amsterdam was veroordeeld. [eiser] heeft tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam geen hoger beroep ingesteld. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam is door het gerechtshof Den Haag slechts vernietigd voor zover het is gewezen jegens [bestuurder van Tensurance B.V.] . Ten aanzien van [eiser] ligt er dus een onherroepelijk vonnis van de rechtbank Rotterdam dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Er is geen sprake van een noodtoestand bij [eiser] . Een beroep daarop moet de situatie ten tijde van de executie betreffen, niet omstandigheden in het verleden. [eiser] heeft kennelijk nu een zodanig hoog inkomen dat hij ook alimentatie kan betalen. Dit geeft geen blijk van een noodtoestand in geval van executie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam.

[gedaagde] is er overigens niet van overtuigd dat er voor [eiser] geen mogelijkheid bestond om destijds verweer te voeren. [eiser] heeft in het geheel niet aangetoond dat hij geen financiële middelen had om verweer te voeren tijdens de procedure bij de rechtbank Rotterdam. In de conclusie van antwoord is inzichtelijk gemaakt dat er in 2008 nog middelen aan de vennootschap zijn onttrokken voor privédoeleinden. [gedaagde] betwist bij gebrek aan wetenschap dat er door [eiser] een verzoek is gedaan aan de Raad voor Rechtsbijstand voor het verkrijgen van een toevoeging. Tensurance B.V. heeft wel verder geprocedeerd. Het lijkt erop dat [eiser] de door [bestuurder van Tensurance B.V.] gevoerde procedures gewoon heeft afgewacht om kosten te besparen.

Concluderend stelt [gedaagde] dat zij het vonnis van de rechtbank Rotterdam ten uitvoer kan en mag leggen zonder dat dat tot een onrechtmatige daad leidt jegens [eiser] .

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.4.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat [gedaagde] bevoegd is een ten gunste van haar gewezen vonnis ten uitvoer te leggen. Terughoudendheid van de rechtbank bij ingrijpen hierin is geboden. Ingrijpen in de executie tast immers de bindende kracht van een vonnis aan, hetgeen inbreuk maakt op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een (onjuiste) rechterlijke uitspraak niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden aangetast en dat, indien geen rechtsmiddel meer beschikbaar is, de uitspraak tussen partijen kracht van gewijsde heeft. Slechts wanneer de executant misbruik maakt van zijn executiebevoegdheid kan aan de (verdere) tenuitvoerlegging een halt worden toegeroepen. Een executant maakt misbruik van zijn executiebevoegdheid indien hij - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.5.

De rechtbank stelt het volgende voorop. [eiser] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het uitvoer bij voorraad verklaarde vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2013 en dit vonnis is dus in kracht van gewijsde. [gedaagde] heeft een belang bij het gebruik maken van haar executiebevoegdheid.

4.6.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, dient te worden beoordeeld of sprake is van een omstandigheid als gevolg waarvan [gedaagde] geen in redelijkheid te respecteren belang (meer) heeft bij executie van het vonnis.

4.7.

[eiser] stelt in dit verband dat er sprake is van een juridische misslag in het vonnis van de rechtbank Rotterdam omdat het vonnis van de rechtbank Amsterdam in hoger beroep is vernietigd terwijl de rechtbank Rotterdam haar vonnis (mede) hierop heeft gebaseerd en omdat het vonnis van de rechtbank Rotterdam ten aanzien van [bestuurder van Tensurance B.V.] in hoger beroep op belangrijke punten is vernietigd. Beide omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat sprake is van een juridische misslag in het vonnis van de rechtbank Rotterdam. Van een juridische misslag is pas sprake als is gebleken dat er door de rechtbank Rotterdam in haar vonnis een evidente fout is gemaakt, bijvoorbeeld door een overduidelijk verkeerde toepassing van de wet of regelgeving. Dit is gesteld noch gebleken.

Nu bovendien blijkt dat het vonnis van de rechtbank Rotterdam ten aanzien van [eiser] een veel uitgebreidere veroordeling betreft dan ten aanzien van [bestuurder van Tensurance B.V.] en ook meer omvat dan het vonnis van de rechtbank Amsterdam ten aanzien van Tensurance B.V., geldt eens te meer dat het onderhavige door [eiser] aangespannen executiegeschil het karakter heeft van een verkapt hoger beroep. Dit is, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, uitdrukkelijk niet de bedoeling van een executiegeschil.

4.8.

[eiser] heeft ter zake voorts gesteld dat hij zich wegens een gebrek aan financiën niet kon verweren in eerste aanleg en geen hoger beroep heeft kunnen instellen tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam, zodat sprake is van een noodtoestand. Deze door [eiser] aangevoerde omstandigheid, als deze al zou komen vast te staan, maakt niet dat sprake is van een noodtoestand waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Dit betreffen immers geen na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van [eiser] .

Overigens is de rechtbank met [gedaagde] van oordeel dat [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij geen financiële middelen had om verweer te voeren in de procedure bij de rechtbank Rotterdam (tijdens welke procedure hij ongeveer 1,5 jaar de tijd had om het verstek te zuiveren en alsnog verweer te voeren) en geen financiële middelen had op het moment dat hij hoger beroep kon instellen tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam.

4.9.

Gesteld noch gebleken is voorts dat er sprake was van een feitelijke misslag in het vonnis van de rechtbank Rotterdam. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat [gedaagde] geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. De rechtbank concludeert dan ook dat [gedaagde] geen misbruik van recht heeft gemaakt dan wel maakt dan wel zal maken door genoemd vonnis te executeren.

4.10.

Bij gebreke van een grondslag zullen de vorderingen van [eiser] als hiervoor weergegeven onder 1 tot en met 5 worden afgewezen.

4.11.

De rechtbank is er in het voorgaande vanuit gegaan dat [eiser] de vordering zoals hiervoor weergegeven onder 4 als onderdeel van de overige vorderingen heeft ingesteld. Indien en voor zover [eiser] deze vordering als een afzonderlijke vordering heeft willen instellen, geldt het volgende. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord (pagina 5 onderaan) gesteld dat het niet zo kan zijn dat [eiser] niet weet welke bedragen er zijn geïncasseerd onder de derdebeslagene Voogd en Voogd omdat Voogd en Voogd periodiek overzichten van de provisie-opbrengsten aan [eiser] stuurt. In aanvulling daarop heeft [gedaagde] als productie 2 bij haar conclusie van antwoord een opgave van de deurwaarder overgelegd waaruit blijkt wat er geïncasseerd is. Een en ander is door [eiser] niet betwist, zodat deze vordering ook om die reden zal worden afgewezen.

Nakoming overeenkomst

4.12.

[eiser] legt aan zijn vordering zoals hiervoor weergegeven onder 6 ten grondslag dat partijen zijn overeengekomen dat Van der Zwam tegen betaling van

€ 5.000,00 per maand vanaf 1 maart 2008 werkzaamheden voor [gedaagde] zou verrichten, dat [eiser] conform afspraak in januari 2009 werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht maar dat [gedaagde] de hier tegenoverstaande afgesproken vergoeding van € 5.000,00 niet aan hem heeft voldaan.

4.13.

[gedaagde] beroept zich ter zake deze vordering primair op verjaring.

4.14.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.15.

Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. De vordering van [eiser] tot betaling van € 5.000,00 als vergoeding voor de uitgevoerde werkzaamheden in januari 2009, is in februari 2009 opeisbaar geworden, nu de rechtbank uit de stellingen van partijen begrijpt dat betaling steeds plaatsvond na afloop van de maand dat de werkzaamheden waren uitgevoerd. De verjaringstermijn van vijf jaren is dus op dat moment (voor het eerst) gaan lopen. Bij brief van 6 januari 2011 aan [gedaagde] heeft [eiser] ondubbelzinnig zijn recht op betaling van de vergoeding voorbehouden. Deze brief kan worden aangemerkt als een handeling die de verjaring heeft gestuit. Vanaf dat moment is derhalve een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren gaan lopen. Deze verjaringstermijn liep tot 6 januari 2016.

Hoewel [eiser] stelt dat er meerdere brieven zijn gestuurd over de niet betaalde vergoeding is niet onderbouwd wanneer deze brieven zouden zijn gestuurd en zijn deze brieven ook niet in het geding gebracht. In aanmerking nemende dat het beroep op verjaring reeds is gedaan in de conclusie van antwoord had het op de weg van [eiser] gelegen om deze brieven voorafgaand aan de comparitie van partijen en uiterlijk op de comparitie van partijen in het geding te brengen. Nu dit niet is gebeurd, wordt deze stelling als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.

Eerst op 24 oktober 2016 heeft [eiser] [gedaagde] gedagvaard. Op dat moment was, zoals blijkt uit het voorgaande, de verjaringstermijn al verlopen. Het beroep op verjaring is derhalve gegrond. Ook dit deel van de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

Slotsom

4.16.

De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

Proceskosten

4.17.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 288,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.192,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.192,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.

1582/1729