Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2017:2305

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
C/10/506173 / HA ZA 16-707
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Feitelijk bestuurder (art. 2:248 lid 7 BW)? Onrechtmatige doorstart? Onrechtmatig gebruik handelsnaam. Aansprakelijkheid bestuurder voor onrechtmatig gebruik handelsnaam door vennootschap? Verhaal mogelijk bij vennootschap? ‘Spaanse Villa’-arrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1601
OR-Updates.nl 2017-0116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/506173 / HA ZA 16-707

Vonnis van 8 maart 2017

in de zaak van

[curator] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van A.T. HAVENSERVICE & KOERIERSDIENST B.V.,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.A.J. Hartman te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALLROUND KOERIERS B.V.,

gevestigd te Rhoon,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. P.A. Visser te Hendrik-Ido-Ambacht.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagden] genoemd worden. Gedaagden zullen waar nodig afzonderlijk [gedaagde 1] en AK genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 juli 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijke eis in reconventie, met producties;

  • -

    de brief van de rechtbank van 9 november 2016 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de brief van de rechtbank van 2 december 2016 houdende een zittingsagenda;

  • -

    de brief van mr. Visser van 16 januari 2017 met bijlage;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2017;

  • -

    de brief van mr. Visser van 7 februari 2017;

  • -

    de brief van mr. Hartman van 8 februari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In het verleden is [gedaagde 1] werkzaam geweest voor A.T. Havenservice & Koeriersdienst B.V. (hierna: ATH). ATH drijft een koeriersdienst.

2.2.

Tot 5 juni 2011 waren [bestuurder 1 gefailleerde] en [bestuurder 2 gefailleerde] (indirect) bestuurders van ATH. Op die datum is [bestuurder 2 gefailleerde] overleden en sindsdien is [bestuurder 1 gefailleerde] de enige (indirect) bestuurder.

2.3.

[gedaagde 1] is de (stief)zoon van [bestuurder 2 gefailleerde] en [bestuurder 1 gefailleerde] .

2.4.

[gedaagde 1] was werkzaam in een functie onder de benaming ‘planner’. Deze werkzaamheden verrichtte hij voor ATH maar op basis van een arbeidsovereenkomst met de holdingmaatschappij van [bestuurder 1 gefailleerde] (en [bestuurder 2 gefailleerde] ). Laatstelijk genoot [gedaagde 1] een salaris van ongeveer € 6.500,- per maand.

2.5.

Op 14 november 2013 heeft [gedaagde 1] aan het personeel van ATH bekend gemaakt dat hij de onderneming van ATH wilde overnemen en dat daartoe alle werknemers van ATH zouden worden ontslagen. Daarop is namens ATH bij het UWV een verzoek ingediend tot het verkrijgen van een ontslagvergunning voor de werknemers. Dit verzoek is ingediend door de accountant met machtiging van [bestuurder 1 gefailleerde] .

2.6.

Op 28 november 2013 heeft [gedaagde 1] AK opgericht. [gedaagde 1] is indirect bestuurder en enig aandeelhouder van AK.

2.7.

Het UWV heeft de ontslagvergunningaanvraag op 25 februari 2014 afgewezen.

2.8.

Op 28 februari 2014 hebben alle werknemers die niet ziek waren hun arbeidsovereenkomst met ATH opgezegd, waarna zij bij AK in dienst zijn getreden.

2.9.

Op 24 juni 2014 is ATH failliet verklaard met benoeming van de curator in die hoedanigheid.

2.10.

AK drijft evenals ATH een koeriersdienst.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De curator vordert samengevat het volgende:

  • -

    een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] aansprakelijk is op grond van artikel 6:248 lid 1 jo. lid 7 en/of artikel 2:248 lid 2 jo. lid 7 BW voor het boedeltekort van ATH;

  • -

    veroordeling van [gedaagde 1] tot voldoening aan de curator van het boedeltekort en van een voorschot daarop van € 50.000,-;

  • -

    een verklaring voor recht dat [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de schuldeisers van ATH geleden schade, op te maken bij staat;

  • -

    veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten;

een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

[gedaagde 1] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de curator in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

3.3.

[gedaagde 1] vordert voorwaardelijk veroordeling van de curator tot opheffing van de onder [gedaagden] gelegde beslagen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van de curator in de proceskosten, een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

De curator heeft geen verweer gevoerd.

4 De beoordeling

in conventie

Onbehoorlijke taakvervulling

4.1.

De curator heeft zijn primaire vordering gebaseerd op artikel 2:248 BW. Hij heeft daartoe gesteld dat het bestuur van ATH zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, onder andere omdat het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het tijdig deponeren van de jaarstukken. Gelet daarop staat het onbehoorlijke bestuur vast en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:248 lid 2 BW). De curator meent voorts dat ook op ‘inhoudelijke gronden’ sprake is van onbehoorlijk bestuur. Kennelijk doelt de curator hier op het kader van artikel 2:248 lid 1 BW. [gedaagde 1] moet volgens de curator worden beschouwd als een feitelijke beleidsbepaler als bedoeld in lid 7 van genoemd artikel, zodat ook hij hoofdelijk aansprakelijk is voor het boedeltekort. Gelet op dit standpunt van de curator dient eerst te worden onderzocht of [gedaagde 1] heeft te gelden als feitelijk beleidsbepaler.

4.2.

Ter onderbouwing van het standpunt dat [gedaagde 1] heeft te gelden als feitelijk beleidsbepaler heeft de curator het volgende aangevoerd. [gedaagde 1] is degene die sinds het overlijden van [bestuurder 2 gefailleerde] de arbeidsovereenkomsten met nieuwe werknemers van ATH is aangegaan en hij ondertekende ook brieven namens ATH waarmee het einde van arbeidsovereenkomsten werd aangezegd. [gedaagde 1] hield zich met de financiën van ATH bezig, zoals blijkt uit het door hem gebruikte e-mailadres, uit mailcorrespondentie over financiële aangelegenheden, uit e-mails aan crediteuren en leasemaatschappijen en uit het feit dat facturen aan hem gericht werden. Naar buiten toe profileerde [gedaagde 1] zich als degene die de leiding had. Ten slotte heeft de curator erop gewezen dat [gedaagde 1] niet in dienst was van ATH maar van de holding daarboven en dat hij een salaris genoot dat niet past bij zijn functie van planner en veel hoger is dan het maximale salaris dat op grond van de geldende cao kan worden toegekend.

4.3.

[gedaagde 1] heeft dit standpunt van de curator gemotiveerd weersproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de aard van zijn functie van planner volgt dat hij in zekere zin de spin in het web was en de dagelijkse gang van zaken aanstuurde. Het is dus logisch dat hij gold als aanspreekpunt op de werkvloer. [gedaagde 1] had geen bemoeienis met de verzuimbegeleiding van zieke werknemers, met het afsluiten van leasecontracten en verzekeringen, met de ICT-voorzieningen, met de huur van het bedrijfspand en met de vaststelling van jaarstukken. [gedaagde 1] kon geen betalingen namens ATH verrichten. Wel behoorde het tot het zijn taak de rittenbriefjes te verwerken tot facturen, die hij vervolgens aan de accountant verstrekte om te administreren. Het klopt dat hij een “prima” salaris ontving, maar dat salaris is, afgezien van indexatie, niet gestegen sinds 2009, dat wil zeggen van ruim voor het overlijden van [bestuurder 2 gefailleerde] .

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.5.

Bij de feitelijk beleidsbepaler als bedoeld in artikel 2:248 lid 7 BW gaat het om een niet-bestuurder die zich een zodanige mate van onafhankelijkheid en beslissingsvrijheid heeft toebedeeld of deze toebedeeld heeft gekregen dat deze persoon feitelijk het beleid bepaalt van de vennootschap. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat, wil er sprake zijn van een beleidsbepaler “als ware hij bestuurder”, enerzijds sprake moet zijn van een directe bemoeienis met het bestuur en anderzijds van een feitelijke terzijdestelling van het formele bestuur, zonder dat dit laatste betekent dat het formele bestuur in wezen volledig buitenspel is komen te staan. Of sprake is van een feitelijk beleidsbepaler is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij van belang is dat een situatie als bedoeld in lid 7 niet al te spoedig moet worden aangenomen omdat in dat geval de reikwijdte van deze uitzonderingsbepaling te ruim wordt. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat dit niet de bedoeling van de wetgever is geweest.

4.6.

Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] niet als feitelijk beleidsbepaler kan worden beschouwd. In de eerste plaats vormt de kwestie van de beloning van [gedaagde 1] naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid die wijst op een beleidsbepalende positie van [gedaagde 1] . Hij heeft (bij conclusie van antwoord onder 32) onbetwist gesteld dat hij ditzelfde salaris al sinds 2009 verdient, en dat is dus ruim voordat hij volgens de curator de positie van [bestuurder 2 gefailleerde] als beleidsbepaler zou hebben ingenomen. [bestuurder 1 gefailleerde] en [bestuurder 2 gefailleerde] zullen hun redenen hebben gehad om hun (stief)zoon een dergelijk salaris toe te kennen, maar een aanwijzing voor een feitelijk bestuurderschap is dit niet. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat [gedaagde 1] onbetwist heeft gesteld dat hij twaalf uur per dag voor ATH werkte en ook in het weekend degene was die telefonisch opdrachten aannam en verwerkte. In de tweede plaats is de aard van de functie van [gedaagde 1] van belang. Die brengt mee dat hij veel bemoeienis heeft met de dagelijkse gang van zaken binnen de onderneming en dat hij in operationele zin daarin een belangrijke stem zal hebben. Dat is echter iets anders dan dat hij “als ware hij bestuurder” het beleid van de onderneming bepaalt. Het aangaan van arbeidsovereenkomsten kan in beginsel als een typische bestuurstaak worden gezien, zoals [gedaagde 1] ook onderkent, maar noodzakelijk is dit niet. Denkbaar is immers ook dat [gedaagde 1] hierbij in opdracht van de bestuurder heeft gehandeld. [gedaagde 1] heeft dit gesteld en dit is niet door de curator betwist. De rechtbank wijst erop dat een dergelijke volmacht niet schriftelijk behoeft te worden verleend. De verschillende door de curator genoemde overige omstandigheden kunnen niet tot een ander oordeel leiden. De handelingen van [gedaagde 1] met betrekking tot de dagelijkse operationele gang van zaken passen heel wel bij zijn positie als planner en, in zijn woorden, “regelneef”. [gedaagde 1] heeft bij conclusie van antwoord een groot aantal concrete voorbeelden genoemd (kort opgesomd in 4.3) van typische bestuursaangelegenheden waarover hij niets te zeggen had. Deze stellingen heeft de curator niet weersproken. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat [gedaagde 1] feitelijk heeft opgetreden “als ware hij bestuurder”, ook niet als hij daarin samen met [bestuurder 1 gefailleerde] heeft gehandeld, zoals de curator ter zitting heeft aangevoerd.

4.7.

Hieruit volgt dat de vorderingen met betrekking tot de aansprakelijkheid van [gedaagde 1] voor het boedeltekort niet voor toewijzing in aanmerking komen.

Onrechtmatig handelen

4.8.

De curator verwijt [gedaagden] dat zij de volledige verdiencapaciteit aan ATH hebben onttrokken door de activiteiten, leaseauto’s, telefoonnummers, het klantenbestand en de gezonde werknemers over te brengen naar AK. In dat kader heeft [gedaagde 1] tevens de handelsnaam van ATH (“Allround Koeriers”) overgenomen. Voor dit alles hebben [gedaagden] geen enkele vergoeding betaald. In de visie van de curator hebben [gedaagden] op deze wijze de schuldeisers van ATH nadeel berokkend.

4.9.

[gedaagden] bestrijden dat sprake is van onrechtmatig handelen, van persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1] is in elk geval geen sprake. Zij voeren in dit verband aan dat het niet verboden is om gebruik te maken van de bekendheid van potentiële klanten met het privételefoonnummer van [gedaagde 1] en dat het [gedaagde 1] vrij stond een eigen onderneming op te zetten in het zicht van het einde van het bedrijf van ATH. Verder betogen [gedaagden] dat er bij de bedrijfsvoering van ATH geen sprake was van een vaste klantenkring en dat zij geen leaseauto’s van ATH hebben overgenomen. Ten slotte betogen [gedaagden] dat ATH de handelsnaam “Allround Koeriers” nooit gebruikte.

4.10.

De rechtbank overweegt het volgende.

4.11.

Bij dagvaarding heeft de curator geen onderscheid gemaakt tussen de positie van AK en die van [gedaagde 1] . Wel meent de curator dat zij beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn. Desgevraagd ter zitting heeft de curator te kennen gegeven dat, als [gedaagde 1] niet geldt als feitelijk bestuurder van ATH, AK aansprakelijk is voor het handelen van [gedaagde 1] en dat [gedaagde 1] zelf als bestuurder van AK aansprakelijk is, nu hem ter zake een persoonlijk ernstig verwijt treft. Uit het betoog van [gedaagden] bij conclusie van antwoord blijkt dat ook zij van mening zijn dat het handelen rondom het opzetten van het bedrijf van AK als handelen van AK moet worden beschouwd. De rechtbank zal in het navolgende daarom allereerst onderzoeken of AK onrechtmatig heeft gehandeld. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de vraag of (ook) [gedaagde 1] als bestuurder aansprakelijk is.

4.12.

Vooropgesteld wordt dat het AK op zichzelf genomen vrij stond een soortgelijke onderneming te beginnen als die welke door ATH werd uitgeoefend. Dat is in beginsel niet onrechtmatig. Voor zover daarbij echter, zoals de curator stelt, de crediteuren van ATH worden benadeeld, kan een dergelijke handelwijze onrechtmatig zijn jegens die schuldeisers.

4.13.

Vast staat dat de handelsnaam van AK (Allround Koeriers) ook een handelsnaam van ATH was. De rechtbank is van oordeel dat AK onrechtmatig heeft gehandeld voor wat betreft het gebruik van de handelsnaam van ATH. Bij wijze van verweer hebben [gedaagden] slechts aangevoerd dat ATH deze handelsnaam nooit gebruikte. Deze stelling wordt echter gelogenstraft door de in het geding gebrachte stukken, waaronder de producties 3 bij dagvaarding en 17 bij conclusie van antwoord. Uit die producties volgt dat in de website en in het e-mailadres van ATH de naam “Allround Koeriers” voorkomt. Gelet op de inhoud van deze producties hebben [gedaagden] hun verweer op dit punt onvoldoende onderbouwd. De rechtbank gaat aan dit verweer daarom voorbij. Het had op de weg van [gedaagden] gelegen om feiten te stellen die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat AK gerechtigd was tot het gebruik van de handelsnaam van ATH (vergelijk artikel 5 Handelsnaamwet). Zij hebben daartoe echter niets aangevoerd. Aangenomen moet daarom worden dat AK tot dit gebruik niet gerechtigd was. De curator heeft gesteld dat de crediteuren van ATH in een betere positie zouden hebben verkeerd als activa nog in de boedel aanwezig waren geweest, omdat deze activa in dat geval te gelde hadden kunnen worden gemaakt. [gedaagden] hebben dit betoog niet weersproken. Tot de activa van ATH moet ook de handelsnaam worden gerekend. Aangenomen moet dus worden dat de schuldeisers van ATH zijn benadeeld door het onrechtmatige gebruik van de handelsnaam door AK. AK heeft daarom onrechtmatig jegens de gezamenlijke schuldeisers van ATH gehandeld.

4.14.

Met betrekking tot de overige punten is van onrechtmatig handelen geen sprake. Het stond AK vrij een onderneming op te zetten die dezelfde activiteiten als ATH ging uitvoeren. In het licht van het verweer van [gedaagden] bij conclusie van antwoord heeft de curator onvoldoende onderbouwd dat AK op onrechtmatige wijze de hand heeft gelegd op het klantenbestand van ATH. Bij antwoord hebben [gedaagden] immers concreet betoogd dat een dergelijk klantenbestand niet bestond en dat de opdrachten van ATH steeds op afroep ontstonden waarbij het initiatief ligt bij de klant. Daarop heeft de curator niet gereageerd. Dat [gedaagde 1] in het kader van zijn werk voor ATH gebruik maakte van zijn privételefoon en dat klanten van ATH dit nummer kenden en hem dus op datzelfde nummer bleven bellen toen hij via AK actief was, maakt niet dat van [gedaagde 1] gevergd kon worden zijn telefoon niet langer te gebruiken of opdrachten te weigeren van klanten die hem kenden uit zijn tijd bij ATH. Voor zover klanten bij AK terecht zijn gekomen vanwege de omstandigheid dat AK zich evenals ATH als “Allround Koeriers” profileerde, hangt het onrechtmatig handelen van AK met het gebruik van de handelsnaam samen, en niet met het bedienen van die klanten als zodanig. De rechtbank roept bij dit alles in herinnering dat [gedaagde 1] geen (feitelijk) bestuurder was, zodat hij niet de wel op een bestuurder rustende verplichting had om zich mede de belangen van de crediteuren van ATH aan te trekken. De (pas ter zitting aangevoerde) stelling van de curator dat AK leaseauto’s van ATH heeft overgenomen is door [gedaagden] uitdrukkelijk betwist en door de curator op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank gaat dan ook aan die stelling voorbij. Ten slotte valt niet in te zien dat AK zich had moeten onthouden van het in dienst nemen van werknemers van ATH.

4.15.

AK heeft dus onrechtmatig gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers door de handelsnaam van ATH te gebruiken. AK is voor de als gevolg daarvan geleden schade aansprakelijk. De vordering ter zake de verklaring voor recht en de verwijzing naar de schadestaatprocedure is in zoverre toewijsbaar.

4.16.

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Van aansprakelijkheid zal in beginsel sprake zijn indien (i) de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt en de bestuurder bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook zal sprake zijn van aansprakelijkheid van de bestuurder indien (ii) deze heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

4.17.

Tegen deze achtergrond is van belang dat de curator niets heeft gesteld op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat AK geen verhaal biedt voor de door de gezamenlijke schuldeisers van ATH geleden schade die het gevolg is van de onder 4.15 bedoelde onrechtmatige daad van AK. Een feitelijke onderbouwing op dat punt had wel van de curator mogen worden verwacht, zeker nu [gedaagden] bij antwoord expliciet stelling hebben ingenomen over de verhouding tussen de aansprakelijkheid van AK en de eventuele aansprakelijkheid van [gedaagde 1] . Nu aldus niet kan worden aangenomen dat AK geen verhaal biedt, wordt reeds om die reden aan aansprakelijkheid van [gedaagde 1] als bestuurder niet toegekomen. In het midden kan dus blijven of hem een persoonlijk ernstig verwijt treft. De vordering jegens hem zal daarom worden afgewezen.

4.18.

In de dagvaarding stelt de curator dat hij buitengerechtelijke kosten heeft moeten maken die voor vergoeding door [gedaagden] in aanmerking komen. Hij verbindt hieraan echter geen vordering, zodat deze stelling verder buiten beschouwing kan blijven.

4.19.

Hoewel een groot deel van de vordering van curator zal worden afgewezen, constateert de rechtbank dat een deel voor toewijzing in aanmerking komt en dat deze procedure kennelijk nodig was om aansprakelijkheid van AK voor het gebruik van de handelsnaam van ATH vast te stellen. Gelet hierop zal worden bepaald dat ieder der partijen de eigen proceskosten dient te dragen. De beslagkosten komen reeds niet voor vergoeding in aanmerking, nu alleen ten laste van [gedaagde 1] beslag is gelegd en de vorderingen jegens [gedaagde 1] niet voor toewijzing in aanmerking komen.

in reconventie

4.20.

[gedaagde 1] vordert veroordeling van de curator tot opheffing van de beslagen, dit onder de voorwaarde dat de vordering van de curator in conventie wordt afgewezen. De rechtbank begrijpt de voorwaarde aldus dat bedoeld is dat de vordering van de curator jegens [gedaagde 1] wordt afgewezen. Aan deze voorwaarde is voldaan. De curator heeft zich niet tegen de vordering verweerd. De vordering komt de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor, zodat deze zal worden toegewezen. De dwangsom zal gemaximeerd worden.

4.21.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal de curator worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. Deze worden begroot op € 226,- voor advocaatsalaris. De nakosten zijn toewijsbaar zoals in het dictum omschreven.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat AK wegens (opzettelijke) benadeling van schuldeisers van ATH aansprakelijk is voor de door de schuldeisers van ATH als gevolg daarvan geleden schade;

5.2.

veroordeelt AK tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat;

5.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het anders of meer gevorderde;

in reconventie

5.6.

veroordeelt de curator tot opheffing van de onder [gedaagde 1] gelegde beslagen onder verbeurte van een dwangsom van € 500 voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat de curator in gebreke blijft de beslagen op te heffen binnen een termijn van 14 dagen na betekening van dit vonnis, zulks met een maximum van € 10.000;

5.7.

veroordeelt de curator in de proceskosten van [gedaagden] , tot aan deze uitspraak begroot op € 226, en in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de curator niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.

1980/1977